Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:11615 
 
Datum uitspraak:04-09-2026
Datum gepubliceerd:10-09-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:NL:TZ:2616098:R-RK – NL NL:TZ:2616098:R-RK – NL
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Moratorium toegewezen. Zes maanden. De huurtermijnen vanaf april 2026 zijn voldaan. Budgetbeheer zal worden opgestart. Ontruiming van de woning niet in het belang van verzoekers en hun inwonende minderjarige kind.
Trefwoorden:huurovereenkomst
kinderopvangtoeslag
zorgtoeslag
Wetreferenties:Faillissementswet 287b
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2] [nummer 3] – [nummer 4]


Uitspraak van 4 september 2026


In de zaak van



[verzoeker] en [verzoekster]

wonende te [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoekers.




1De procedure

Verzoekers hebben op 17 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 20 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 28 augustus 2026.

Ter zitting van 28 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:


verzoeker;


verzoekster;


mevrouw [naam 1] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);


mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).



De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.




2Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2026 tot ontruiming van de woning van verzoekers ten uitvoer te leggen.

De schulden van verzoekers zijn ontstaan doordat verzoeker ziek is geworden en daardoor minder inkomsten had. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat het langzaam beter met hem gaat en dat hij weer beperkt werkt. Doordat verzoeker geen inkomsten had is verzoekster meer gaan werken, maar daardoor kampt zij nu zelf met gezondheidsproblemen.

Verzoeker heeft inkomen uit arbeid van € 615,71 per maand. Verzoekster heeft inkomen uit arbeid van € 1.020,61 per maand. Ook ontvangt verzoekster huur- en zorgtoeslag van € 238,- respectievelijk € 134,- per maand, kinderopvangtoeslag van € 691,- per maand en kindgebonden budget van € 212,- per maand. De huur bedraagt € 681,94 per maand. Sinds april 2026 zijn de lopende huurtermijnen voldaan. De huurtermijn van september 2026 is ook tijdig voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het budgetplan in balans is en dat daarnaast budgetbeheer zal worden opgestart, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Bovendien hebben verzoekers er belang bij om met hun inwonende minderjarige dochter in de woning te kunnen blijven wonen.




3Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het verzoek, nu verzoekers meewerken aan een schuldhulpverleningstraject en de huurtermijnen vanaf april 2026 tijdig worden voldaan.




4De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2026 tot ontruiming van de woning van verzoekers en een kopie van het exploot van 18 juni 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 20 augustus 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij samen met hun minderjarige dochter in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 4 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers hebben de huurtermijnen vanaf april 2026 voldaan. De huurtermijn van september 2026 is ook tijdig voldaan. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart, waardoor ook voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.

Bovendien hebben verzoekers een inwonende minderjarige dochter die door de ontruiming van de woning wordt geraakt. De rechtbank acht een ontruiming van de woning van verzoekers niet in het belang van de inwonende minderjarige dochter van verzoekers. Onbekend is of verzoekers op dit moment andere alternatieven hebben om hun minderjarige dochter een dak boven het hoofd te bieden.

Tegen bovengenoemde achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het belang van verzoekers en hun minderjarige dochter zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van hun verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.




5De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 4 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 20 juli 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoeken ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
Link naar deze uitspraak