Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:12049 
 
Datum uitspraak:08-07-2026
Datum gepubliceerd:14-09-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:C/15/370301
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:In deze procedure vorderen eisers terugbetaling van drie geldleningen. De rechtbank wijst de vorderingen grotendeels toe. Er is onvoldoende gebleken dat partijen de geldleningen hebben bedoeld als voorschot op de door gedaagde verwachte winstuitkering uit de gezamenlijke onderneming van partijen. Daarom is het opeisen van de geldleningen voordat die winstuitkering heeft plaatsgevonden, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het verrekenverweer slaagt niet, omdat de tegenvordering tot betaling van de winstuitkering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/370301 / HA ZA 25-652


Vonnis van 8 juli 2026


in de zaak van




1 [eiser sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. BUILDING CONSTRUCTION INVESTMENTS B.V.,
te Rotterdam,
eisers,
hierna te noemen: [eiser sub 1] en BCI,
advocaat: mr. E.P. Groenewegen-Caris,

tegen



[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: voorheen mr. S Feller, thans mr. M.A.M. Bannenberg.


De zaak in het kort

In deze procedure vorderen eisers terugbetaling van drie geldleningen.
De rechtbank wijst de vorderingen grotendeels toe. Er is onvoldoende gebleken dat partijen de geldleningen hebben bedoeld als voorschot op de door gedaagde verwachte winstuitkering uit de gezamenlijke onderneming van partijen. Daarom is het opeisen van de geldleningen voordat die winstuitkering heeft plaatsgevonden, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het verrekenverweer slaagt niet, omdat de tegenvordering tot betaling van de winstuitkering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 31 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken;


de akte aanvullende producties met producties 11 tot en met 14 van [gedaagde] ;


de akte aanvullende producties met producties 14 tot en met 21 van [eiser sub 1] en BCI, waarin bezwaar is gemaakt tegen producties 13 en 14 van [gedaagde] ;


het B-formulier van [gedaagde] , waarmee hij productie 13 gedeeltelijk heeft ingetrokken;


de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden en mr. Groenewegen pleitaantekeningen heeft voorgedragen. Tijdens de zitting is beslist dat de door [gedaagde] op 19 mei 2026 overgelegde producties 15 en 16 (bestaande uit processtukken uit een andere procedure) buiten beschouwing worden gelaten, omdat zij korter dan tien dagen voor de zitting zijn overgelegd en de goede procesorde zich er niet tegen verzet dat de stukken buiten beschouwing worden gelaten (artikel 86 lid 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De beslissing over de toelaatbaarheid van producties 13 en 14 van [gedaagde] is aangehouden tot dit vonnis.





1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser sub 1] en [gedaagde] hebben sinds 2014 samengewerkt in een onderneming die zich bezighoudt met (kort gezegd) de handel in software en advisering op het gebied van informatietechnologie. Die onderneming wordt geëxploiteerd binnen Issue Information Technology B.V. (hierna: Issue). De vennootschap van [gedaagde] , N&D B.V., is in oktober 2017 minderheidsaandeelhouder geworden van Issue. De overige aandelen in Issue worden gehouden door [eiser sub 1] . Hij is ook bestuurder van Issue.



2.2.
Op 27 december 2018 heeft BCI (een vennootschap van [eiser sub 1] ) aan [gedaagde] een bankbetaling gedaan van € 50.000,-, met de volgende omschrijving: “volgens overeenk 27-12-2018”.



2.3.
Vanaf september 2022 heeft [gedaagde] bij [eiser sub 1] herhaaldelijk navraag gedaan naar een winstuitkering uit Issue.



2.4.

[eiser sub 1] en [gedaagde] hebben op 2 maart 2023 een schriftelijke overeenkomst gesloten, waarin zij hebben afgesproken dat [eiser sub 1] aan [gedaagde] een geldlening verstrekt van € 50.000,-, dat [gedaagde] een contractuele rente van 4,09% per jaar verschuldigd is, en dat de geldlening uiterlijk op 1 maart 2025 moet zijn afgelost.



2.5.
Op 10 november 2023 hebben [eiser sub 1] en [gedaagde] nog een schriftelijke overeenkomst gesloten, waarin zij hebben afgesproken dat [eiser sub 1] aan [gedaagde] een geldlening verstrekt van € 200.000,-, dat [gedaagde] een contractuele rente van 6% per jaar verschuldigd is en dat de geldlening uiterlijk op 10 november 2025 moet zijn afgelost. Ook hebben zij daarin afgesproken dat [gedaagde] uiterlijk op 31 december 2023 een waarborg moet verstrekken.



2.6.
Tussen partijen (en hun vennootschappen) zijn diverse juridische (kort geding) procedures gestart, waarin zij over en weer vorderingen hebben ingesteld in verband met (samengevat en onder andere) de winstdeling/dividenduitkering van Issue, de jaarstukken van Issue, de rekening-courantschuld aan Issue, de aanbiedingsplicht van N&D B.V., de beëindiging van managementovereenkomst tussen N&D B.V. en Issue, en het benaderen van zakelijke relaties van Issue door [gedaagde] . Ook is een procedure aanhangig gemaakt bij de Ondernemingskamer. In dat kader is tussen (de vennootschappen van) partijen een mediationtraject opgestart. Dat traject is afgerond zonder dat een schikking is bereikt.



2.7.

[eiser sub 1] heeft in verband met de terugbetaling van de onder 2.4 en 2.5 genoemde geldleningen op 11 september 2025 ten laste van [gedaagde] conservatoir verhaalsbeslag gelegd op de woning van [gedaagde] en (repeterend) conservatoir derdenbeslag onder ING.






3Het geschil


3.1.

[eiser sub 1] en BCI vorderen - samengevat - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:


€ 250.000,- aan [eiser sub 1] en € 50.000,- aan BCI;


zulks te vermeerderen met de contractuele rente van 4,09% over € 50.000,- vanaf 2 maart 2023, de contractuele rente van 6% over € 200.000,- vanaf 10 november 2023, en de contractuele rente over € 50.000,- vanaf 27 december 2020, althans subsidiair de wettelijke rente, telkens tot de dag van algehele voldoening;


de door [eiser sub 1] gemaakte beslagkosten, bestaande uit de deurwaarderskosten van € 1.724,64 en de griffierechten van € 331,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;


de buitengerechtelijke kosten van € 3.025,- aan [eiser sub 1] en € 1.275,- aan BCI, te vermeerderen met de wettelijke rente;


de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.





3.2.

[eiser sub 1] en BCI leggen hieraan ten grondslag dat de geldleningen van 27 december 2018 en 2 maart 2023 opeisbaar zijn, omdat de uiterste aflosdatum is verstreken. De geldlening van 10 november 2023 is volgens [eiser sub 1] eveneens opeisbaar, omdat [gedaagde] heeft nagelaten een waarborg te verstrekken vóór 31 december 2023. Daarom moet [gedaagde] de drie geldleningen terugbetalen, te vermeerderen met de overeengekomen enkelvoudige rente en de kosten.



3.3. '

[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat BCI op 27 december 2018 een geldlening heeft verstrekt. Verder betoogt hij dat de geldleningen van 2 maart 2023 en 10 november 2023 zijn bedoeld als voorschot op de winstdeling uit Issue en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser sub 1] en BCI de leningen opeisen, omdat:


dit ertoe zou leiden dat [gedaagde] zijn woning moet verkopen,



[gedaagde] er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat [eiser sub 1] en BCI de geldleningen pas zouden opeisen nadat de winstuitkering had plaatsgevonden,


er als gevolg van onrechtmatig handelen van [eiser sub 1] tot op heden geen winst is uitgekeerd uit Issue, en [gedaagde] daardoor pas na jaren procederen zijn vorderingen op Issue en [eiser sub 1] kan incasseren,



[eiser sub 1] en BCI hebben bewerkstelligd dat verrekening of opschorting onmogelijk is, door de geldleningen aan [gedaagde] in privé te verstrekken,



[eiser sub 1] en BCI de geldleningen slechts opeisen om de druk bij [gedaagde] op te voeren,



[eiser sub 1] de inkomensmogelijkheden van [gedaagde] frustreert door hem te verbieden zakelijke relaties te benaderen.



[gedaagde] doet verder een beroep op verrekening met zijn vordering tot verdeling van de winst. Subsidiair doet [gedaagde] een beroep op het algemene rechtsbeginsel dat een schuldeiser pas nakoming kan vragen, als hij zijn eigen verplichtingen nakomt. Verder verzoekt [gedaagde] om aanhouding van de procedure.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


De Nederlandse rechter is bevoegd en het Nederlands recht is van toepassing



4.1.
Omdat [eiser sub 1] niet in Nederland woont, heeft de zaak een internationaal karakter en moet de rechtbank ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. De Nederlandse rechter is bevoegd, omdat [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland (artikel 4 Herschikte Brussel I bis Verordening). [gedaagde] heeft de bevoegdheid niet weersproken.



4.2.
Op de vorderingen is het Nederlandse recht van toepassing. [eiser sub 1] en [gedaagde] hebben in artikel 8 van de geldleningen van 2 maart 2023 en 10 november 2023 een rechtskeuze gemaakt voor het Nederlandse recht (artikel 3 lid 1 Rome I-Verordening). Op de vraag of met de betaling van BCI aan [gedaagde] van 27 december 2018 een geldlening tot stand is gekomen, is ook het Nederlandse recht van toepassing, omdat beide partijen (BCI en [gedaagde] ) zijn gevestigd in Nederland.


Producties 13 (voor zover niet ingetrokken) en 14 zijn niet ontoelaatbaar




4.3. '

[gedaagde] heeft als productie 13 de jaarrapporten van Issue over de jaren 2014 tot en met 2024 in het geding gebracht en als productie 14 een analyse van de advocaat van [gedaagde] van de financiële gegevens van Issue. Na het bezwaar van [eiser sub 1] en BCI tegen overlegging van productie 13 en 14 omdat de stukken in het kader van de mediation aan [gedaagde] zijn verstrekt, heeft [gedaagde] (onder protest) productie 13 gedeeltelijk ingetrokken, namelijk voor zover het gaat om de jaarrapporten 2015, 2016, 2021 en 2022. Namens [eiser sub 1] en BCI is ter zitting toegelicht dat zij het bezwaar handhaven, omdat ook de overige in productie 13 overgelegde jaarrapporten en de gegevens in de analyse van productie 14 vallen onder de geheimhouding die in kader van de mediation is afgesproken.



4.4.
De rechtbank zal de producties 13 en 14 niet buiten beschouwing laten. Voor zover de stukken al onder het bereik van de overeengekomen geheimhouding vallen (hetgeen [gedaagde] gemotiveerd weerspreekt, maar wat verder in het midden kan blijven), is dat op zichzelf onvoldoende. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist. Er moet immers een afweging worden gemaakt tussen de belangen die handhaving van de geheimhouding eisen, en de waarheidsvinding. [eiser sub 1] en BCI hebben onvoldoende concreet aangevoerd op welke wijze de belangen bij geheimhouding worden geschaad en welke bijkomende omstandigheden rechtvaardigen dat de stukken worden uitgesloten. Het niet-ingetrokken gedeelte van productie 13 en productie 14 maken dus onderdeel uit van het procesdossier. Aan de inhoudelijk beoordeling van die stukken komt de rechtbank overigens niet toe, zoals uit het navolgende zal blijken.



[eiser sub 1] en BCI hebben niet artikel 21 Rv geschonden




4.5. '

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser sub 1] en BCI in de dagvaarding essentiële gegevens niet hebben genoemd, wat in strijd is met artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Volgens [gedaagde] hebben [eiser sub 1] en BCI ten onrechte niet vermeld dat de leningen onderdeel uitmaken van het zakelijke geschil tussen partijen en moeten [eiser sub 1] en BCI daarom niet ontvankelijk worden verklaard.



4.6.
De rechtbank gaat hieraan voorbij. [eiser sub 1] en BCI hebben in de dagvaarding melding gemaakt van het gegeven dat hij en [gedaagde] (voorheen) samenwerkten binnen Issue. Het standpunt van [eiser sub 1] en BCI is dat de geldleningen niet in verband staan met de gestelde (afspraak over de) winstuitkering uit Issue. In de dagvaarding hebben [eiser sub 1] en BCI dat verband dus ook niet gelegd. Daarmee hebben zij hun standpunt verdedigd, wat hen vrij staat. Dat [eiser sub 1] en BCI daarbij de rechtbank feitelijk onjuist of onvolledig hebben ingelicht, is niet gebleken.


Geldleningen van 2 maart 2023 en 10 november 2023 staan vast




4.7.
De vorderingen van [eiser sub 1] en BCI strekken tot terugbetaling van de geldleningen met rente. Eerst moet dus beoordeeld worden of sprake is geweest van geldleningen aan [gedaagde] en of die geldleningen inmiddels opeisbaar zijn.



4.8. '

[gedaagde] heeft de geldleningen van [eiser sub 1] van 2 maart 2023 en 10 november 2023 niet betwist, zodat vast staat dat die geldleningen zijn verstrekt. Ook heeft [gedaagde] erkend dat een enkelvoudige rente van 4,09% en 6% per jaar is afgesproken, en dat die geldleningen thans (in beginsel) opeisbaar zijn, omdat de looptijd is verstreken (op 2 maart 2025 en 10 november 2025). Aan de vraag of de geldlening van 10 november 2023 (ook) opeisbaar is omdat geen waarborg is verstrekt door [gedaagde] , komt de rechtbank daarom niet toe.


Ook de geldlening van 27 december 2018 staat vast en is opeisbaar




4.9.
De gestelde geldlening van BCI aan [gedaagde] van 27 december 2018 heeft [gedaagde] wel betwist. Hij voert aan dat hij in 2018 weliswaar € 50.000,- heeft ontvangen van BCI, maar dat hij niet meer weet waarom. Volgens [gedaagde] vonden er binnen de samenwerking wel vaker onderling betalingen plaats en was niet iedere betaling een geldlening. [gedaagde] heeft erop gewezen dat BCI geen schriftelijke overeenkomst heeft overgelegd.



4.10.
Omdat BCI zich op de rechtgevolgen beroept, ligt de stelplicht (en bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast) op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv bij haar. BCI heeft voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat tussen BCI en [gedaagde] een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. BCI heeft daartoe verwezen naar de bankoverschrijving van € 50.000,- aan [gedaagde] van 27 december 2018, waarbij bovendien is vermeld “volgens overeenk 27-12-2018”. Deze omschrijving stemt overeen met de omschrijving bij de betalingen van de geldleningen van Stello aan [gedaagde] van 2 maart 2023 en 10 november 2023. Ook heeft BCI een grootboekkaart overgelegd, waaruit blijkt dat de betaling van € 50.000,- in de eigen administratie van BCI is verwerkt als lening aan [gedaagde] . Verder heeft [eiser sub 1] namens BCI toegelicht dat er ook voor deze lening een schriftelijke overeenkomst is opgesteld, onder dezelfde voorwaarden als de geldleningen van 2 maart 2023 en 10 november 2023, maar dat die overeenkomst uit 2018 (nog) niet is teruggevonden, als gevolg van het overlijden van de boekhouder.



4.11. '

[gedaagde] heeft op deze concrete stellingen onvoldoende gereageerd. De opmerking dat de vermelding in de betalingsomschrijving van een “overeenk” ook kan verwijzen naar een ander soort overeenkomst dan een geldleningsovereenkomst, is onvoldoende. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om dit te concretiseren, bijvoorbeeld door (op basis van zijn administratie of bankrekeningafschriften) uit te zoeken wat er met het geld is gebeurd. Het betoog van [gedaagde] dat binnen de samenwerking vaker onderling betalingen plaatsvonden overtuigt niet, omdat [eiser sub 1] en BCI hebben toegelicht dat BCI geen onderdeel uitmaakte van de samenwerking tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] . Het feit dat BCI niet eerder heeft gevraagd om terugbetaling van de € 50.000,- vormt evenmin een aanwijzing dat geen sprake is van een geldlening, omdat dat net zozeer geldt voor de geldleningen van 2 maart 2023 en 10 november 2023. De rechtbank is daarom van oordeel dat vaststaat dat BCI op 27 december 2018 aan [gedaagde] een geldlening heeft verstrekt van € 50.000,-, omdat die stelling van BCI onvoldoende concreet is betwist.



4.12.
Omdat geen schriftelijke overeenkomst beschikbaar is, is onduidelijk welke afspraken partijen hebben gemaakt over de opeisbaarheid van die geldlening en over de rente. Volgens BCI is voor de vastlegging van de geldlening van 27 december 2018 hetzelfde format gebruikt als voor de leningen van 2 maart 2023 en 10 november 2023. Daaruit blijkt volgens BCI dat een looptijd van twee jaar is afgesproken en een rente 4,09% per jaar. [gedaagde] heeft dat weersproken.



4.13.
De rechtbank geeft BCI hierin geen gelijk. In de geldleningen van 2 maart 2023 en 10 november 2023 zijn verschillende rentepercentages afgesproken. Daaruit blijkt dat (voor zover een format werd gebruikt) het mogelijk en gebruikelijk was om dat format aan te passen. Daarom kan niet als vaststaand worden aangenomen dat voor de geldlening van 27 december 2018 een looptijd van twee jaar is afgesproken. De rechtbank gaat er dus van uit dat geen termijn voor opeisbaarheid is afgesproken. Daarom geldt dat [gedaagde] verplicht is de hoofdsom terug te betalen binnen zes weken nadat BCI heeft medegedeeld tot opeising over te gaan (artikel 7:129e Burgerlijk Wetboek (BW)). De dagvaarding kan als een dergelijke mededeling worden aangemerkt, zodat de geldlening thans opeisbaar is.



4.14.
Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank evenmin als vaststaand aan dat een rente van 4,09% is afgesproken. Daarom zal de rechtbank voor de geldlening van 27 december 2018 uitgaan van de subsidiair gevorderde wettelijke rente. Omdat onvoldoende is gebleken dat partijen afspraken hebben gemaakt over de rente over de geldlening, is de rente pas verschuldigd vanaf de opeisbaarheid van de geldlening, dus vanaf zes weken na de dag van de dagvaarding.


Geldlening BCI is niet verjaard




4.15.
Het beroep van [gedaagde] op verjaring van de vordering tot terugbetaling van de geldlening van 27 december 2018, slaagt niet. Omdat geen termijn voor opeisbaarheid is overeengekomen, verjaart de vordering tot terugbetaling van de geldlening vijf jaar na de dag waartegen BCI heeft medegedeeld tot opeising over te gaan (artikel 3:307 lid 2 jo 7:129e BW). Die mededeling heeft pas plaatsgevonden bij dagvaarding, zodat van verjaring geen sprake is. Ook de twintigjaarstermijn van artikel 3:307 lid 2 BW is nog niet verstreken.


Opeising geldleningen is niet naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar




4.16.
De tussenconclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] in beginsel verplicht is de drie geldleningen met rente (terug) te betalen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat – in afwijking van wat partijen daarover hebben afgesproken – de geldleningen niet mogen worden opgeëist, omdat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW).



4.17.
De argumenten die [gedaagde] aan dit verweer ten grondslag legt, zijn in de eerste plaats terug te voeren op zijn betoog dat het aangaan van de geldleningen verband hield met de (volgens [gedaagde] ) aangekondigde winstuitkering van Issue. Partijen zijn het er niet over eens of een afspraak is gemaakt over het verdelen van de winst van Issue (en zo ja, welke afspraak) en of een dergelijke winstuitkering aan [gedaagde] in het vooruitzicht is gesteld. Die vragen liggen in deze procedure niet ter beoordeling voor. Partijen zijn daarover namelijk een andere procedure gestart, die op dit moment nog aanhangig is (door partijen de ‘Procedure Winst’ genoemd). Voor de beoordeling in deze procedure kan het antwoord op die vragen ook in het midden blijven. Zelfs als die vragen bevestigend moeten worden beantwoord, zoals [gedaagde] betoogd, heeft hij namelijk onvoldoende concreet gesteld dat [eiser sub 1] wist dat het aangaan van de geldleningen verband hield met de door [gedaagde] verwachte winstuitkering. [eiser sub 1] heeft verklaard dat hij met een dergelijke bedoeling van [gedaagde] niet bekend was. In de schriftelijke vastlegging van de geldleningen van 2 maart 2023 en 10 november 2023 is dat ook niet vermeld, terwijl daarin wel staat waarvoor de geldleningen waren bedoeld (kort gezegd verschillende privé-uitgaven van [gedaagde] ). Tijdens de zitting heeft [gedaagde] op vragen van de rechtbank daarover bovendien niet verklaard dat bij het aangaan van de leningen met [eiser sub 1] is besproken dat die geldleningen verband hielden met de winstuitkering. Ook is toen niet met [eiser sub 1] besproken dat [gedaagde] de geldleningen zag als een voorschot op (of financiële overbrugging tot) die winstuitkering. Dat was destijds een aanname of een gevoel van [gedaagde] , aldus de verklaring van [gedaagde] tijdens de zitting, maar dat was kennelijk niet gebaseerd op verklaringen of gedragingen van [eiser sub 1] .



4.18.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het betoog van [gedaagde] dat partijen de geldleningen hebben bedoeld als voorschot op de winstuitkering, of als financiële overbrugging totdat de winstuitkering zou plaatsvinden, niet kan slagen. [gedaagde] heeft er daarom ook niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat [eiser sub 1] en BCI pas de terugbetaling van de geldleningen zouden eisen, nadat de winstuitkering had plaatsgevonden.



4.19. '

[gedaagde] heeft er op gewezen dat [eiser sub 1] in een e-mail van 20 februari 2023 (in reactie op de verzoeken van [gedaagde] om een winstuitkering) heeft geschreven dat zal worden gekeken naar een “tussentijdse oplossing”. Dat met die tussentijdse oplossing de geldleningen zijn bedoeld, ter overbrugging naar een winstuitkering, valt daaruit echter niet af te leiden en is door [eiser sub 1] en BCI gemotiveerd weersproken. Volgens [eiser sub 1] en BCI had deze e-mail namelijk te maken met het feit dat [gedaagde] dringend geld nodig had om een fiscale claim te voorkomen. De rechtbank kent aan deze e-mail daarom geen doorslaggevende betekenis toe.



4.20.
Het voorgaande betekent ook dat de enkele omstandigheid dat de winstuitkering tot op heden niet heeft plaatsgevonden, de opeising van de geldleningen nog niet onaanvaardbaar maakt. Het antwoord op de vraag of het niet-uitkeren van winst het gevolg is van onrechtmatig handelen van [eiser sub 1] , zoals [gedaagde] stelt, kan in het kader van deze procedure in het midden blijven. Zelfs als dat zo is, neemt dat gelet op het voorgaande namelijk niet weg dat [gedaagde] verplicht is om de geldleningen aan [eiser sub 1] en BCI terug te betalen.



4.21.
Dat [gedaagde] door de opeising van de geldleningen zijn woning zal verliezen en dat [eiser sub 1] enkel beoogt om de druk op te voeren in het zakelijke geschil tussen partijen, is door [eiser sub 1] betwist. Volgens [eiser sub 1] en BCI heeft [gedaagde] de afgelopen jaren een goed salaris verdiend en ligt het voor de hand dat hij financiële mogelijkheden heeft om de geldleningen terug te betalen zoals partijen hebben afgesproken. [gedaagde] heeft dit standpunt verder niet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Het betoog dat [eiser sub 1] en BCI (bewust) hebben bewerkstelligd dat [gedaagde] geen beroep kan doen op opschorting en verrekening (door de geldleningen aan [gedaagde] privé te verstrekken) is door [eiser sub 1] eveneens gemotiveerd betwist. [eiser sub 1] en BCI hebben namelijk onweersproken toegelicht dat de geldleningen aan [gedaagde] in privé zijn verstrekt omdat [gedaagde] het geld voor privédoeleinden nodig had. Dit betoog van [gedaagde] is overigens niet te rijmen met het beroep dat hij in deze procedure doet op verrekening. De stelling van [gedaagde] dat [eiser sub 1] hem heeft verboden zakelijke relaties te benaderen en daardoor zijn mogelijkheden om inkomsten te genereren frustreert, legt evenmin doorslaggevend gewicht in de schaal. Dat verbod is immers in een kort geding vonnis gedeeltelijk toegewezen en [gedaagde] heeft in deze procedure niet toegelicht dat en waarom die beslissing onjuist zou zijn.



4.22.
Ook deze omstandigheden kunnen dus niet tot het oordeel leiden dat het opeisen van de geldleningen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [gedaagde] heeft voor die conclusie onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd. Dit verweer wordt dus verworpen.


Verrekenverweer slaagt niet




4.23. '

[gedaagde] beroept zich ter afwering van de vorderingen van [eiser sub 1] op verrekening (artikel 6:136 BW). Volgens [gedaagde] kan hij zijn schuld aan [eiser sub 1] uit hoofde van de geldleningen, verrekenen met zijn vorderingen op [eiser sub 1] uit hoofde van de afgesproken winstdeling. Hij betoogt daartoe onder meer dat [eiser sub 1] (privé) de winstdeling heeft toegezegd (zodat [eiser sub 1] in privé aansprakelijk is) en dat N&D B.V. (de vennootschap van [gedaagde] , die aandeelhouder is van Issue) haar vordering heeft overgedragen aan [gedaagde] .



4.24.
De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde] zich alleen op verrekening kan beroepen als sprake is van een tegenvordering op dezelfde partijen ( [eiser sub 1] en BCI). In ieder geval gaat het verrekeningsverweer daarom niet op ten aanzien van de geldlening van 27 december 2018, omdat vast staat dat [gedaagde] geen tegenvordering heeft op BCI.



4.25.
Ten aanzien van de geldleningen van 2 maart 2023 en 10 november 2023 slaagt het verrekenverweer evenmin, omdat de door [gedaagde] gestelde tegenvordering uit hoofde van de winstdeling niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 BW). [eiser sub 1] heeft die gestelde vordering namelijk inhoudelijk en gemotiveerd weersproken en onder meer aangevoerd dat:


geen sprake is van een recht op winstdeling of dividend, omdat de door [gedaagde] gestelde afspraak om de winst te verdelen niet is gemaakt,


de financiële resultaten binnen Issue geen ruimte bieden voor een winstuitkering,


het eventuele recht op een winstuitkering niet toekomt aan [gedaagde] , maar aan N&D B.V.,


niet [eiser sub 1] , maar Issue de schuldenaar is van die vordering,


Issue de eventuele dividenduitkeringen aan N&D B.V. heeft opgeschort,


Issue op haar beurt vorderingen heeft op N&D B.V., onder meer in verband met de rekening-courantschuld en geleden schade van Issue.


Over deze discussie en de standpunten van de verschillende partijen (waaronder maar niet uitsluitend [eiser sub 1] en [gedaagde] ) zijn meerdere procedures aanhangig (waaronder de Procedure Winst). In die procedures moet zo nodig over deze onderwerpen worden beslist. In ieder geval brengt dit mee dat in deze procedure de tegenvoordering van [gedaagde] tot betaling van een winstuitkering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.



4.26. '

[gedaagde] heeft zich subsidiair beroepen op artikel 3:12 BW, waarin is bepaald dat bij de vaststelling van wat de redelijkheid en billijkheid eisen, rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen en met de betrokken maatschappelijke en persoonlijke belangen. Volgens [gedaagde] is het een algemeen rechtsbeginsel dat een schuldeiser pas nakoming kan verlangen, als hij zelf zijn verplichtingen nakomt. Voor zover [gedaagde] daarin al kan worden gevolgd (hetgeen verder in het midden kan blijven), maakt dat het voorgaande niet anders: de gestelde verplichtingen van [eiser sub 1] staan onvoldoende vast. De door [gedaagde] genoemde persoonlijke belangen zijn al besproken in 4.17 tot en met 4.22 van dit vonnis. Ook dit verweer van [gedaagde] volgt de rechtbank dus niet.


Geen aanhouding van de procedure




4.27.
In de Procedure Winst is een incident opgeworpen en gevorderd dat de Procedure Winst wordt gevoegd met de onderhavige procedure. Ten tijde van de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure was op die incidentele vordering tot voeging nog niet beslist. [gedaagde] heeft verzocht de onderhavige procedure aan te houden totdat op dat incident is beslist.



4.28.
De rechtbank ziet geen grond voor aanhouding van de onderhavige procedure. De omstandigheid dat in een andere procedure een voegingsincident is opgeworpen is daarvoor onvoldoende. Zoals blijkt uit het voorgaande, is de rechtbank (kort gezegd) van oordeel dat niet is gebleken dat er een direct verband bestaat tussen de geldleningen en de (eventuele) winstuitkering. Om die reden ligt een aanhouding van de onderhavige procedure in verband met de Procedure Winst niet voor de hand. Het aanhoudingsverzoek van [gedaagde] lijkt te zijn ingegeven met het doel (alsnog) te bewerkstelligen dat hij pas wordt veroordeeld tot terugbetaling van de geldleningen, nadat ook over de winstdeling is beslist, maar dat kan de aanhouding van deze procedure niet rechtvaardigen. Zoals in het voorgaande is overwogen, hebben [eiser sub 1] en BCI het recht om de geldleningen op te eisen en daarom ook om de onderhavige procedure voort te zetten.


Geen opheffing beslag gevorderd




4.29.
Tijdens de zitting is besproken dat in de conclusie van antwoord is vermeld dat opheffing van het conservatoir beslag wordt gevorderd (zonder dat een reconventionele vordering is ingesteld). [gedaagde] heeft toegelicht dat hij niet heeft bedoeld in deze procedure opheffing van het beslag te vorderen (maar dat die vordering voorligt in de Procedure Winst). De rechtbank komt in deze procedure dus niet toe aan de beoordeling daarvan.



4.30.

[eiser sub 1] en BCI vorderen vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] heeft betwist dat hij die vergoeding verschuldigd is, omdat een aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW ontbreekt. [eiser sub 1] en BCI hebben daarop niet gereageerd. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.



[gedaagde] moet de proceskosten en de beslagkosten betalen




4.31. '

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] en BCI worden begroot op:
- dagvaarding € 120,21
- griffierecht € 6.530,00
- salaris advocaat € 5.770,00 (2 punten × tarief VI)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.609,21



4.32. '

[gedaagde] moet ook de beslagkosten van [eiser sub 1] vergoeden (artikel 706 Rv). De kosten worden begroot op € 1.973,74, waarvan € 1.642,75 aan exploten en € 331,- aan griffierecht.



4.33.
De gevorderde wettelijke rente over de proces- en beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.


De beslissing is uitvoerbaarheid bij voorraad




4.34.

[eiser sub 1] en BCI vorderen dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard en dus ten uitvoer kan worden gelegd ondanks een eventueel hoger beroep. [gedaagde] heeft daartegen verweer gevoerd. Daarom moet het belang van [eiser sub 1] en BCI om het vonnis te kunnen executeren, worden afgewogen tegen het belang van [gedaagde] bij schorsing van de executie zolang niet op het eventuele hoger beroep is beslist.



4.35.
Omdat het gaat om een toegewezen vordering tot betaling van een geldsom, is het belang van [eiser sub 1] en BCI bij de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] daar onvoldoende tegenover heeft gesteld. [gedaagde] verwijst in dit kader slechts naar de argumenten die al zijn besproken in 4.17 tot en met 4.22 van dit vonnis. Van een restitutierisico is niet gebleken. In dit kader weegt ook mee dat twee van de drie geldleningen onbetwist zijn en dat partijen het er over eens zijn dat in ieder geval die geldleningen uiteindelijk terugbetaald moeten worden. Het belang van [eiser sub 1] en BCI bij die betaling weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] om die betaling uit te stellen totdat in een eventueel hoger beroep is beslist. Dit betekent dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.





5De beslissing

De rechtbank


5.1.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen
a. aan [eiser sub 1] :


€ 50.000,-, te vermeerderen met de enkelvoudige contractuele rente van 4,09% per jaar vanaf 2 maart 2023 tot de dag van volledige betaling;


€ 200.000,-, te vermeerderen met de enkelvoudige contractuele rente van 6% per jaar vanaf 10 november 2023 tot de dag van volledige betaling;


aan BCI: € 50.000,-, te vermeerderen met de enkelvoudige wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf zes weken na 24 september 2025 tot de dag van volledige betaling;



5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de door [eiser sub 1] gemaakte beslagkosten van € 1.973,74;



5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 12.609,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;



5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proces- en beslagkosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.6.
wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.





Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).


Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.


Vgl. ook artikel 7:129c lid 2 BW.
Link naar deze uitspraak