|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:6358 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 26/1511 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Wet studiefinanciering, (gedeeltelijke) kwijtschelding aanvullende beurs. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de studieschuld terecht gedeeltelijk heeft afgewezen. De rechtbank vindt dat de minister de kwijtschelding juist heeft berekend, vindt het kwijtscheldingbeleid niet onredelijk en vindt dat er geen bijzondere omstandigheden of onevenredige gevolgen zijn waardoor de minister het gehele bedrag had moeten kwijtschelden. Het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | arbeidsconflict | | | minimumloon | | | studiefinanciering | | | verzamelinkomen | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1511
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister,
(gemachtigde: mr. M. Santing).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toewijzing van het verzoek van eiser om (gedeeltelijke) kwijtschelding van de aanvullende beurs. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de studieschuld terecht gedeeltelijk heeft kwijtgescholden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 november 2025 gevraagd om kwijtschelding van de aanvullende beurs. De minister heeft het verzoek om kwijtschelding van de aanvullende beurs toegekend en de studieschuld gedeeltelijk verlaagd met € 254,10 (het primaire besluit).
2.1.
Eiser heeft op 3 december 2025 bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 januari 2026 op het bezwaar van eiser heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser is zonder kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het standpunt van eiser
3. Eiser stelt dat in zijn geval sprake is van een zodanige omstandigheid dat de minister bij de berekening van de hoogte van de kwijtschelding niet had mogen uitgaan van zijn verzamelinkomen in 2024. Hij betwist niet dat het verzamelinkomen in 2024 € 41.285,- bedroeg, maar stelt zich op het standpunt dat dit inkomen onder de gegeven omstandigheden geen juiste weergave vormt van zijn feitelijke draagkracht in 2024. Door een arbeidsconflict is zijn loon vanaf maart 2024 opgeschort, waardoor eiser een aantal maanden geen regulier inkomen heeft gehad en hij geld moest lenen van zijn ouders. Eiser heeft later in 2024 een nabetaling van zijn loon ontvangen dat fiscaal is toegerekend aan het kalenderjaar 2024. Eiser voert aan dat de minister niet heeft onderzocht of dit loon representatief is voor de feitelijke draagkracht. Eiser stelt dat het doel van de inkomensafhankelijke regeling het beoordelen van de draagkracht is. Als het toetsingsinkomen bestaat uit nabetalingen over maanden waarin geen loon werd ontvangen, dan geeft dit geen correcte weergave van de werkelijke draagkracht. Ook wijst eiser er op dat zijn inkomen in 2023 een stuk lager was. Volgens eiser had de minister dan ook dat jaar als peiljaar moeten nemen. Eiser vindt dat zijn situatie een bijzondere omstandigheid is en dat de minister had moeten afwijken van zijn beleid. Ook vindt eiser dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verder wijst eiser er op dat – ook als van het verzamelinkomen uit 2024 zou worden uitgegaan – de overschrijding van de inkomensgrens maar € 1.056,- bedraagt. Als gevolg van deze relatief beperkte overschrijding wordt eiser volledig uitgesloten van kwijtschelding van de aanvullende beurs, waardoor eiser een schuld overhoudt van ruim € 11.000,-. Volgens eiser leidt de strikte toepassing van de wet in zijn geval daarom tot schending van het evenredigheidsbeginsel.
De berekening van de kwijtschelding
4. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eiser betoogt dat de minister een ander peiljaar dan 2024 had moeten hanteren, bestaat daarvoor geen ruimte. In artikel 6.2 van de Wsf, in samenhang gelezen met het Bsf, wordt bepaald tot welk toetsingsinkomen geheel of gedeeltelijk kwijtschelding van de aanvullende beurs mogelijk is. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om het derde jaar na het stoppen van de studie als peiljaar te hanteren, omdat het inkomen kort na de studie in veel gevallen niet representatief zal zijn, in vergelijking met het inkomen in latere jaren en de debiteuren in de meeste gevallen een stabieler inkomen zullen hebben in het derde jaar na het stoppen van de studie. Artikel 6.12 van de Wsf biedt onder omstandigheden mogelijkheden om van een ander peiljaar uit te gaan, maar de toepassing van dit artikel is in artikel 6.2, vierde lid, van de Wsf uitgesloten bij de kwijtschelding van de aanvullende beurs. Dit zijn dwingendrechtelijke bepalingen en dat betekent dat de minister daar niet van kan afwijken. Omdat niet in geschil is dat de studie van eiser in 2021 is gestopt, is de minister bij de berekening van de kwijtschelding van de aanvullende beurs terecht van het peiljaar 2024 uitgegaan.
5. Verder overweegt de rechtbank dat eiser niet wordt gevolgd in zijn betoog dat het verzamelinkomen niet representatief zou zijn voor zijn draagkracht. De omstandigheid dat eiser drie maanden geen loon ontving heeft in dit geval geen invloed op zijn verzamelinkomen, omdat eiser over die drie maanden in 2024 alsnog een nabetaling van dat loon heeft ontvangen. Deze omstandigheid en dat hij geld moest lenen van zijn ouders om rond te komen, laat onverlet dat eisers verzamelinkomen in 2024 € 41.285,- was.
6. De rechtbank stelt over de berekening van de omvang van de kwijtschelding wel vast dat de minister in het bestreden besluit onjuiste bedragen heeft gebruikt bij de berekening van de gedeeltelijke kwijtschelding. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat in het bestreden besluit de bedragen staan genoemd van het belastbaar minimumloon uit het peiljaar 2023. De grens voor gehele kwijtschelding ligt in 2024, uitgaande van de voor dat jaar geldende bedragen van het belastbaar minimumloon – op € 40.229,13 en voor gedeeltelijke kwijtschelding op € 53.638,84. Omdat het inkomen van eiser in 2024 € 41.285,- bedraagt heeft eiser ook uitgaande van die bedragen uit 2024 recht op een gedeeltelijke kwijtschelding van 92,13%. Daarom is in het bestreden besluit wel terecht € 254,10 kwijtgescholden. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving, die niet tot enig nadeel heeft geleid.
Evenredigheid en proportionaliteit
7. Voor zover eiser beoogt te betogen dat niet alleen zijn aanvullende beurs, maar zijn hele studieschuld van €11.204,50 had moeten worden kwijtgescholden, volgt de rechtbank dit niet. Deze procedure gaat om het verzoek van eiser om kwijtschelding van de aanvullende beurs voor zijn opleiding in het hoger onderwijs. De aanvullende beurs voor de opleiding in het hoger onderwijs is in de eerste vijf maanden (september 2020 tot en met januari 2021) verstrekt in de vorm van een gift. De aanvullende beurs is vanaf de zesde maand niet omgezet in een gift. Eisers verzoek om kwijtschelding heeft daarom alleen betrekking op de aanvullende beurs die hij voor zijn opleiding in het hoger onderwijs vanaf de zesde maand, dus voor de maanden februari tot en met augustus 2021, heeft ontvangen. Dat gaat om een bedrag van € 275,80. Het verzoek van eiser ziet dus niet op de lening en het studentenreisproduct over de periode van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021; de schuld van € 11.204,50. Bovendien heeft de minister op de zitting ook opgemerkt dat de Wsf ook maar beperkte mogelijkheden biedt voor kwijtschelding van de hele studieschuld. De Wsf voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur. Dit betekent dat eiser verplicht is tot terugbetaling van de studieschuld. Op grond van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf kan de minister deze verplichting buiten toepassing laten of daarvan afwijken wanneer toepassing van de wet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, maar uit het beleid van de minister volgt dat daar alleen in daarbij genoemde categorieën sprake van kan zijn. Volgens vaste rechtspraak is dit kwijtscheldingbeleid niet onredelijk en mag dat ook stringent worden toegepast.
7.1.
Voor zover eiser stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden of onevenredige gevolgen waardoor de minister de gehele resterende aanvullende beurs had moeten kwijtschelden, volgt de rechtbank eiser daarin niet. Zoals de minister heeft toegelicht gaat het verzoek van eiser over de gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs. De minister heeft 92,13% van € 275,80 kwijtgescholden wat betekent dat € 21,70 niet wordt kwijtgescholden. Door 92,13% kwijt te schelden heeft de minister dus ook rekening gehouden met de mate van overschrijding van het toetsingsinkomen. Eiser verdiende namelijk 7,87% meer dan de grens voor gehele kwijtschelding. Verder heeft eiser niet gesteld en is niet gebleken dat eiser het resterende bedrag van € 21,70 niet kan betalen. De rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van de toewijzing van het verzoek om kwijtschelding van de aanvullende beurs dan ook niet onevenredig zijn.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister terecht de aanvullende beurs gedeeltelijk, voor een bedrag van € 254,10, heeft kwijtgescholden. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet studiefinanciering 2000
Besluit studiefinanciering 2000, de algemene maatregel van bestuur waar in artikel 6.2, tweede lid, van de Wsf naar wordt verwezen.
Nota van Toelichting, Staatsblad 2002, 132.
Artikel 6.16 van de Wsf.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:546. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|