|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2024:9700 | | | | | Datum uitspraak | : | 06-11-2024 | | Datum gepubliceerd | : | 18-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 23/12542 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Intrekking, beëindiging en teruvordering | Hoofdverblijf | Dringende redenen | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | burgerlijk wetboek | | | ingezetene | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/12542 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats 1], eiseres
(gemachtigde: mr. J.E. de Glopper),
en
het dagelijks bestuur van gemeenschappelijke regeling Samenwerking de Bevelanden (de Bevelanden), verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 november 2023 (bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, gemachtigde van eiseres en namens de Bevelanden mr. A.G. van Binnendijk.
Beoordeling door de rechtbank
1.1
De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen het besluit van de Bevelanden waarbij de intrekking van de bijstandsuitkering van eiseres en de terugvordering van de te veel betaalde bijstand is gehandhaafd. De rechtbank doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
1.2
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten en omstandigheden
2. Eiseres ontving over de periode van 1 april 2004 tot en met 30 september 2015 en vanaf 18 januari 2018 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Op
21 november 2022 is een anonieme melding door een buurtbewoner gemaakt aan de Bevelanden dat eiseres, de bewoonster van [adres] te [plaats 1] (het uitkeringsadres), bijna nooit thuis is en dat van haar afwezigheid in haar woning een logboek is bijgehouden.
Naar aanleiding van deze melding heeft de Bevelanden onderzoek gedaan naar het hoofdverblijf van eiseres en geconcludeerd dat eiseres vanaf 1 januari 2021 niet in [plaats 1] verbleef.
Met het primaire besluit van 2 mei 2023 heeft de Bevelanden de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 januari 2021 tot en met 23 april 2023 ingetrokken en per 24 april 2023 beëindigd (lees: ingetrokken). Daarnaast is de teveel uitbetaalde bijstandsuitkering (€ 24.440,48) over de periode van 1 januari 2021 tot en met 23 april 2023 teruggevorderd.
Eiseres heeft op 5 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Standpunt verweerder
3. De Bevelanden heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres in de periode in geding niet woonachtig was op het uitkeringsadres en daarvan geen melding heeft gemaakt. Het melding maken van haar verblijf in [plaats 2] in de periode van 11 juni 2020 tot en met 30 september 2020 is daarvoor onvoldoende. Deze melding ging over de verplaatsing van de woon- en verblijfsituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter over een beperkte periode in het verleden in verband met een operatie en revalidatie, in welke periode zij bij haar vriend zou verblijven. Volgens de Bevelanden had eiseres vanaf 1 januari 2021 geen woonplaats meer in [plaats 1] en verbleef zij het merendeel van de tijd bij haar vriend. De Bevelanden was daarom gehouden de uitkering in te trekken en terug te vorderen.
De door eiseres aangevoerde onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Standpunt eiseres
4.1
Eiseres stelt dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat zij melding heeft gemaakt van het (tijdelijk) verblijf bij haar vriend. Zij woonde in de periode in geding in [plaats 1], zodat De Bevelanden ten onrechte is overgegaan tot het intrekken en beëindigen van haar recht op bijstand. Voor terugvordering bestond geen grond. Bovendien is sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
4.2
Volgens eiseres klopt het dat zij in de periode van 1 januari 2021 tot en met 23 april 2023 meer bij haar vriend in [plaats 2] heeft verbleven dan op het uitkeringsadres, maar dit wil niet zeggen dat zij helemaal niet op het uitkeringsadres heeft verbleven. Dat zij veel bij haar vriend was, komt door haar medische klachten. Eiseres heeft haar inlichtingenplicht niet geschonden, omdat zij in telefonische samenspraak met de bijstandsconsulent van de Bevelanden bij haar vriend in [plaats 2] mocht verblijven wanneer zij voor behandelingen en revalidatie verderop in het land diende te zijn.
Oordeel van de rechtbank
Periode in geding
5.1
Allereerst stelt de rechtbank vast dat de Bevelanden de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 januari 2021 tot en met 23 april 2023 heeft ingetrokken en per 24 april 2023 heeft beëindigd. Gelet op het feit dat beëindigen niet met terugwerkende kracht mogelijk is, leest de rechtbank ook hier dat sprake is van een intrekking. Ter zitting heeft de Bevelanden bevestigd dat de beëindiging geldt per 2 mei 2023 (datum primair besluit) en de intrekking met terugwerkende kracht loopt over de periode van 1 januari 2021 tot 2 mei 2023. De te beoordelen periode loopt dus van 1 januari 2021 (ingangsdatum intrekking) tot en met 2 mei 2023 (datum primair besluit). Dit is niet in geschil tussen partijen.
5.2
Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de Bevelanden terecht het te veel aan uitbetaalde bijstand aan eiseres van € 24.440,48 in de periode van 1 januari 2021 tot en met 23 april 2023 heeft teruggevorderd.
Intrekking
6.1
Eiseres heeft aangevoerd dat de Bevelanden ten onrechte heeft aangenomen dat zij in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
6.2
Waar een betrokkene zijn woonadres heeft, is daar waar hij het hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. De rechtbank wijst hierbij op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken.
6.3
De rechtbank overweegt dat het besluit tot intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren.
In dit geval moet de Bevelanden aannemelijk maken dat eiseres in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Het onderzoek van de Bevelanden bestond uit het raadplegen van interne en externe systemen, het vorderen van gegevens met betrekking tot gas, stroom en water, het opvragen van de ledigingen van de container, het opvragen van bankafschriften van eiseres, een gesprek met eiseres, gesprekken met getuigen en het verrichten van waarnemingen. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 2 mei 2023, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit.
Is sprake van een extreem laag waterverbruik?
7.1
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – extreem laag en rechtvaardigt dat de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene om die vooronderstelling te weerleggen.
7.2
Het waterverbruik over het jaar 2021 bedroeg slechts 6m3, over het jaar 2022 slechts 6m3 en over de periode tussen 14 januari 2023 en 24 april 2023 slechts 1,7m3. Er is derhalve sprake van een extreem laag waterverbruik dat veronderstelt dat eiseres over de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres. Het is vervolgens aan eiseres om het tegendeel aannemelijk te maken.
7.3
Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij haar toilet pas na drie keer doortrekt om zuinig te leven. Daarnaast was haar waterverbruik in de aan de te beoordelen periode voorafgaande jaren ook al zeer laag. De rechtbank vindt de verklaring van eiseres omtrent het waterverbruik, inhoudende dat zij haar toilet pas na drie keer doortrekt, niet geloofwaardig. Zelfs in het geval dat eiseres maar één keer per week doucht, zou haar waterverbruik meer moeten zijn. Ook het lage waterverbruik van eiseres in de aan de te beoordelen periode voorafgaande jaren verklaart niet het extreem lage waterverbruik in de te beoordelen periode.
7.4
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd een steekhoudende verklaring te geven voor haar extreem lage waterverbruik en de veronderstelling dat zij niet op het uitkeringsadres woont, te weerleggen.
Overige bevindingen
8.1
Alleen al op grond van het extreem lage waterverbruik kan worden geconcludeerd dat eiseres over de te beoordelen periode geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, zoals de Bevelanden stelt.
8.2
De bevindingen omtrent de beperkte pintransacties aan levensmiddelen in de gemeente Goes, de verrichte waarnemingen (de auto van eiseres en eiseres zelf zijn niet op het uitkeringsadres aangetroffen), de informatie over de afvalledigingen (6 ledigingen in 2021 en 3 ledigingen in 2022) ondersteunen de conclusie van de Bevelanden dat eiseres vanaf 1 januari 2021 niet woonachtig was op het uitkeringsadres.
Schending inlichtingenplicht
9.1
Eiseres stelt dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat zij in telefonische samenspraak met mevrouw [persoon] van de Bevelanden bij haar vriend in [plaats 2] mocht verblijven wanneer zij voor behandelingen en revalidatie buiten [plaats 1] diende te zijn. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een brief overgelegd (d.d. 27 juli 2020) van de Bevelanden waaruit blijkt dat zij gedurende haar revalidatietraject bij [revalidatiecentrum] buiten de gemeente Goes mocht verblijven.
9.2
De rechtbank stelt vast dat eiseres bij de Bevelanden behandelplannen heeft overgelegd die lopen van 11 juni 2020 tot en met 14 augustus 2020 en van 19 augustus 2020 tot en met 30 september 2020. Buiten deze perioden is geen toestemming verleend om bij haar partner in [plaats 2] te verblijven. Uit de brief van 27 juli 2020 volgt niet dat eiseres gemeld heeft dat zij in de te beoordelen periode bij haar partner in [plaats 2] zou verblijven, noch dat zij daarvoor toestemming heeft gekregen. Daarnaast volgt duidelijk uit de brief van 27 juli 2020 dat als voorwaarde geldt dat eiseres haar revalidatieschema over de gehele periode van het verblijf buiten de gemeente [plaats 1] bekend moet maken bij mevrouw [persoon] van de Bevelanden, wat zij niet heeft gedaan. De Bevelanden heeft ter zitting aangegeven bij mevrouw [persoon] te hebben nagevraagd of aan eiseres nadere toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van haar verblijf in [plaats 2], maar dat is niet het geval geweest. Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is de rechtbank niet gebleken dat eiseres in de te beoordelen periode heeft gemeld dat zij bij haar vriend verbleef en daarvoor toestemming heeft gekregen van De Bevelanden.
9.3
De rechtbank komt tot de slotsom dat eiseres vanaf 1 januari 2021 niet haar hoofdverblijf in de gemeente Goes had, en daarvan geen melding heeft gemaakt.
Dat had zij wel moeten doen, omdat dit gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. De Bevelanden was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet gehouden het recht op een uitkering van eiseres in te trekken vanaf 1 januari 2021 tot en met 1 mei 2023 en per 2 mei 2023 te beëindigen, en de teveel betaalde uitkering terug te vorderen op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet.
Dringende redenen om van terugvordering af te zien?
10.1
Eiseres betoogt dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Er is zowel sprake van onaanvaardbare sociale als financiële gevolgen. Vanaf de uitnodiging voor het gesprek met de sociale recherche op 17 april 2023 ervaart eiseres enorm veel stress en nemen de reuma- en fysieke klachten toe. De terugvordering leidt tot een uitzichtloze (financiële) situatie voor eiseres, waardoor haar stressklachten enkel zullen toenemen. De terugvordering draagt disproportionele gevolgen met zich mee.
10.2
De rechtbank merkt op dat de CRvB op 18 april 2024 uitspraak heeft gedaan in een Wajong-zaak, waarin is geoordeeld dat de dringende redenen om af te zien van terugvordering van een uitkering voortaan ruimer moeten worden uitgelegd. Het gaat bij ‘dringende redenen’ om een open norm, waarbinnen het bestuursorgaan een afweging moet maken die moet worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenplicht, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel uitkering ontving. Ook moet het bestuursorgaan zich rekenschap geven van de gevolgen die de herziening en terugvordering voor de betrokkene hebben.
10.3
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld. Het standpunt van eiseres dat haar medische situatie is verergerd als gevolg van de terugvordering, heeft zij niet met medische stukken onderbouwd. De (intrekking en) terugvordering zijn een gevolg van de schending van de inlichtingenplicht door eiseres; niet is gebleken dat de Bevelanden inadequaat of niet voortvarend heeft gehandeld. Daarbij wordt aangetekend dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
10.4
Ook het besluit tot terugvordering houdt stand. Het beroep van eiseres slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 6 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet (Pw)
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 40, eerste lid
Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven als ingezetene met een woonadres of briefadres in de basisregistratie personen wordt verleend door het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste en achtste lid
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1183.
ECLI:NL:CRVB:2024:726. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|