Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:5744 
 
Datum uitspraak:01-09-2026
Datum gepubliceerd:22-09-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:24/1459 tm 24/1462
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Wet Woz. Waardevaststelling woonzorgcentra.
Trefwoorden:omzetbelasting
ozb
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/1459, 24/1460, 24/1461 en 24/1462

uitspraakdatum: 1 september 2026


Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[belanghebbende]
te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juni 2024, zaaknummers LEE 23/2804, 23/2805, 23/2806 en 23/2105, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Súdwest-Fryslân (hierna: de heffingsambtenaar).





1Ontstaan en loop van het geding


1.1
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarden van de onroerende zaken [straatnaam1] 11 te [plaatsnaam1] , [straatnaam2] 28 te [plaatsnaam1] , [straatnaam3] 1 te [plaatsnaam2] en [straatnaam4] 7 te [plaatsnaam1] (hierna: de onroerende zaken), per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op respectievelijk € 6.078.000, € 2.664.000, € 13.794.000 en € 3.699.000. Tegelijk met deze waardevaststellingen zijn aan belanghebbende ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Súdwest-Fryslân voor het jaar 2022 opgelegd (hierna: de aanslagen OZB).



1.2
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende met betrekking tot de [straatnaam3] 1 te [plaatsnaam2] gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van die onroerende zaak verlaagd naar € 11.771.000 en in verband hiermee de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. De bezwaren met betrekking tot de andere onroerende zaken heeft de heffingsambtenaar ongegrond verklaard en de bij de beschikkingen vastgestelde WOZ-waarden heeft hij gehandhaafd. Ook de aanslagen OZB zijn gehandhaafd, met uitzondering van die ter zake van de [straatnaam1] 11 te [plaatsnaam1] . Deze aanslag is in de uitspraak op bezwaar verlaagd.



1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen, alleen voor zover deze zien op de toegekende proceskostenvergoeding voor deskundigen in bezwaar, bij uitspraak van 6 juni 2024 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar, alleen voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding voor deskundigen, vernietigd, de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding (deskundigen) voor de bezwaarfase van € 2.831,40, het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen en de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan belanghebbende.


1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben daarna nadere stukken ingediend.



1.5
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord J.F.J.M. van Abbe, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] en [naam3] .


1.6
De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.


1.7
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.





2De vaststaande feiten


2.1
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaken. De onroerende zaken zijn alle in gebruik als woonzorgcentra.



2.2
De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg taxatierapporten overgelegd van 5 juni 2023, opgesteld door taxateur [naam3] , waarin de onroerende zaken zijn getaxeerd op de volgende waarden: [straatnaam1] 11 te [plaatsnaam1] € 6.250.000, [straatnaam2] 28 te [plaatsnaam1] € 3.010.000, [straatnaam3] 1 te [plaatsnaam2] € 11.895.000 en [straatnaam4] 7 te [plaatsnaam1] € 4.055.000



2.3
Belanghebbende heeft in eerste aanleg taxatierapporten overgelegd, opgesteld door taxateurs [naam taxateur1] en [naam taxateur2] van Phydias . In deze rapporten zijn de onroerende zaken getaxeerd op: [straatnaam1] 11 te [plaatsnaam1] € 3.469.000, [straatnaam2] 28 te [plaatsnaam1] € 1.715.000, [straatnaam3] 1 te [plaatsnaam2] € 9.409.000 en [straatnaam4] 7 te [plaatsnaam1] € 2.001.000.



2.4
Belanghebbende heeft verder in eerste aanleg een onderzoeksrapport van Phydias overgelegd (‘Restwaarde zorgwoningen’), waarin aan de hand van gerealiseerde verkoopcijfers van een aantal referentieobjecten in Nederland de conclusie wordt getrokken dat de restwaarde van woonzorgcentra zich bevindt in de range van 0% tot 5%. In hoger beroep heeft belanghebbende voorts nog ingebracht een rapport ‘Restwaarden Algemeen’. Dit onderzoeksrapport met daarin de ‘Bijlage zorgwoningen’ (hierna: het onderzoeksrapport) vervangt het eerdere ingebrachte onderzoeksrapport ‘Restwaarde zorgwoningen’. In dat laatstgenoemde rapport is aan de hand van de referentieobjecten [referentieobject1] 2 en 4 te [plaatsnaam3] , [referentieobject2] 76 te [plaatsnaam4] , [referentieobject3] 175 te [plaatsnaam5] , [referentieobject4] 1 te [plaatsnaam6] , [referentieobject5] 66 te [plaatsnaam7] , [referentieobject6] 30 te [plaatsnaam8] , [referentieobject7] 2 te [plaatsnaam4] , [referentieobject8] 134-136 te [plaatsnaam9] , [referentieobject9] 2 te [plaatsnaam10] en [referentieobject10] te [plaatsnaam11] , een gemiddelde restwaarde vastgesteld van 4,2%. Uit de uitgevoerde analyse blijkt dat de restwaarde van gezinsvervangende tehuizen zich bevindt in de range van 0% tot 10%.






3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen


3.1
In geschil is of de waarden van de onroerende zaken op waardepeildatum te hoog zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de technische correctie onjuist berekend is en nog specifieker op de subvraag of daarin de restwaarde van de onroerende zaken onjuist is vastgesteld.


3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de vastgestelde waarden overeenkomstig de hiervoor – onder 2.3 – vermelde waarden.


3.3
De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.



3.4
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het bij deze uitspraak gevoegde proces-verbaal van de zitting.






4Beoordeling van het geschil


4.1
Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (de waarde in het economische verkeer).



4.2
Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ, voor zover hier van belang, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde, indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Dit geldt ongeacht of die zaak courant dan wel incourant is, en ongeacht of die zaak al dan niet bruikbaar is voor commerciële doeleinden (vgl. HR 9 februari 2007, nr. 41.264, ECLI:NL:HR:2007:AW3876). Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaak moet worden vastgesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde (hierna te noemen: GVW). Het Hof heeft geen reden om partijen daarin niet te volgen.



4.3
De GVW, als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ, is de waarde die de onroerende zaak in economische zin voor belanghebbende zelf heeft. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:
a. de aard en de bestemming van de zaak;
b. de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.



4.4
Artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken bepaalt dat de technische veroudering is gebaseerd op de verstreken en resterende gebruiksduur en de restwaarde van de onroerende zaak.


De technische correctie: restwaarde



4.5
De last om aannemelijk te maken dat de beschikte waarden niet te hoog zijn vastgesteld, rust, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, op de heffingsambtenaar. Voor de onderbouwing van de door hem beschikte waarden, zoals deze luiden na de uitspraak op bezwaar, heeft de heffingsambtenaar gewezen op de door hem overgelegde taxatierapporten, opgesteld door taxateur [naam3] . In deze rapporten heeft de heffingsambtenaar de restwaarden van de onroerende zaken bepaald aan de hand van de “Taxatiewijzer en kengetallen Deel 9 Verzorging Waardepeildatum 1 januari 2021” (hierna: de Taxatiewijzer). Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar is uitgegaan van te hoge restwaarden. Zij is van mening dat de restwaarde van de onroerende zaken 5% moet zijn. In dat verband verwijst zij naar het door haar in hoger beroep ingebrachte onderzoeksrapport van Phydias .



4.6
De heffingsambtenaar heeft bij de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde aldus aangesloten bij de Taxatiewijzer. In de Taxatiewijzer zijn richtsnoeren en bijbehorende kengetallen gegeven voor de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van onroerende zaken die in gebruik zijn voor zorgdoeleinden. Die richtsnoeren en kengetallen zien onder meer op de levensduur en de restwaarde van de onroerende zaken.


4.7
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wat betreft de restwaarde de Taxatiewijzer niet als richtsnoer accepteert. Een verwijzing naar de Taxatiewijzer is volgens haar onvoldoende, omdat daarin cruciale gegevens ontbreken. Volgens haar ligt de bewijslast voor de hoogte van de restwaarde bij de heffingsambtenaar.


4.8
De Rechtbank heeft in haar bestreden uitspraak overwogen dat de partij die van die richtlijnen van de Taxatiewijzer wil afwijken, de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken en dat in het onderhavige geval het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat niet van de in de Taxatiewijzer vermelde restwaarden kan worden uitgegaan.


4.9
Met betrekking tot de WOZ-waarde van een onroerende zaak gelden de normale regels over stelplicht en bewijslast. Daardoor geldt als regel dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot deze waarde in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten. Deze regel geldt ook als het om de gecorrigeerde vervangingswaarde gaat en de daarbij in aanmerking te nemen technische veroudering in geschil is, ook in een geval als dit waarin de heffingsambtenaar bij het vaststellen van die waarde heeft aangesloten bij een taxatiewijzer.


4.10
Het kan voor een juiste vaststelling van de waarde van een onroerende zaak nodig zijn om af te wijken van de richtsnoeren uit een taxatiewijzer. Ook indien een procespartij die taxatiewijzer als uitgangspunt voor een bepaald aspect van de waardering heeft aanvaard, staat het haar daarom vrij om, gelet op de omstandigheden van het geval, een standpunt in te nemen dat meebrengt dat een afwijking van dat uitgangspunt is geboden. Het is in dit verband niet van belang of ook de andere partij de richtsnoeren van de taxatiewijzer met betrekking tot dit aspect van de waardering, of op enig ander punt, als uitgangspunt heeft aanvaard. Wel brengt een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast mee dat de partij die een beroep doet op een zodanige afwijking, terwijl zij de taxatiewijzer als uitgangspunt voor het desbetreffende aspect van de waardering heeft aanvaard, de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Indien die partij de belanghebbende is, vormt dit een uitzondering op de hiervoor – onder 4.9 - vermelde regel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten (vgl. HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234). Anders dan de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof heeft gesteld, heeft belanghebbende de beschikte waarden voldoende gemotiveerd betwist.


4.11
Aangezien belanghebbende de richtsnoeren van de Taxatiewijzer met betrekking tot de restwaarde niet als uitgangspunt heeft aanvaard, brengt wat hiervoor is overwogen mee dat geen grond bestaat om in dit geval een uitzondering aan te nemen op de regel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten. Op de heffingsambtenaar rust dan ook de last om aannemelijk te maken dat de restwaarden in de Taxatiewijzer in het onderhavige geval juist zijn vastgesteld.


4.12
Nu op de heffingsambtenaar de last rust aannemelijk te maken dat de restwaardepercentages niet te hoog zijn vastgesteld, moet hij de aan de Taxatiewijzer ontleende restwaardepercentages onderbouwen. Het Hof merkt in dat verband op dat het Hof in de Taxatiewijzer geen, althans een te algemene, empirische onderbouwing heeft gevonden van de daarin genoemde, door de heffingsambtenaar overgenomen, kengetallen van de restwaarde. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de in de Taxatiewijzer opgenomen percentages van de restwaarde in eerste aanleg gewezen op vijf referentieobjecten. Het betreft de referentie-objecten [referentieobject11] 25 te [plaatsnaam12] , [referentieobject12] 40 te [plaatsnaam13] , [referentieobject1] 4 te [plaatsnaam3] , [referentieobject4] 1 te [plaatsnaam6] en [referentieobject6] 30 te [plaatsnaam8] . De laatste drie referentieobjecten hanteert belanghebbende ook in haar onderzoeksrapport. Voor alle onderhavige onroerende zaken van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar de vijf referentie-objecten qua restwaardepercentage geanalyseerd en die analyse opgenomen in de betreffende taxatierapporten.


4.13
De restwaarde van de opstal wordt door de heffingsambtenaar gevonden door markttransacties van de onder 4.12 vermelde referentieobjecten die van hetzelfde of een vergelijkbaar archetype zijn, te analyseren, waarbij de transactieprijs wordt gesplitst in de prijs die aan de grond kan worden toegerekend en de prijs die vervolgens aan de opstal kan worden toegerekend.



4.14
Het Hof is van oordeel dat de berekeningswijze zoals door de heffingsambtenaar wordt gehanteerd, waarbij alle componenten exclusief omzetbelasting worden bepaald, dus ook de restwaarde, en waarbij op het eind de omzetbelastingpositie van de eigenaar in aanmerking wordt genomen en, voor zover aan de orde, de omzetbelasting in aanmerking wordt genomen, de juiste berekeningswijze is van de restwaarde specifiek en van de gecorrigeerde vervangingswaarde in het algemeen. Naar het oordeel van het Hof, zijn de door de heffingsambtenaar opgevoerde transactiegegevens voldoende bruikbaar. De opmerkingen van de gemachtigde van belanghebbende in zijn ter zitting van het Hof voorgedragen pleitnota doen daaraan niet af. De heffingsambtenaar heeft daarmee de restwaarden zoals neergelegd in de Taxatiewijzer aan de hand van verkopen in de markt voldoende onderbouwd. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de restwaarden in de Taxatiewijzer niet te hoog zijn vastgesteld.



4.15
Hetgeen belanghebbende met onder meer het door haar overgelegde rapport ‘Restwaarde Algemeen’ daar overigens tegenin gebracht heeft, maakt het vorenoverwogene niet anders. Belanghebbende heeft niet met verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de restwaarde moet worden vastgesteld op 5%. Het Hof acht daarbij van belang dat de berekeningen van het door Phydias uitgevoerde onderzoek niet duidelijk, logisch en begrijpelijk te volgen zijn en dat deze door de heffingsambtenaar gemotiveerd zijn betwist. In dat verband merkt het Hof nog op dat indien moet worden uitgegaan van een benadering inclusief omzetbelasting voor de restwaarde, alle waarden inclusief omzetbelasting moeten worden aangemerkt, zo ook de verkrijgingsprijs. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst het Hof naar een uitspraak van dit Hof van 4 maart 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:1273, r.o. 4.11 tot en met 4.17).


De immateriële schadevergoeding



4.16
Belanghebbende heeft in de zaken met nummers BK-ARN 24/1459, 24/1460 en 24/1461
in eerste aanleg om een vergoeding van immateriële schade verzocht voor de beroepsfase. Het bezwaarschrift is op 28 maart 2022 ingediend en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 juni 2024. De Rechtbank heeft in de organisatie van de bedrijfsprocessen van de professionele gemachtigde van belanghebbende aanleiding gezien de redelijke termijn met drie maanden te verlengen. In dat verband heeft de heffingsambtenaar gesteld dat de organisatie van de gemachtigde van belanghebbende, [Z] , standaard verzoekt om voor objecten (niet-wonen) pas na 1 juli te een hoorzitting te plannen.



4.17
Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat in deze termijn de duur van de bezwaarfase is inbegrepen (zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.4.2.). Deze als uitgangspunt te hanteren termijn van twee jaar geldt behoudens bijzondere omstandigheden, waartoe onder meer kan worden gerekend de invloed van de belanghebbende en diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen (zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.5.1, onder b.). Van bijzondere omstandigheden is geen sprake indien het gaat om een handelwijze waarvan het daarmee gemoeide tijdsverloop is verdisconteerd in de over het algemeen redelijke termijn van twee jaar. Zo is daarin onder meer verdisconteerd dat het niet ongebruikelijk is dat partijen een termijn wordt gegund voor herstel van eventuele verzuimen in hun bezwaar- of beroepschrift en dat uitstel wordt verleend voor het indienen van nadere stukken. Dat geldt eveneens voor het tijdsverloop dat is gemoeid met een eerste uitstel van de behandeling van de zaak ter zitting (zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverwegingen 3.6.1 en 3.6.2.). Van een bijzondere omstandigheid is dus sprake in geval van procesgedrag dat tot een zodanige vertraging leidt dat het daarmee gemoeide tijdsverloop niet kan zijn verdisconteerd in de standaardtermijn van twee jaar.



4.18
De rechter dient ter beantwoording van de vraag of een bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin zich in een zaak voordoet, slechts rekening te houden met het procesgedrag in die individuele zaak. Daarbij kan de rechter het procesgedrag van de belanghebbende en de gemachtigde in andere zaken betrekken indien dat gedrag een zaaksoverstijgend karakter heeft. Indien het procesgedrag in een individuele zaak als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt, rechtvaardigt dit in de regel een verlenging van de redelijke termijn. Een nadere afweging tegenover andere omstandigheden of belangen is daarvoor niet vereist. Dat betekent dat het aan belanghebbende toe te rekenen algemene procesgedrag van de gemachtigde slechts in aanmerking mag worden genomen bij de beoordeling of er grond is voor verlenging van de redelijke termijn in een bepaalde zaak, als dat gedrag ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de behandelduur van die zaak en dient de grond voor verlenging dus per individuele zaak te worden beoordeeld. Daarbij geldt voor het aannemen van zo’n bijzondere omstandigheid niet de voorwaarde dat de vertraging van de procedure uitsluitend aan het procesgedrag van de belanghebbende en zijn gemachtigde in die procedure is te wijten. Indien vaststaat dat de vertraging in het proces is veroorzaakt door capaciteitsgebrek bij de gemachtigde, is die omstandigheid aan te merken als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt (vgl. HR 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:735).



4.19
Indien een hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheid zich voordoet, rechtvaardigt dit een verlenging van de redelijke termijn voor zover die verlenging in een redelijke verhouding staat tot het vertragende procesgedrag van de belanghebbende en zijn gemachtigde (vgl. HR 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3321, rechtsoverwegingen 2.4 en 2.5.). Daarbij mag de rechter, indien die verhouding niet precies valt te bepalen, in de regel uitgaan van een schatting, wat betekent dat het bepalen van een termijnverlenging met een zekere ruwheid gepaard mag gaan.



4.20
Het voorgaande laat onverlet dat de rechter, ook indien een dergelijke bijzondere omstandigheid zich voordoet, de voortgang van de individuele zaak dient te bewaken (vgl. EHRM 2 september 2010, Mincheva tegen Bulgarije, nr. 21558/03, par. 68.). Dat gaat echter niet zo ver dat een verlenging van de redelijke termijn als hiervoor bedoeld geheel of ten dele achterwege zou moeten blijven indien de rechter in een geval als dit nalaat op het specifieke procesgedrag van de gemachtigde afgestemde regie te voeren.



4.21
Uit de stukken van het geding blijkt dat de gemachtigde van belanghebbende namens haar op 28 maart 2022 pro-forma bezwaar heeft gemaakt tegen de WOZ-beschikkingen van 25 onroerende zaken, waaronder de onderhavige vier. In dat bezwaarschrift is, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet verzocht om uitstel van het indienen van de gronden, maar is verzocht binnen twee weken het taxatieverslag of een taxatiekaart of matrix toe te sturen. Tevens is verzocht alle op de zaak betrekking hebbende stukken op de voet van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ te verstrekken. Ten slotte verzoekt de gemachtigde daarin om te worden gehoord. Bij brief van 21 juli 2022 vult de gemachtigde de gronden aan, in welke brief tevens een herhaald verzoek is gedaan om overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarop is de gemachtigde van belanghebbende op 28 juli 2022 telefonisch gehoord. De heffingsambtenaar doet daarna op 21 december 2022 uitspraak op de bezwaren in de onderhavige zaken. Naar het oordeel van het Hof, kan, gelet op deze gang van zaken niet worden gezegd dat in de onderhavige zaken het aan belanghebbende toe te rekenen (algemene) procesgedrag van de gemachtigde daadwerkelijk van invloed is geweest op de behandelduur van de zaken en vormt zij derhalve geen grond voor verlenging van de redelijke termijn. Dit betekent dat de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg met ruim twee maanden is overschreden. De vergoeding van immateriële schade bedraagt in dat geval € 500 en komt geheel voor rekening van de heffingsambtenaar.


Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.






5Proceskosten en griffierecht


5.1
De proceskosten van belanghebbende in hoger beroep zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 punten (hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting)  wegingsfactor 0,5  € 934 = € 934 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu de uitspraak van de Rechtbank bekendgemaakt is na 1 januari 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten voor het hoger beroep acht worden geslagen op artikel 30a van de Wet WOZ. De gemachtigde van belanghebbende heeft geen gegevens verstrekt ter voldoening aan de op hem rustende last om te bewijzen dat zijn situatie met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Het Hof zal daarom ervan uitgaan dat het geval van belanghebbendes gemachtigde met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de procedure in hoger beroep niet is aan te merken als zo’n bijzonder geval. Het Hof berekent de vergoeding van de proceskosten ter zake van dit hoger beroep daarom met inachtneming van artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ. Het bedrag van de proceskostenvergoeding in hoger beroep, ad € 934, moet daarom worden vermenigvuldigd met een factor 0,10, zodat een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van € 93,40 resteert.



5.2
Het Hof ziet geen redenen om voor de procedure in hoger beroep een vergoeding toe te kennen voor een deskundigenbericht (taxatierapport), aangezien belanghebbende in hoger beroep uitsluitend een algemeen rapport heeft overgelegd dat niet speciaal voor de onderhavige procedure is opgesteld.



5.3
Het Hof ziet voorts termen de heffingsambtenaar te gelasten het aan belanghebbende in rekening gebrachte griffierecht voor het hoger beroep, ad € 559 te vergoeden. Omdat ten tijde van het wijzen van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2. de redelijke termijn voor bezwaar en het beroep al was overschreden en het verzoek om vergoeding van immateriële schade al was gedaan, ziet het Hof aanleiding te bepalen dat het in beroep in rekening gebrachte griffierecht ook wordt vergoed.



5.4
Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ vinden de uitbetalingen van de schadevergoeding, proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht uitsluitend plaats op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.






6Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg voor een bedrag van € 500,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 93,40,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 515 (driemaal € 50 en eenmaal € 365) in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.


De griffier, De voorzitter,













(K. de Jong-Braaksma)


(P. van der Wal)









Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak