|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:7824 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/449256 / JE RK 26-10 C/02/449256 / JE RK 26-10 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | MUHP. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449256 / JE RK 26-1035
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI);
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.A. Nunnikhoven uit Tilburg,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
zonder vaste woon- of verblijfplaats.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2De feiten
2.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 januari 2026 [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 31 januari 2026 tot 31 januari 2027 en heeft een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 31 januari 2026 tot 30 april 2026, waarbij het resterende verzoek is aangehouden. Bij beschikking van 24 april 2026 is deze machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met ingang van 30 april 2026 tot 30 juli 2026.
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de overgrootopa en -oma (mz).
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt – naar de kinderrechter begrijpt – om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerk pleeggezin (overgrootopa en -oma (mz)) voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
Namens de GI is in de overgelegde stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] inmiddels niet meer bij de vader verblijft. Na een forse ruzie in april 2026 tussen de vader en oma (vz) konden zij niet meer bij de oma (vz) verblijven. Sindsdien verblijft [minderjarige] zonder de vader bij de overgrootopa en -oma (mz). Dit is voor [minderjarige] een vertrouwde plek. De vader heeft momenteel geen vaste verblijfplaats en trekt van slaapplek naar slaapplek binnen zijn netwerk. De vader is onlangs zijn rijbewijs kwijtgeraakt, waardoor hij zijn werk als vrachtwachtenchauffeur niet kan uitvoeren. Er zijn zorgen dat de vader instabiel wordt door de vele ingrijpende veranderingen in zijn leven. Het lukt daardoor niet altijd om de juiste keuzes te maken in het belang van [minderjarige] . De vader ontvangt momenteel geen hulpverlening. Gelet op zijn voormalige verblijf in België was dit niet mogelijk vanuit de ondertoezichtstelling. Er zijn ook zorgen over de moeder. Binnen Sterk Huis heeft door de moeder een incident plaatsgevonden waar de kinderen getuige van waren. Sindsdien is het niet gelukt dat de moeder met een kalm brein het gesprek met Sterk Huis aangaat. Er is sprake van teveel onrust. Hierdoor is het perspectiefonderzoek van de moeder binnen Sterk Huis nog niet hervat. Er dient inzicht te komen in de emotieregulatie en triggers van de moeder. De moeder bevindt zich momenteel in een onrustig netwerk. Dit is niet goed voor [minderjarige] en haarzelf. [minderjarige] kan dus nog niet bij de ouders geplaatst worden nu de zorgen niet voldoende zijn afgenomen. Gezien wordt dat zowel de ouders als de overgrootopa en -oma zich niet aan de gemaakte afspraken houden. Onlangs is de screening van Sterk Huis bij de overgrootopa en -oma (mz) gestart. In de komende periode wordt ingezet op ouderschapsbemiddelingstrajecten. De ouders zijn hiertoe beiden gemotiveerd. De samenwerking en communicatie tussen de ouders verloopt momenteel rustig en positief. De huidige plek voor [minderjarige] moet vooralsnog worden gewaarborgd en hiervoor is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Er moet een rustige situatie gecreëerd worden waarbij duidelijke afspraken gemaakt worden en het contact op een stabiele wijze tussen [minderjarige] en de ouders wordt opgestart dan wel uitgebreid. Zodra er rust is, kan worden beoordeeld of [minderjarige] bij de ouders kan worden teruggeplaatst.
4.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij niet kan instemmen met het verzoek. [minderjarige] verblijft op een veilige plek, maar er ontstaan hechtingsproblemen. Er zijn geen ontwikkelingsrisico’s meer voor [minderjarige] . De moeder heeft in de afgelopen periode veel stappen gezet. Zij kan op de juiste wijze voor [minderjarige] zorgen. De moeder is niet agressief naar [minderjarige] en houdt zich aan de afspraken. De ouders communiceren op een prettige wijze met elkaar in het belang van [minderjarige] . De vader is op zoek naar een woning in [woonplaats] . Zodra de vader een woning heeft gevonden, is een co-ouderschapsregeling mogelijk. Het doet de moeder zeer dat haar ouders vreselijke dingen over haar hebben gezegd. Inmiddels gaat het weer goed tussen de moeder en haar ouders. De informatie in het verzoekschrift klopt niet evenals dat er details in het rapport van Sterk Huis zijn benoemd die niet waar zijn. De moeder beaamt dat zij een fout heeft gemaakt, maar hiervoor heeft zij haar excuses aangeboden. De moeder is destijds heel boos geworden, maar dit lag aan een zekere dynamiek die niet is beschreven in het rapport. Hierdoor heeft zij sindsdien [minderjarige] niet meer gezien. Sinds kort vindt er weer omgang plaats tussen de moeder en [minderjarige] . Anders dan door de GI wordt benoemd, ziet de moeder [minderjarige] iedere week een uurtje. De moeder is altijd bereid geweest om hulpverlening te aanvaarden. In het verleden heeft zij agressieregulatie-therapie gevolgd. Zij wil werken aan haar problematiek, deelnemen aan EMDR en medicatie gebruiken. Hierover is zij in overleg met haar therapeut. Het is de moeder onduidelijk hoe zij therapie moet volgen als [minderjarige] niet thuis woont. Ook vindt de moeder het lastig dat de GI geen gehoor geeft op haar vragen. De moeder hoopt dat [minderjarige] naar huis komt. Zij vindt het niet erg als zij daar begeleiding bij krijgt.
4.3.
Door de vader is naar voren gebracht dat hij niet kan instemmen met een uithuisplaatsing van [minderjarige] . In de komende periode moet [minderjarige] bij de moeder gaan wonen. Momenteel beschikt de vader niet over een eigen woning. Hij is op zoek naar een woning in de omgeving van de moeder. Er is vooralsnog geen zicht op een eigen woning. Zodra de vader over een eigen woning beschikt dient onderzocht te worden wat mogelijk is omtrent co-ouderschap. Het contact tussen de ouders is goed en zij kunnen communiceren in het belang van [minderjarige] . De vader vindt het lastig dat hij de vervanger van de jeugdzorgwerker niet kan bereiken. Hierdoor heeft hij [minderjarige] in de afgelopen weken niet kunnen zien. Het doet de vader veel pijn dat de ouders [minderjarige] te weinig zien, waardoor [minderjarige] hen niet meer als ouders ziet.
5De beoordeling
5.1.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van een minderjarige kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid van het Burgerlijk Wetboek de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
5.2.
Op grond van de stukken en wat is besproken tijdens de zitting, ziet de kinderrechter dat er de afgelopen periode in eerste instantie veel goed is gegaan. Tijdens de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] worden geen zorgen gezien over de opvoedvaardigheden van de moeder en is er zicht op het perspectief van [minderjarige] bij de moeder en een co-ouderschapsregeling met de vader.
5.3.
Helaas heeft er in mei jl. bij Sterk Huis een forse escalatie plaatsgevonden, waarbij de moeder haar emoties niet meer onder controle had. [minderjarige] heeft dit meegekregen. Er zijn verschillende visies op de aanleiding van dit incident, maar feit is dat dit niet had mogen gebeuren. Daar is ook de moeder zich zeer van bewust. In diezelfde periode werd ook de persoonlijke situatie van de vader instabiel. Ook daarvan heeft [minderjarige] (indirect) de gevolgen gemerkt. Door dit alles, is [minderjarige] in een periode van een half jaar drie keer van verblijfplek en opvoeders gewisseld, waarbij er veel onrust is geweest. De kinderrechter begrijpt dat de ouders dit niet hebben gewild, maar zij zijn hier wel medeverantwoordelijk voor.
5.4.
Kijkend naar de situatie zoals deze nu is, oordeelt de kinderrechter dat er nog wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Er is veel gebeurd, er is nu een keer per week contact tussen de moeder en [minderjarige] , de vader ziet [minderjarige] niet en vanwege de afwezigheid van de vaste jeugdbeschermer hebben er nog geen gesprekken kunnen plaatsvinden. De kinderrechter vindt het daarom niet verantwoord om [minderjarige] nu in één keer bij de moeder thuis te plaatsen. Wel ziet de kinderrechter aanleiding om de duur van de machtiging te beperken tot drie maanden. De vaste jeugdbeschermer is op zeer korte termijn weer terug, zodat bekeken kan worden wat een passende opbouwregeling is voor [minderjarige] , toewerkend naar een thuisplaatsing bij de moeder. Ook moet er duidelijkheid komen over wat de vader op dit moment kan beteken en op welke wijze het contact tussen [minderjarige] en de vader kan worden vormgegeven. De ouders hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij er alles aan zullen doen om ervoor te zorgen dat er rust en stabiliteit komt én blijft voor [minderjarige] en dat zij (verder) zullen werken aan hun eigen problematiek. De kinderrechter gaat ervan uit dat de ouders dit ook daadwerkelijk zullen doen en dat zij hun verantwoordelijkheid ten aanzien van [minderjarige] zullen nemen.
5.5.
Dit alles maakt dat de kinderrechter het verzoek van de GI gedeeltelijk zal toewijzen en een machtiging zal verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin voor de duur van drie maanden, met afwijzing van het resterende deel van het verzoek.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin met ingang van 17 juli 2026 tot 17 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door
mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Oonincx als griffier, en op schrift gesteld op 30 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|