Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:7903 
 
Datum uitspraak:20-07-2026
Datum gepubliceerd:30-09-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:440180
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Beëindiging gezag beide ouders, benoemen GI tot voogd.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
beschikking


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/440180 / FA RK 25-4931

Datum uitspraak: 20 juli 2026


Beschikking van de meervoudige kamer betreffende gezagsbeëindiging


op het verzoek van


DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,

locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,

betreffende de minderjarige



[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .

Als belanghebbenden worden in deze zaak aangemerkt:



[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg,



[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,


STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,

gevestigd te Eindhoven, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

Als informant wordt in deze zaak aangemerkt:


Familie [de pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.




1Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 25 september 2025 ingekomen verzoek tot gezagsbeëindiging, met bijlagen;
- de op 25 september 2025 ingekomen schriftelijke bereidverklaring van de GI van 5 september 2025;
- het op 15 juni 2026 ontvangen verweerschrift.



1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 19 juni 2026. Bij die zitting is verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een telefonische tolk in de Somalische taal. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
Alhoewel correct opgeroepen zijn de vader en de pleegouders niet verschenen.





2De feiten


2.1
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de ouders.



2.2
Bij beschikking van 31 juli 2019 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 31 juli 2019 en tot 31 juli 2020. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 25 juli 2025, met ingang van 31 juli 2025 en tot 31 juli 2026.



2.3
Bij beschikking van 23 maart 2021 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 23 maart 2021 en tot 31 juli 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 25 juli 2025, met ingang van 31 juli 2025 en tot 31 juli 2026.





3Het verzoek


3.1
De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder en de vader over de minderjarige [minderjarige 1] te beëindigen en adviseert de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige 1] . Daarbij verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de Raad tot beëindiging van haar gezag over [minderjarige 1] en verzoekt dit verzoek af te wijzen. Het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige 1] kan volgens de moeder worden toegewezen nu de vader niet meer betrokken is bij [minderjarige 1] en het gezin.





4De standpunten


4.1
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het ingediende rapport. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] als de ouders belast blijven met het gezag over hem. Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] nu er bij hem mogelijk sprake is van een hechtingsstoornis of een trauma doordat hij getuige is geweest van ruzies tussen de ouders. Ook zijn er zorgen over zijn identiteitsontwikkeling nu hij opgroeit in afwezigheid van zijn vader. Daarnaast is [minderjarige 1] al sinds zijn geboorte belast met ernstige medische problematiek, waar hij dagelijks specialistische medische zorg voor nodig heeft. Mede hierdoor groeit [minderjarige 1] al sinds 2021 op in een pleeggezin, waar hem de nodige (medische) zorg, ondersteuning en geborgenheid wordt geboden. De vader is inmiddels al jaren niet meer betrokken bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Hij verblijft op een onbekend adres, is niet bereikbaar en hij geeft dus ook al lange tijd geen invulling aan zijn gezag over [minderjarige 1] . Hier is hij volgens de Raad dan ook niet meer toe in staat. De moeder is in tegenstelling tot de vader juist zeer betrokken bij [minderjarige 1] , maar zij is vanwege haar beperkte leerbaarheid niet in staat om [minderjarige 1] de benodigde opvoeding en specialistische medische zorg te bieden. Daarbij komt dat de moeder voorheen niet kon instemmen met de plaatsing van [minderjarige 1] in dit specifieke pleeggezin omdat het om twee pleegvaders gaat. Hoewel de moeder hier nu meer in lijkt te berusten, heeft de Raad er, mede gezien de forse beïnvloeding van de moeder door haar Somalische netwerk, geen vertrouwen in dat de moeder in het vrijwillig kader samen met de pleegouders de juiste keuzes voor [minderjarige 1] zal kunnen gaan en blijven maken. Bij de instandhouding van het gezag van de moeder bestaat ook het risico dat [minderjarige 1] zich niet volledig en op een veilige manier aan zijn pleegouders kan gaan hechten en hij loyaliteitsproblematiek kan gaan ontwikkelen. Tot slot zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer de geijkte maatregelen nu het perspectief van [minderjarige 1] in het pleeggezin is bepaald en is het van groot belang dat [minderjarige 1] nu duidelijkheid wordt geboden over zijn perspectief.



4.2
Door en namens de moeder wordt afwijzing van het verzoek bepleit. Volgens de moeder ontbreekt de noodzaak om tot beëindiging van haar gezag over [minderjarige 1] over te gaan, nu zij berust in het perspectief van [minderjarige 1] en zij hem inmiddels emotionele toestemming geeft om verder op te groeien in het pleeggezin. De beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] is derhalve in strijd met artikel 8 EVRM, zoals ook blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2026:602). Hierin is bepaald dat de enkele omstandigheid dat niet meer naar een terug-thuisplaatsing wordt toegewerkt, niet betekent dat het gezag moet worden beëindigd. Daarbij komt dat de verhouding met de GI volgens de moeder enorm is verbeterd. De moeder voelt zich meer gehoord en betrokken en zij heeft de afgelopen tijd geen juridische procedures meer aangespannen. Ook zijn er geen schriftelijke aanwijzingen meer nodig geweest. De moeder wil graag met de GI samenwerken en zij maakt geen misbruik van haar gezag over [minderjarige 1] . De bemoeienissen en strijd waar de GI over spreekt, zijn volgens de moeder zaken uit het verleden. Het voortzetten van het gezag is derhalve niet schadelijk voor [minderjarige 1] , hetgeen in een eerdere uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2023:9322) reden is geweest voor de afwijzing van het verzoek tot het beëindigen van het gezag. De moeder vreest bovendien dat het beëindigen van haar gezag ertoe zal leiden dat zij nog meer uit het leven van [minderjarige 1] zal verdwijnen. Dit is eerder reden geweest om het gezag in stand te laten, zoals blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2023:650). De moeder wil tot slot niet dat er een onderscheid wordt gemaakt in haar juridische status ten aanzien van haar beide minderjarigen kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het verzoek tot het beëindigen van het gezag van de vader over [minderjarige 1] kan volgens de moeder worden toegewezen.
Desgevraagd benoemt de moeder ter zitting dat zij niet tevreden is met de plaatsing van [minderjarige 1] in het pleeggezin, maar dat zij wel dankbaar is voor de zorg die de pleegouders hem bieden en de plaatsing accepteert, omdat [minderjarige 1] zich daar goed ontwikkelt. Ook geeft de moeder aan dat zij graag de zorg voor [minderjarige 1] op zich wil nemen als zij daar de kans toe krijgt. Zij is altijd bereikbaar en doet altijd haar best voor hem. De moeder wil tot slot overal aan meewerken zolang [minderjarige 1] de zorg krijgt die hij nodig heeft.



4.3
De GI stemt in met het verzoek van de Raad. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat het gezag van de ouders wordt beëindigd. De vader is al lange tijd niet meer betrokken bij [minderjarige 1] en de moeder is niet in staat om [minderjarige 1] de benodigde zorg en opvoeding te bieden. Zij ziet niet in welke hulpverlening [minderjarige 1] nodig heeft. Daarbij benoemt de GI dat er de afgelopen tijd nauwelijks veranderingen of verbeteringen in de situatie van de moeder hebben plaatsgevonden. De moeder blijft de plaatsing van [minderjarige 1] in het pleeggezin lastig vinden en het contact tussen de moeder en GI blijft moeizaam. Het contact verloopt redelijk als de moeder alleen is, maar wanneer zij wordt ondersteund door haar vertrouwenspersonen of Somalische netwerk ontstaan er extreme bemoeienissen en veel strijd. Volgens de GI doet het Somalische netwerk van de moeder nu bewust een stapje achteruit om er zo voor te zorgen dat het gezag van de moeder niet wordt beëindigd. Als het verzoek daadwerkelijk zou worden afgewezen, zal de strijd echter gewoon weer verder gaan. Dit acht de GI niet in het belang van [minderjarige 1] , nu er hierdoor telkens veel onrust ontstaat en de aandacht hierdoor niet altijd volledig op [minderjarige 1] kan worden gericht. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn niet meer passend nu het perspectief van [minderjarige 1] in het pleeggezin is bepaald. Er wordt ook al enige tijd niet meer aan de doelen van de ondertoezichtstelling gewerkt, maar enkel ingezet op een leuk contact tussen [minderjarige 1] en de moeder. Dit maakt dat er de afgelopen tijd geen schriftelijke aanwijzingen meer zijn gegeven.





5De beoordeling


5.1
Op grond van artikel 1: 266, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.



5.2
Blijkens de jurisprudentie van het EHRM op basis van artikel 8 EVRM is de maatstaf voor een gezagsbeëindiging een andere dan die van de wetgever in artikel 1:266 BW. Bij artikel 1:266 BW is blijkens de memorie van toelichting ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Voorts vereist artikel 8 EVRM niet alleen dat de maatregel bij de wet is voorzien en dus niet willekeurig wordt genomen, maar ook dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. (aldus de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 32 015, nr. 3, blz. 34).



5.3
Daar waar onze wetgever ervan uitgaat dat het gezag reeds beëindigd kan worden als de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verzorging en opvoeding van het kind op zich te nemen, is het EHRM van oordeel dat slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag op het moment dat gebleken is dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind (EHRM 6 oktober 2015 N.P./Moldavië, 58455/13, rechtsoverweging 65 en 66). In latere jurisprudentie van het EHRM (waaronder EHRM 30 november 2017, Strand Lobben/Noorwegen nr. 37283/13) wordt deze lijn bevestigd.



5.4
Niet is gebleken dat de ouders het gezag over [minderjarige 1] misbruiken. Wel vindt de rechtbank dat er sprake is van de eerste grond voor de beëindiging van het gezag van de beide ouders. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM stelt aan een gezagsbeëindiging. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] namelijk geschaad als de ouders hun gezag over hem behouden. De rechtbank zal uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen.



5.5
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige 1] al veel heeft meegemaakt in zijn jonge leven. Hij is in zijn vroege jaren getuige geweest van ruzies tussen zijn ouders, waardoor er zorgen zijn over zijn hechting en hij mogelijk trauma’s heeft opgelopen. Ook zijn er zorgen over zijn identiteitsontwikkeling nu hij al lange tijd opgroeit in afwezigheid van zijn vader. Daarnaast is [minderjarige 1] al sinds zijn geboorte belast met ernstige medische problematiek, waarvoor hij al diverse operaties en ingrijpende medische behandelingen heeft moeten ondergaan. Hierdoor heeft hij veel behoefte aan rust, duidelijkheid en structuur en heeft hij naast specifieke opvoedbehoeften ook voortdurend specialistische medische zorg nodig. De moeder heeft onvoldoende pedagogisch vermogen om hier in te voorzien en zij is onvoldoende leerbaar gebleken. Zij biedt [minderjarige 1] liefde en steun, maar haar opvoedvaardigheden zijn ontoereikend. De vader is al lange tijd niet meer bij [minderjarige 1] betrokken. Hij verblijft op een onbekende plek, is mogelijk geëmigreerd, is niet bereikbaar en hij geeft al jaren geen invulling meer aan zijn gezag over [minderjarige 1] . Vanwege al het vorengaande verblijft [minderjarige 1] sinds 2021 in een pleeggezin. Hier wordt [minderjarige 1] de benodigde (medische) zorg, ondersteuning en geborgenheid geboden. De rechtbank is verheugd om te vernemen dat [minderjarige 1] de afgelopen tijd ondanks de genoemde zorgen en zijn medische problematiek een zeer positieve ontwikkeling doormaakt. Met de Raad en de GI is de rechtbank dan ook van oordeel dat de plaatsing van [minderjarige 1] in het pleeggezin in het belang van [minderjarige 1] , zijn gezondheid en zijn verdere ontwikkeling moet worden voortgezet.



5.6
Het is de rechtbank verder gebleken dat de moeder de zorgen over [minderjarige 1] en zijn medische problematiek lange tijd heeft ontkend. Ook is de moeder lange tijd erg fel tegen de plaatsing van [minderjarige 1] in het pleeggezin geweest, onder andere omdat het een pleeggezin met twee pleegvaders betreft, hetgeen de moeder lange tijd niet kon accepteren vanwege haar achtergrond. Hierdoor zijn er veel zorgen (geweest) over het uitblijven van emotionele toestemming van de moeder aan [minderjarige 1] voor het opgroeien in het pleeggezin en het ontwikkelen van loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige 1] . Daarnaast heeft de moeder continu juridische procedures aangespannen en zijn er meermaals schriftelijke aanwijzingen aan de moeder gegeven, waardoor er veel onrust is ontstaan, er geen constructieve samenwerking tot stand kwam tussen de moeder en de GI en de aandacht niet altijd volledig op [minderjarige 1] kon worden gericht. Door en namens de moeder wordt betoogd dat hiervan geen sprake meer is. Daarbij wordt aangegeven dat de moeder inmiddels erkent dat het perspectief van [minderjarige 1] in het pleeggezin ligt en dat de moeder in staat is om [minderjarige 1] emotionele toestemming te verlenen om aldaar verder op te groeien. Ook wil de moeder graag samenwerken met de GI en niet langer een strijd aangaan. Hoewel dit positieve ontwikkelingen zijn, zijn deze naar het oordeel van de rechtbank te pril en onvoldoende bestendig, zeker gezien de genoemde zorgen over [minderjarige 1] en gelet op de houding en opstelling van de moeder gedurende de afgelopen jaren. Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging dat het Somalische netwerk van de moeder zich de afgelopen jaren met momenten fors met de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] heeft willen bemoeien, hetgeen telkens veel strijd heeft opgeleverd, terwijl de moeder daar onvoldoende weerstand tegen lijkt te kunnen bieden. Dit acht de rechtbank nadrukkelijk niet in het belang van [minderjarige 1] . Bovendien heeft de moeder ter gelegenheid van de zitting aangegeven dat zij niet tevreden is over de plaatsing van [minderjarige 1] in het pleeggezin en dat zij de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] weer op zich wil nemen als zij daar de kans toe krijgt. Gelet daarop ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank de onvoorwaardelijke acceptatie bij de moeder die nodig is om [minderjarige 1] goed te kunnen laten opgroeien in het pleeggezin en lukt het de moeder niet om de belangen van [minderjarige 1] voorop te stellen.



5.7
Gezien al het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat beide ouders niet in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige 1] aanvaardbaar te achten termijn. De vader is al lange tijd niet meer betrokken bij [minderjarige 1] , hij verblijft op een onbekende plek, is niet bereikbaar en hij geeft al jaren geen invulling aan zijn gezag over [minderjarige 1] . Hij is evenmin verschenen tijdens de zitting en heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder is vanwege al het voorgaande niet in staat om samen met de pleegouders van [minderjarige 1] (goede) beslissingen over [minderjarige 1] te nemen en hem een veilige, voorspelbare en stabiele opvoedsituatie te bieden. Zij accepteert de plaatsing van [minderjarige 1] in het pleeggezin (nog steeds) niet volledig en wil het liefst zelf de zorg en opvoeding van [minderjarige 1] vormgeven, terwijl zij onvoldoende inziet dat zij [minderjarige 1] niet kan bieden wat hij nodig heeft. Hierdoor zal bij de instandhouding van het gezag van de moeder de onzekerheid over het perspectief van [minderjarige 1] blijven voortduren, hetgeen een bedreiging vormt voor zijn verdere ontwikkeling. Met de Raad en de GI acht de rechtbank het namelijk van groot belang dat [minderjarige 1] , ook gelet op zijn leeftijd, nu duidelijkheid wordt geboden over zijn perspectief tot het opgroeien in het pleeggezin. Verder bestaat met de instandhouding van het gezag van de moeder het risico dat [minderjarige 1] niet de ruimte krijgt om zich op een veilige manier te hechten aan zijn pleegouders, hij loyaliteitsproblematiek ontwikkelt, de noodzakelijke medische zorg voor [minderjarige 1] in gevaar komt en de voor [minderjarige 1] benodigde hulpverlening gericht op het verwerken van de ingrijpende levensgebeurtenissen niet wordt ingezet en afgerond. Anders dan de moeder meent is daarmee naar het oordeel van de rechtbank (ook) voldaan aan de eis die het EHRM aan een gezagsbeëindiging stelt, namelijk dat voortzetting van het gezag van de moeder schadelijk is voor [minderjarige 1] .



5.8
Vanwege al het voorgaande ziet de rechtbank met de Raad en de GI onvoldoende mogelijkheden bij beide ouders om de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] in voldoende mate vorm te geven. Ook is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de aanvaardbare termijn van [minderjarige 1] is verstreken. Nu de moeder het verblijf van [minderjarige 1] in het pleeggezin naar het oordeel van de rechtbank niet volledig en duurzaam accepteert, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om deze situatie vanuit een vrijwillig kader voort te zetten. Voortzetting van de ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen van [minderjarige 1] vindt de rechtbank, gelet op het tijdelijke karakter van die maatregelen, niet passend. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het gezag van de ouders moet worden beëindigd. De rechtbank zal daarom het verzoek van de Raad toewijzen.


Voogdij




5.9
Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders er toe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] komt te ontbreken, zal de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De Raad adviseert de GI met de voogdij over [minderjarige 1] te belasten. De GI is bereid de voogdij op zich te nemen en de GI is al lange tijd bij [minderjarige 1] betrokken. Zij heeft een goed zicht op de ontwikkeling van [minderjarige 1] en op wat hij nodig heeft en zo kan de benodigde hulpverlening voor [minderjarige 1] worden ingezet en gecontinueerd. De rechtbank heeft er ook vertrouwen in dat de GI zich zal blijven inzetten om de beide ouders, in dit geval vanwege de afwezigheid van de vader in het leven van [minderjarige 1] met name de moeder, te blijven betrekken bij [minderjarige 1] , ook wanneer zij geen gezag meer over hem hebben. Als de voogdij bij de GI ligt, zorgt dit er bovendien voor dat het pleeggezin zich volledig kan richten op de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . De relatie tussen de ouders (de moeder) en het pleeggezin kan dan positief ingevuld worden, omdat beslissingen niet bij het pleeggezin liggen, maar bij de voogd als neutrale partij. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij. Dit betekent dat voortaan de GI de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] mag nemen.



5.10
De rechtbank benadrukt dat de beslissing om het gezag te beëindigen niet betekent dat de moeder vanaf nu geen belangrijke rol meer in het leven van [minderjarige 1] zal kunnen spelen. De moeder blijft altijd de moeder van [minderjarige 1] (net zoals de vader van [minderjarige 1] zijn vader blijft) en is daarom erg belangrijk in zijn leven. De rechtbank gunt de moeder (en de vader), en [minderjarige 1] in het bijzonder, een betekenisvolle rol in het leven van [minderjarige 1] . De rechtbank gaat er vanuit dat de GI zich zal blijven inspannen voor het contact van [minderjarige 1] met zijn moeder (en vader). De belangen van [minderjarige 1] staan hierbij voorop.


Rekening en verantwoording




5.11
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW worden de ouders waarvan het gezag wordt beëindigd, er vanuit gaande dat zij het bewind voerden over het vermogen van de minderjarige, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan hun opvolgers in dit bewind.


Uitvoerbaar bij voorraad




5.12
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat het in het belang van [minderjarige 1] is dat de beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen de beslissing.


Gezagsregister




5.13
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centraal gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.





6De beslissing

De rechtbank:


6.1
beëindigt het ouderlijk gezag van de ouders:


[de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1986 te [geboorteplaats 2] , Somalië,
en


[de vader]
, geboren op [geboortedag 3] 1986 te [geboorteplaats 3] , Somalië,
over de minderjarige:


[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ;



6.2
benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige, de Gecertificeerde Instelling, Stichting Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Eindhoven;



6.3
veroordeelt de ouders tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de GI over het gevoerde bewind;



6.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Verschoor-Bergsma en mr. Van der Pols, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.




Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:


door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.


Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Link naar deze uitspraak