|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2742 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.362.014/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | WWZ. Melding Wet bescherming Klokkenluiders. Geen benadeling in de zin van art. 17e Wbk. Geen promotie onthouden en geen berisping opgelegd. Ook geen sprake van uitsluiting of isolatie. Geen ernstig verwijtbaar handelen werkgever | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | belastingrecht | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.362.014/01
zaaknummer rechtbank : 11672324 \ EA VERZ 25-494
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026
inzake
[appellant]
,
wonende te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.M.C. Wessels te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
UL TS B.V.,
gevestigd te Leiden,
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.M. Engelsman te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en UL genoemd.
1De zaak in het kort
Tussen UL en [appellant] bestond een arbeidsovereenkomst. [appellant] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd. Na deze opzegging heeft [appellant] UL verzocht om toekenning van verschillende vergoedingen. [appellant] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij een klokkenluidersmelding heeft gedaan en dat sprake is van benadeling in de zin van artikel 17e Wet bescherming klokkenluiders (hierna: Wbk) door UL na die melding. Het hof oordeelt dat geen sprake is van benadeling en wijst de verzoeken van [appellant] af.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
[appellant] is bij beroepschrift, met producties, ontvangen op de griffie van het hof op 28 november 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 28 augustus 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
2.2.
Op 2 juni 2026 is op de griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep (met producties) van UL ingekomen. Nadien heeft [appellant] twee aanvullende producties ingediend.
2.3.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 15 juli 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Wessels voornoemd, en UL door mr. Engelsman voornoemd en mr. T. van Nieuwstadt, advocaat te Amsterdam, allen aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
2.4.
Uitspraak is bepaald op heden.
3Feiten
3.1.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten - voor zover thans nog van belang - neer op het volgende.
3.2.
Sinds 15 februari 2016 was [appellant] (geboren op [datum] ) in dienst bij UL. De laatste functie van [appellant] was TS Lead Principal bij de afdeling [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) tegen een loon van € 8.840,63 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
3.3.
UL test, inspecteert en certificeert nieuwe producten en mag certificaten
afgeven voor verschillende soorten (consumenten, medische en betalings-) producten. Daarnaast biedt UL training en advies aan op het gebied van technologie, innovatie en security.
3.4.
In 2021 hebben de toenmalige leidinggevenden van [appellant] het volgende over [appellant] geschreven: ‘ [naam 4] is always committed and keen to support the team. Sharing knowledge and Way of of Working, sharing success and failure to perform things better. Continuous improvement process. We should find time to discuss and figure out how to manage better low performer and raise their motivation.’ (Q2, 2021 “Behaviors”)‘Working and speaking with higher management to promote [naam 4] and get him stepping him on a more strategic role.’ (Q3, 2021 “Career Development”)
3.5.
Op 19 mei 2022 heeft [appellant] onder meer aan toenmalig leidinggevende en later ook op 17 september 2022 aan [naam 1] (hierna: [naam 1] ), vice-president bij [bedrijf] , te kennen gegeven dat volgens hem bij een Huawei project slecht werk was geleverd in de certificering en dat er nog veiligheidsrisico’s in het product zaten. Op 9 november 2022 is het betreffende product van Huawei door UL gecertificeerd, waardoor Huawei het betreffende product kan aanbieden op de Europese en Amerikaanse markt.
3.6.
In oktober 2022 heeft tussen [appellant] en [naam 1] een gesprek plaatsgevonden waarin zij aan [appellant] onder meer het volgende heeft meegedeeld: ‘You can be the smartest guy in the room, but if you can’t work with other people, but if no one wants to work with you the intelligence is useless.’
3.7.
Op 14 april 2023 heeft [appellant] zijn zorgen aan een collega geuit op een ander punt (het feit dat Linux niet meer ondersteund werd) van een Huawei product en heeft hij aangegeven dat hij veel mogelijke kwetsbaarheden heeft ontdekt. Bij e-mail van 22 mei 2023 heeft [appellant] de betrokken managers bij UL, onder wie zijn leidinggevende [naam 2] (hierna: [naam 2] ), hierover geïnformeerd. De e-mail vermeldt als onderwerp: ‘Potential Issue Related to Certified Products – Huawei and xFusion iBMC – Linux 4.4’. In die e-mail zijn door [appellant] vijf problemen (‘main problems’) aangestipt met betrekking tot het onderzoek naar en de goedkeuring (certificering) van bepaalde producten.
3.8.
Op 14 juni 2023 heeft [naam 2] [appellant] verzocht om werkzaamheden te gaan verrichten voor het SITE project. Op 14 en 15 juni 2023 heeft hierover een discussie plaatsgevonden. [naam 2] heeft aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:‘He needs support on SITE to do training (…) Would you bee keen to travel for Saudi for a week or 2 at a time to support on training in the coming months?’
waarop [appellant] als volgt heeft gereageerd:‘Not sure but this SITE story looks like a joke. (…) I’ve shared my availability and willingness to lead the effort at the time. What (…) is the reason why I should join into the effort after months of other failing? Now my answer would be what’s in it for me – after other people failed on this assignment to be involved now? (…) Since 2016 I been working on projects that nobody wanted to do (…) I feel that I am allocated on few things that may have maybe a long term visibility, but most of the time I am allocated on short term activities that are in a critical stage, not planned properly with the right skills, and I am called always to be the firefighters hurting my visibility within the organisation because other people are taking credits. (…) It seems that my skills are not being seen with positive light within the organisation at the moment! (…) From a career perspective I am not sure where I am heading to, many times I’ve tried to raise with you my expectations but totally ignored.(…)’3.9. Op 20 juni 2023 heeft [appellant] een interne melding gedaan via het zogenoemde Ethics Point van UL (hierna: de melding). De melding zag op problemen die hij eerder in de
e-mail van 22 mei 2023 had aangestipt. [appellant] heeft kritiek geuit op de bestaande praktijk, waarbij werd nagelaten om aan de juiste voorschriften te toetsen waardoor ten onrechte een cybersecuritycertificaat is afgegeven voor een nieuw product van Huawei. Bij de melding heeft [appellant] het volgende geschreven: ‘Some action items are going on, but I feel the case is not taken as seriously, focusing more on profitability. Unfortunately, this showed me a poor commitment from the UL Solution business to
I felt morally responsible for raising this issue with the ethics and compliance team.’
3.10.
Op 12 juli 2023 heeft [appellant] gevraagd om een ontvangstbevestiging en update met betrekking tot de melding, waarna Ethics Point op 17 juli 2023 als volgt heeft gereageerd: ‘This issue is being followed up on by Market Surveillance. They will contact you soon to get some additional information. They have conducted some background research. In their research they cannot find the report you made in July 2022. Look for a call from them this week.’ Het desbetreffende gesprek heeft op 29 augustus 2023 plaatsgevonden.
3.11.
Op 28 augustus 2023 heeft [naam 2] over de carrière van [appellant] het volgende geschreven:‘Then I also want to talk to you about your career path moving forward, as I may have an opportunity for a PDE, and I believe you would be the ideal candidate (…) so want you to give that a think as well, as it would be seen as a promotion? It has been a time of change, but there is plenty to discuss, and exciting opportunities on the horizon (…)’. In een document genaamd Check-in: Career Development Q3 2023 van 14 september 2023, staat onder meer het volgende: ‘Engage with HR, and Senior Management in definition of new role opportunities’. [appellant] heeft in november 2023 geïnformeerd naar de stand van zaken. Op
16 januari 2024 heeft [naam 2] aan [appellant] geschreven dat hij werkt aan twee mogelijke opties: een optie voor ‘Solution Development’ en een optie voor ‘Technical Training’.
3.12.
Op 8 februari 2024 heeft een collega van [appellant] het volgende bericht over [appellant] aan [naam 2] gestuurd: ‘(…) had a call today with [naam 3] , [naam 4] and [naam 5] . The purpose was to understand the PSTI regulatory clauses and again [naam 4] being [naam 4] was only focused on Advisory team lacking all the skills. The discussion with him led to nothing which makes me think if he has the knowledge. This had happened twice in the last two weeks. Pranav was there as well today and [naam 3] also discussed with me this behavior of [naam 4] after the call. I think we really need to speak with [naam 6] about this. I will not accept this behavior next time....’.
3.13.
Vanaf 8 februari 2024 heeft [appellant] een zogenoemde PSTI training gegeven aan een nieuw team met senior collega’s SE (Secure Element). Bij [naam 2] heeft hij geklaagd over de motivatie en het lage niveau van de nieuwe medewerkers. Op 13 februari 2024 heeft [naam 2] klachten van twee nieuwe medewerkers ontvangen over de wijze waarop [appellant] met hen was omgegaan. De klachten werden in de kern als volgt omschreven: ‘looking down on me’, ‘lack of trust, ‘making things overcomplicated’, ‘asking irrational things’, disrespecting me’ ‘lack of knowledge’ en ‘trying hard to say he is the only person who knows things’. Naar aanleiding hiervan heeft [naam 2] per e-mail van 14 februari 2024 contact opgenomen met de afdeling Human Resources (HR) en het volgende gevraagd: ‘(…) Accordingly, as we have had multiple complaints about [naam 4] ’s treatment of his colleagues and team members. I have spoken [t]o him multiple times about it, however need to take the next step. Please advise on appropriate next steps, do we issue him a formal warning or what is the best alternative?’
3.14.
Op 14 februari 2024 heeft een (chat)gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [naam 2] . [naam 1] heeft daarin aan [naam 2] het volgende geschreven: ‘What happened with [naam 4] ?’ waarop [naam 2] onder meer als volgt heeft gereageerd: ‘I spoke to [naam 7] and [naam 8] … [naam 4] ’s arrogance has gone too far with his peers and how he treats them. He is not a team player. I also had a good discussion with advisory team (They did really qell with BDR, and the recieved no real support from [naam 4] on it).. This is consistently an issue.’ [naam 1] heeft vervolgens gereageerd met: ‘It is so unfortunate and we need every one to be supportive of the growth of those around them and of the entire practice’s success.’
3.15.
Op 17 februari 2024 heeft [naam 2] de ontvangen feedback over de door [appellant] gegeven training met [appellant] gedeeld. In de daarop betrekking hebbende e-mail staat het volgende: ‘I wanted to share the information in advance for us to discuss, this may seem Brutal, but we have had these discussions previously about these same topics.1. The current feedback on the training session with the SE Team (…). Lets look at the concerns/complaints raised by the team and how we can take it forward: a. Working with Team-members as a team player. Complaints received have been:i. Looking down at staff you meant to train – being patronizing and condescending.ii. Showing Lack of trust of the team membersiii. Disrespecting Staffiv. Expecting staff to know everything from multiple documents and telling them that they cannot refer to documentationv. Overcomplicating things that are simple: Expectation and mandate as Senior Team Member is to simplify the complexity for people with less experience. Showing off and being condescending on what you know isn’t productive, knowledge transfer is what we need to be doing.vi. “Pushing irrationally and insisting on being a boss and not a colleague.” - You need to show respect to team members to earn their respect. Individuals respect you for your knowledge and skills, but not how you engage with themvii. I also have an example form Advisory: When asking for your help, or have questions for you, you tend to send people away with a whole lot of research that they need to do on guidelines/documents/webinars – when a Concise answer would be efficient to complete the objectives while support for extra info helps create further knowledge, as opposed to not providing them the answers and sending them away to do their own research.viii. Note! This is not the first time we are having these discussions/topics, as we have also received similar feedback from Advisory Team, as well as Pre-Sales over the past year, which you and I have discussed. We need to address ways of collaboration, as it appears to be hurting morale and your own personal engagement with teams.b In lieu of the above, we have to address these as part of our Ways of Working as a Level C: e.g. Key extracts which we need to address: Most of which relate to your approach with your peers, as nearly all feedback has related to you being condescending to them: (…)To help address above:- There are many courses (…). Lets see how we can leverage these- In our weekly meetings, we already discussing this, however these concerns still get raised – Lets discuss your views and what you believe you can change to address these concerns, and how I can support you- Any other suggestions we may discuss.(…)’
3.16.
Op 10 april 2024 is het definitieve onderzoeksrapport van het Ethics and Compliance team opgesteld. Onder ‘Outcome of investigation’ staat daarin onder meer het volgende vermeld:‘JTSEC’s Common Criteria certification testing and reporting (…) was faulty and inaccurate. There are numerous factors which contributed to this including inadequate testing procedures and documentation by JTSEC and a lack of scrutiny by UL [bedrijf] management. Additionally, once the discrepancy about Linex Kernel 4.4 was discovered in April 2023, Huawei should have alerted the certification body. When Huawei failed to do so, UL should have alerted the certification body.’
In het rapport staat ook dat [naam 9] (TS Team Leader [bedrijf] ), [naam 10] (Business Manager [bedrijf] ) en [naam 11] (TS Group Leader [bedrijf] ) zijn gehoord.
3.17.
Per 1 mei 2024 heeft UL een deel van haar onderneming verkocht.
3.18.
Bij e-mail van 30 april 2024 heeft [appellant] gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot een eventuele promotie. Bij e-mail van 2 mei 2024 heeft [naam 2] daarop als volgt gereageerd: ‘Nothing has been confirmed yet, and discussions are still underway across the department for individuals. Meetings are still ongoing on this topic.’
3.19.
In de Q2 Check-in Behaviors (periode 1 april 2024 – 21 juni 2024) heeft [appellant] zich beklaagd over het hebben van weinig declarabele projecten. [naam 2] heeft aangegeven dat [appellant] daar inderdaad mee achterliep. Voorts is door [naam 2] onder meer aangegeven dat [appellant] zich moet ontwikkelen op het punt van verbinding: ‘This is an area that needs improvement. As noted staff feel disconnected and are struggling to engage, as there is a sense of conflict coming from multiple areas. Recommendation: We need to ensure that the engagement with fellow staff is not only technically driven, but also empathetic that people are at various levels, and from different cultures.’
3.20.
Op 30 juli 2024 heeft [appellant] een terugkoppeling ontvangen van de Ethics Point over de melding. In het daarop betrekking hebbende bericht staat het volgende: ‘The investigation has been completed and is being used by a team of people within UL Solutions to develop the next steps in resolving the overarching issues.’ Voorts is door de medewerker van het Ethics and Compliance team, nadat [appellant] had gevraagd om meer informatie en naar de uitkomst van het onderzoek en een debrief, aangegeven dat sprake was van ‘some irregularities’. [appellant] heeft daarop gereageerd dat hij het vraagt omdat hij vindt dat het gedrag van het management is veranderd ten opzichte van hem, dat hij geïsoleerd en aan de kant wordt gezet en dat men wraak op hem neemt (‘some sort of retaliation’). Daarop is geen reactie meer gevolgd.
3.21.
Bij e-mail van 25 september 2024 heeft [naam 2] aan [appellant] onder meer het volgende bericht:‘However, as we have discussed a few weeks ago, that you are unhappy and am looking at external opportunities, and that you were open to a mutual settlement agreement. I also shared that perhaps if we looked at a competitor waiver, that it would then open your options with a settlement incentive to start your own business, or get EU Funding in parallel for protentional personal projects. (….) the business is amicable to the approach. This is not a redundancy or termination but rather a settlement (…) This would enable you to work for competitors or start your own business, as we have discussed.’
3.22.
Op 7 oktober 2024 heeft [appellant] contact opgenomen met het Huis voor Klokkenluiders (hierna: het HvK).
3.23.
Op 31 oktober 2024 heeft HP aangegeven dat zij akkoord gaan met de ‘remote training’ als de training wordt gegeven door [appellant] . Op 6 november 2024 heeft UL HP bericht dat niet [appellant] maar een collega de training zal geven.
3.24.
Op 1 november 2024 heeft UL een beëindigingsvoorstel aan [appellant] gedaan, waarop HR aan [naam 2] heeft gemaild dat de reactie van [appellant] was ‘the value was a joke’. Op
11 november 2024 heeft [appellant] via zijn toenmalig gemachtigde UL laten weten dat hij zich benadeeld achtte na zijn interne melding en heeft hij verzocht om een billijke vergoeding.
3.25.
Op 14 november 2024 heeft [naam 2] aangegeven dat [bedrijf] gevraagd heeft om alleen deel te nemen in de werkgroepen die nodig zijn (critical to the organization) en dat de focus moet liggen op omzet genererende activiteiten. Ook heeft [naam 2] zijn team (bestaande uit 15 personen) gevraagd om op te geven waarin zij deelnamen. Bij e-mail van 18 november 2025 heeft [naam 2] aan zijn team laten weten dat de focus op declarabele projecten moest liggen in plaats van diverse externe werkgroepen en dat de werkzaamheden in een aantal werkgroepen tijdelijk gepauzeerd moesten worden. Daarbij is aangegeven dat een aantal werkgroepen mag doorgaan, een aantal nog wordt beoordeeld, waarvan één van [appellant] , één van [naam 2] zelf en één van een andere collega, en dat [appellant] de werkzaamheden in alle vier de werkgroepen moest pauzeren. Ook [naam 2] moest de werkzaamheden in een werkgroep tijdelijk pauzeren.
3.26.
[naam 2] heeft [appellant] nogmaals verzocht om in december 2024 twee weken on site voor het SITE project te werken. Partijen hebben daarover vervolgens gediscussieerd. [appellant] stond niet positief tegenover het project en heeft in de e-mail van 27 november 2024 om nadere informatie gevraagd. UL meende dat [appellant] ook declarabele projecten moest draaien en dat dit een normaal project voor hem was.
3.27.
Op 13 december 2024 heeft [appellant] zich ziekgemeld.
3.28.
Bij brief van 20 december 2024 heeft het HvK [appellant] geïnformeerd dat zij meent dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van een miststand in de zin van artikel 1 Wbk.
3.29.
Partijen hebben onderhandeld, maar zijn niet tot een gezamenlijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gekomen. 3.30. Op 30 januari 2025 heeft [appellant] de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 maart 2025. Ook heeft [appellant] UL verzocht om tot betaling van een transitievergoeding en een extra vergoeding over te gaan. Tevens heeft [appellant] UL verzocht hem te ontheven uit het concurrentie/relatiebeding.
3.31.
Bij e-mail van 26 februari 2025 heeft UL [appellant] geschreven dat zij geen gehoor zal geven aan zijn verzoek tot betaling van de transitievergoeding en aanvullende vergoedingen. Bij brief van 28 februari 2025 heeft UL [appellant] vervolgens gewezen op zijn postcontractuele verplichtingen en eventuele boetes. In de eindafrekening, gedateerd 14 maart 2025, staat dat [appellant] zijn vakantiedagen en bonus uitgekeerd heeft gekregen.
3.32.
Per 1 maart 2025 is [appellant] als zelfstandige begonnen met advieswerkzaamheden voor CEN/CENELEC (een non-profit organisatie die voor de Europese Commissie standaarden ontwikkelt voor de ‘Digital Single Market’ (Richtlijn 2019/790)).
4Eerste aanleg
4.1.
[appellant] heeft de kantonrechter verzocht UL te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 34.140,48 (bruto) en tot betaling van een schadevergoeding van
€ 249.963,44 (bruto), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast heeft [appellant] verzocht dat de kantonrechter voor recht verklaart dat UL geen rechten meer kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding althans heeft hij verzocht deze bedingen te vernietigen dan wel te matigen. Ten slotte heeft [appellant] de kantonrechter verzocht UL te veroordelen in de proceskosten, waaronder bergrepen de reëel gemaakte advocaatkosten. UL heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.2.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat van benadeling in de zin van de Wbk en ernstig verwijtbaar handelen door UL geen sprake is. De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellant] afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
5Beoordeling
Procedure en omvang van het hoger beroep
5.1. [appellant] heeft - na vermindering van eis in hoger beroep - verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en UL alsnog te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 34.140,48 (bruto) en schadevergoeding van € 249.963,44 (bruto), beide vermeerderd met wettelijke rente. Ook heeft [appellant] verzocht UL te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, waaronder de reëel gemaakte advocaatkosten. UL heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
5.2.
[appellant] heeft in hoger beroep vier beroepsgronden, hierna grieven genoemd, aangevoerd. [appellant] heeft betoogd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat van het onthouden van een promotie of bevordering geen sprake is (grief I). Vervolgens heeft [appellant] betoogd dat de berisping, het niet delen van klachten van het team en de onzorgvuldige behandeling (geen hoor en wederhoor) zijn aan te merken als benadeling (grief II) en dat de uitsluiting en de isolatie van projecten ook vormen zijn van benadeling (grief III). Ten slotte heeft [appellant] betoogd dat alle handelingen van UL tezamen ook als benadeling zijn te beschouwen (grief IV). Van het onderhavige hoger beroep maakt geen deel uit de afwijzing van de verzochte verklaring voor recht dat UL geen rechten meer kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding ex artikel 7:653 lid 4 BW aangezien [appellant] tegen die afwijzing niet is opgekomen althans geen grief heeft gericht. Overigens heeft [appellant] - naar hij ter zitting in hoger beroep heeft erkend - geen belang meer bij dit verzoek. De bedingen zijn immers - gelet op de duur ervan (12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst) - per 1 maart 2026 komen te vervallen.
5.3.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
Juridisch kader
5.4. Artikel 17e Wbk bepaalt dat een melder tijdens en na de behandeling van een vermoeden van een misstand niet mag worden benadeeld onder de voorwaarde dat de melder bij de melding redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over het vermoeden van een misstand op het moment van de melding juist is. Tussen partijen staat vast dat [appellant] een melding heeft gedaan in de zin van de Wbk. Artikel 17eb Wbk bepaalt dat bij benadeling van een melder tijdens en na de behandeling van een melding bij de werkgever wordt vermoed dat de benadeling het gevolg is van de melding. [appellant] dient aan te tonen dat hij na het doen van de melding op 20 juni 2023 is benadeeld. Wanneer hij daarin slaagt, wordt aangenomen dat die benadeling een represaille was voor de gedane melding, waarna de werkgever, in dit geval UL, het tegendeel moet aantonen.
Geen toegezegde of te verwachten promotie
5.5. Met grief I is [appellant] opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat van een onthouden promotie of bevordering geen sprake was. [appellant] heeft betoogd dat weliswaar geen promotie was toegezegd, maar dat het vrijwel zeker was dat die promotie er zou komen en er enorme verwachtingen bij hem gewekt zijn. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat [appellant] met [naam 2] meerdere keren heeft gesproken over zijn carrièremogelijkheden. Zo heeft [naam 2] op 28 augustus 2023 onder meer aan [appellant] geschreven: ‘(…) I may have an opportunity for a PDE, and I believe you would be the ideal candidate (…). It has been a time of change, but there is plenty to discuss, and exciting opportunities on the horizon. [onderstreping hof]’. Hieruit volgt niet dat die promotie er zeker of vrijwel zeker zou komen, maar veeleer dat er nog genoeg te bespreken viel. Uit de stukken blijkt dat [naam 2] in de loop der jaren, ook tijdens de periode dat een deel van UL werd verkocht en [naam 2] van die verkoop wist, met [appellant] is blijven meedenken over diens carrièrepad. [appellant] kwam steeds hierop terug, omdat hij niet tevreden was met zijn situatie. [naam 2] heeft als leidinggevende met [appellant] over diens ontwikkeling gesproken, maar van een vrijwel zekere in het vooruitzicht gestelde promotie is niet gebleken. Daarbij komt dat - naar UL heeft aangevoerd - de opties binnen UL voor [appellant] beperkt waren. Zo is niet gebleken dat in de periode waarin [naam 2] en [appellant] elkaar spraken een passende vacature voor [appellant] heeft opengestaan. UL heeft toegelicht dat in de tijd dat [appellant] promotie wilde maken een divisie van UL werd verkocht. Die verkoop had invloed op de bedrijfsvoering van UL en dat verklaart waarom ook tijdelijk geen vacatures werden opengesteld. Het hof verwerpt het betoog van [appellant] dat de verkoop van die andere divisie binnen UL betrof en niet relevant was voor de promotie van [appellant] , omdat dat betoog enige toelichting behoeft die door [appellant] echter niet is gegeven. [appellant] heeft twee vacatures overgelegd en gesteld dat UL wel degelijk mensen nodig had. Ook deze stelling kan [appellant] niet baten, omdat de desbetreffende vacatures dateren van ná de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De conclusie is dat [appellant] geen zekere of vrijwel zekere promotie of bevordering in het vooruitzicht is gesteld, zodat van enige benadeling op dit punt niet is gebleken. Grief I faalt.
Geen sprake van berisping of onzorgvuldige behandeling
5.6. Met grief II heeft [appellant] betoogd dat het zeer onzorgvuldig is geweest dat [naam 2] hem een berisping heeft opgelegd zonder het toepassen van hoor en wederhoor. Bovendien was [naam 2] volgens [appellant] vooringenomen, omdat hij zou hebben geweten van de melding. Er bestond volgens [appellant] een verband tussen de wetenschap van [naam 2] van de melding en de berisping, zodat sprake is van benadeling van [appellant] . Ook dit betoog van [appellant] slaagt niet. Daartoe is het volgende redengevend. Vanaf 8 februari 2024 heeft [appellant] training gegeven aan nieuwe collega’s. Op 14 februari 2024 hebben twee nieuwe collega’s bij [naam 2] geklaagd over de wijze waarop zij door [appellant] zouden zijn behandeld. [appellant] zou zich arrogant en neerbuigend naar hen hebben opgesteld. Op 17 februari 2024 heeft [naam 2] [appellant] hierover gemaild (zie rov. 3.15). Anders dan [appellant] heeft betoogd, staat in de
e-mail niet dat [appellant] een officiële waarschuwing of berisping wordt opgelegd. Dat valt ook niet uit de e-mail af te [plaats] . Uit de e-mail blijkt wel welke klachten de collega’s hadden en dat [naam 2] [appellant] heeft uitgenodigd om hier verder over in gesprek te gaan. [naam 2] heeft in dit verband onder meer geschreven: ‘To help address above: (…) - In our weekly meetings, we already discussing this, however the concerns still get raised – let discuss our views and what you believe you can change to address these concerns and how I can support you. (…) Any other suggestions we may discuss. [onderstreping hof]’. Dat gesprek heeft later ook plaatsgevonden, waarbij het voorval is uitgesproken. Van enige consequenties voor [appellant] naar aanleiding van de klachten is niet gebleken.
5.7.
Bovendien is niet komen vast te staan dat [naam 2] - zoals door [appellant] is gesteld - al in 2023 van de melding op de hoogte was. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij over de melding met [naam 2] heeft gesproken en gemaild in 2023 alsmede dat hij over een opname beschikt waarin [naam 2] heeft bevestigd dat hij van de melding wist, maar de betreffende
e-mailcorrespondentie en de opname zijn niet in de procedure ingebracht. UL heeft ook betwist dat [naam 2] op de hoogte was van de melding. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [naam 2] toegelicht dat hij pas in september/oktober 2024 op de hoogte raakte van de melding, toen [appellant] hem zelf over de melding vertelde. Er zijn geen aanknopingspunten die maken dat [naam 2] eerder van de melding op de hoogte was en dat die wetenschap verband houdt met de geuite klachten en de e-mail van 17 februari 2024 (zie rov. 3.15). Daarbij is ook van belang dat niet in geschil is dat de twee nieuwe collega’s die over het gedrag van [appellant] hadden geklaagd, niet op de hoogte waren van de melding. UL heeft benadrukt dat zij [appellant] zeer waardeerde voor zijn technische kennis (hetgeen ook blijkt uit onder meer overgelegde kwartaalrapportages), maar dat UL hem meermaals heeft moeten aanspreken op zijn gedrag. Ook uit de overgelegde e-mailcorrespondentie (zie onder meer rov. 3.4, 3.12 – 3.14) blijkt dat de klachten die [naam 2] over het gedrag van [appellant] had ontvangen, niet nieuw waren. [appellant] heeft dit laatste niet gemotiveerd weersproken. Het hof concludeert dat er geen verband kan worden aangenomen tussen de melding en de e-mail van 17 februari 2024 van [naam 2] . Van benadeling in de zin van de Wbk is mitsdien geen sprake. Grief II faalt.
Geen uitsluiting of isolatie
5.8. [appellant] heeft voorts betoogd dat hij vanaf februari 2024 door UL steeds verder werd uitgesloten en geïsoleerd en dat deze handelingen verband houden met de melding die hij heeft gedaan (grief III). [appellant] heeft in dit verband gesteld dat hij niet meer op declarabele projecten werd ingezet, hij niet meer mocht deelnemen aan werkgroepen en dat hij enkel werd benaderd voor het, in zijn ogen notoir en slechtlopende, SITE project. Ook zou openlijk zijn getwijfeld aan zijn expertise en kennis en werd structureel niet geluisterd naar zijn adviezen. De uitsluiting en isolatie blijken volgens [appellant] onder meer eruit dat UL hem niet heeft ingezet op een training van HP ondanks dat HP expliciet om [appellant] had verzocht. Het hof overweegt als volgt. Uit de e-mail van 31 oktober 2024 blijkt dat HP akkoord is met de ‘remote training’ als [appellant] de training geeft. Op 6 november 2024 bericht UL aan HP dat een collega van [appellant] de training zal geven. De kantonrechter heeft op dit punt geoordeeld dat de klant van UL niet de vrije keuze heeft te bepalen wie op een project wordt ingezet. Die beslissing ligt steeds bij UL, aldus de kantonrechter. Tegen dit oordeel van de kantonrechter heeft [appellant] niet gegriefd zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Tegen deze achtergrond kan niet worden geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat UL [appellant] niet heeft ingezet voor een training bij HP meebrengt dat sprake is van het uitsluiten of isoleren van [appellant] .
5.9.
[appellant] heeft - ter adstructie van zijn stelling dat van benadeling bij het SITE project sprake is - aangevoerd dat UL hem in november 2024 voor het SITE project heeft benaderd met een zeer korte en niet haalbare deadline van een paar weken. Volgens [appellant] zou hij op het project worden ingezet om hierop later door UL te kunnen worden afgerekend. Het hof is echter niet gebleken dat UL [appellant] heeft benadeeld door hem te willen plaatsen op het SITE project. [appellant] was namelijk ook al meermaals vóór de melding, te weten in januari 2023 en op 14 en 15 juni 2023, gevraagd om deel te nemen aan het SITE project. [appellant] heeft dit destijds geweigerd omdat het project hem niet beviel. Daarnaast staat vast dat het SITE project een geschikt project was voor [appellant] dan wel iemand met zijn functie, zodat dit van [appellant] gevraagd kon worden. UL heeft bovendien toegelicht, hetgeen door [appellant] onvoldoende is weersproken, dat in november 2024 van iedereen binnen UL werd verwacht om de focus op billable projecten te leggen en dat [appellant] daarom een deel van het werk in zijn werkgroepen (evenals anderen) moest neerleggen en in dat verband opnieuw is benaderd voor het SITE project (zie rov. 3.25). Dat [appellant] een onwerkbare deadline van twee weken werd opgelegd en dat hierover met UL geen gesprek was te voeren, is door [appellant] onvoldoende onderbouwd en toegelicht. Op grond van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat het (willen) plaatsen van [appellant] op het SITE project benadeling oplevert in de zin van de Wbk.
5.10.
Wat betreft het niet plaatsen van [appellant] op billable projecten, is evenmin gebleken dat [appellant] hierdoor is benadeeld. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft UL verklaard dat [appellant] tot maart 2024 op billable projecten is ingezet. [appellant] heeft weliswaar betoogd dat hij tijdens twee kwartaalgesprekken heeft verzocht om op billable projecten te worden ingezet, maar niet is gebleken dat hij in de periode vanaf maart 2024 aan UL kenbaar heeft gemaakt dat hij op billable projecten ingezet wilde worden en dat UL dit weigerde of bewust tegenhield. De enkele omstandigheid dat [appellant] in de periode van maart 2024 tot november 2024 niet op billable projecten is ingezet, is onvoldoende om de conclusie te dragen dat hij benadeeld is in de zin van de Wbk. Dit klemt temeer nu vaststaat dat [appellant] in die periode werkzaam was in werkgroepen en dat deelname aan die werkgroepen ook tot de normale taakomschrijving van [appellant] ’s functie behoorde. Het voorgaande leidt ertoe dat ook grief III faalt.
Samenhangende omstandigheden leveren geen benadeling op
5.11. Met grief IV heeft [appellant] betoogd dat uit alle omstandigheden tezamen aangenomen moet worden dat sprake is van benadeling. Volgens [appellant] heeft UL aangestuurd op zijn ontslag. Het hof verwerpt ook dit betoog. Uit de e-mail van 25 september 2024 (rov. 3.22) van [naam 2] aan [appellant] blijkt dat partijen aanvankelijk in goede harmonie met elkaar in gesprek waren over het mogelijk beëindigen van de arbeidsovereenkomst. In de e-mail staat onder meer: ‘However, as we have discussed a few weeks ago, that you are unhappy and am looking at external opportunities, and that you were open to a mutual settlement agreement.(…) This would enable you to work for competitors or start your own business, as we have discussed.’ Uit deze e-mail van [naam 2] aan [appellant] volgt dat zij al langere tijd spraken over [appellant] ’s ontevredenheid over zijn huidige situatie en dat [naam 2] aan het kijken was naar opties buiten UL voor [appellant] . Uit de e-mailcorrespondentie volgt niet dat UL heeft aangestuurd op [appellant] ’s ontslag. Dat de toon van het gesprek weliswaar was veranderd op het moment dat [appellant] het beëindigingsvoorstel van UL had ontvangen, maakt dat niet anders. De omstandigheid dat [appellant] ontevreden was met het voorstel, is onvoldoende om aan te nemen dat UL aanstuurde op zijn ontslag. Van dreiging met ontslag, als bedoeld in artikel 17da lid 1 sub a jo lid 2 Wbk en daarmee van benadeling, is geen sprake.
5.12.
Wat betreft de melding overweegt het hof nog het volgende. Naar hiervoor onder 5.4 is overwogen, staat tussen partijen vast dat de melding van [appellant] een melding was in de zin van de Wbk. Ook is achteraf gebleken dat deze melding terecht was. [appellant] hoopte dat zijn melding een verandering bij UL teweeg zou brengen en dat de kwaliteit van werken zou worden verbeterd. Dit is volgens [appellant] niet gebeurd. Ook heeft [appellant] gesteld dat hij ten onrechte geen schriftelijke terugkoppeling heeft gekregen over de conclusies van het onderzoek en de vervolgstappen en dat UL ten onrechte niet beschikte over een adviseur waar hij terecht kon voor steun naar aanleiding van zijn melding. [appellant] is niet bekend of UL ooit melding heeft gemaakt van de onregelmatigheden binnen Huawei en de kwetsbaarheden van de besturingssoftware bij de certificatie instantie of toezichthoudende instanties. Hoewel het hof het voorstelbaar acht dat [appellant] zich ongemakkelijk heeft gevoeld, heeft hij onvoldoende toegelicht op grond waarvan hem het recht zou toekomen om informatie over de concrete uitkomst dan wel de getroffen maatregelen te ontvangen. Artikel 2 Wbk biedt die grondslag niet. Artikel 2 lid 2 onder i Wbk bepaalt enkel dat informatie wordt verstrekt over de opvolging en de beoordeling van de melding. Die informatie heeft [appellant] ontvangen en [appellant] is ook over de opvolging bericht. Het hof merkt wel op dat UL (via het Ethics Point) [appellant] beter op de hoogte had kunnen houden over de voortgang van de melding. [appellant] heeft een aantal keren een bericht ontvangen over de status en afhandeling van de melding, maar dit was telkens nadat hij een verzoek daartoe had gedaan. Omdat niet is gebleken dat [appellant] door dit handelen is benadeeld of daardoor schade heeft geleden, leidt dit niet tot een andere uitkomst van de zaak. Evenmin kan, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, worden gesproken van ernstig verwijtbaar handelen van UL.
5.13.
De conclusie luidt dat, ook wanneer het hof alle door [appellant] aangevoerde omstandigheden gezamenlijk bij zijn beoordeling betrekt, geen sprake is van benadeling in de zin van de Wbk. Gelet hierop alsmede dat ook geen sprake is geweest van schending van goed werkgeverschap, bestaat er geen grond om UL tot betaling van de verzochte schadevergoeding te veroordelen. Aangezien [appellant] de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd en niet is gebleken dat UL ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, komt hem geen transitievergoeding toe. Grief IV faalt ook.
Slotsom
5.14. De slotsom is dat de grieven van [appellant] falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
6Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van UL vastgesteld op € 851,- aan griffierecht en € 2.580,- aan salarisadvocaat (2 punten x appeltarief II);
verklaart deze beschikking ten aanzien van bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, G.C. Boot en M. Kullmann en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|