|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:13064 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/867 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), private schulden. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat overname van de schuld niet mogelijk is omdat het een informele schuld betreft en niet is voldaan aan het vereiste van een notariële akte. De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing heeft kunnen laten. Beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/867
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
de minister van Financiën, de minister
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Samenvatting
1. De minister heeft de aanvraag van eiseres om overname van een geldschuld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat overname van de schuld niet mogelijk is omdat het een informele schuld betreft en niet is voldaan aan het vereiste van een notariële akte. De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing heeft kunnen laten.
Procesverloop
2. Met het besluit van 15 juli 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres om overname van een geldschuld op grond van de Wht afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 9 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de minister.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag gedaan om overname van een vijftal geldschulden, waaronder een private schuld aan [persoon A] ter hoogte van € 80.000,-. De minister heeft met het primaire besluit de overname van twee schulden, namelijk een schuld aan GGN Mastering Credit en een schuld aan Coeo Incasso B.V., overgenomen. De overname van de overige drie schulden, waaronder de schuld aan [persoon A] , is afgewezen. Eiseres heeft alleen bezwaar gemaakt tegen het niet overnemen van de private schuld aan [persoon A] . Met het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
Wettelijk kader
4. De minister neemt op aanvraag een schuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. De schulden die worden overgenomen, zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
4.1.
Schulden die zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, worden overgenomen. Schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser (zogenoemde informele schulden), worden overgenomen indien deze zijn vastgelegd in een notariële akte die is opgemaakt tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijken uit een rechterlijke uitspraak.
4.2.
De minister kan afwijken van een bepaling over de overname van schulden voor zover toepassing van de desbetreffende bepaling, gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Heeft de minister terecht de schuld aan [persoon A] niet overgenomen?
5.1.
Volgens eiseres heeft zij € 80.000,- geleend van [persoon A] om schulden, die zijn ontstaan door de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag, af te betalen. De schuld is op 26 augustus 2019 vastgelegd in een leenovereenkomst tussen eiseres en [persoon A] .
5.2.
Niet in geschil is dat de schuld aan [persoon A] niet is vastgelegd in een notariële akte, opgemaakt tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Het gaat dus om een informele schuld. De schuld kan daarom in beginsel niet worden overgenomen.
5.3.
Eiseres betoogt dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen, dan wel het vereiste van de notariële akte buiten toepassing had moeten laten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zij voert daartoe aan dat de schuld aan alle voorwaarden voor overname voldoet, behalve aan het vereiste dat de notariële akte moet zijn opgemaakt tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Er is sprake van een bijzondere situatie omdat de schuld is ontstaan door de problemen met de kinderopvangtoeslag en omdat zij genoodzaakt was de lening aan te gaan om andere schulden te kunnen afbetalen. Hierdoor heeft zij kunnen voorkomen dat zij uit haar woning is gezet en dat zij is afgesloten van elektriciteit en water wegens betalingsachterstanden. Dat zij voor die schulden geen aanvraag om overname heeft ingediend bij Sociale Banken Nederland (SBN), veronderstelt dat de schulden zijn afbetaald.
5.4.
Voor wat betreft het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel, geldt dat de eis van de notariële akte als bewijs van het bestaan van een informele schuld en van betalingsafspraken bewust in de wet is opgenomen, om zoveel mogelijk zeker te stellen dat alleen daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. Dit is gedaan in het besef dat informele leningen doorgaans niet in een notariële akte worden vastgelegd, zodat veelal niet aan dit vereiste zal kunnen worden voldaan. Dat de eis van de notariële akte in veel gevallen tot bewijsproblemen bij ouders kan leiden, waardoor een schuld niet voor overname in aanmerking komt en dus op de ouders blijft rusten, is de wetgever niet ontgaan. Dit punt heeft ook na de inwerkingtreding van de Wht de aandacht van de wetgever gehouden. Omdat zich hier geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of toepassing van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing in het voorliggende geval achterwege zou moeten blijven.
Hardheidsclausule
5.5.
Er is volgens eiseres sprake van een schrijnende situatie omdat zij als gevolg van langdurige stress te maken heeft gekregen met chronische pijn in beide armen. Hiervoor is eiseres onder behandeling bij de polikliniek pijngeneeskunde. Door de pijn kan eiseres niet meer werken, terwijl zij zelfstandig ondernemer is en geen beroep kan doen op sociale voorzieningen. Ook heeft de pijn veel invloed op haar privéleven. Zij heeft last van stemmingswisselingen en suïcidale gedachten, waarvoor zij is doorverwezen naar een psycholoog.
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de hardheidsclausule in redelijkheid buiten toepassing kunnen laten. Het is mogelijk dat zich bijzondere situaties voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte onbillijk is. Dit is het geval wanneer aan het bestaan van een informele schuld en de gemaakte betalingsafspraken op grond van andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Eiseres heeft weliswaar een schriftelijke leenovereenkomst overgelegd, maar deze biedt onvoldoende zekerheid over het bestaan van de schuld en de gemaakte betalingsafspraken. Hierbij is van belang dat eiseres geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat het volgens de leenovereenkomst geleende geld aan eiseres ter beschikking is gesteld of dat [persoon A] , zoals eiseres heeft gesteld, schulden namens eiseres heeft afgelost. Ook ontbreekt een verklaring van [persoon A] zelf. Eiseres heeft correspondentie met voormalige schuldeisers overgelegd, maar daaruit volgt alleen dat eiseres pogingen deed om betalingsregelingen te treffen. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt welke schulden zijn afgelost en door wie en wanneer dat zou zijn gedaan. Daarbij komt dat eiseres wisselend heeft verklaard over hoe de lening is verstrekt. Eiseres heeft verklaard dat [persoon A] de destijds lopende schulden allemaal namens eiseres heeft afgelost, maar ook dat [persoon A] rechtstreeks geld aan eiseres heeft overgemaakt en dat zij een deel van de destijds lopende schulden zelf heeft afbetaald. Verder zijn er onduidelijkheden over de aflossing van de schuld aan [persoon A] . Volgens het verslag van de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres tijdens de hoorzitting verklaard dat zij € 30.000,- van het compensatiebedrag en € 10.000,- uit eigen middelen heeft gebruikt om de schuld af te lossen. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiseres verklaard dat zij op 1 oktober 2024 voor het eerst een aflossing heeft gedaan voor een bedrag van € 7.630,- en dat zij het compensatiebedrag van € 30.000,- heeft gebruikt om andere schulden af te lossen. Hoewel niet is uitgesloten dat het verslag van de hoorzitting op dit punt niet klopt, zoals eiseres ter zitting heeft gesteld, weegt de rechtbank de onduidelijkheid hierover wel mee bij haar beoordeling.
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er te veel onzekerheid over het bestaan van de schuld en de gemaakte betalingsafspraken om de eis van de notariële akte los te laten. De rechtbank onderkent dat eiseres, gezien haar medische situatie, zich zowel zakelijk als privé in een moeilijke situatie bevindt. Maar deze omstandigheden leiden er niet toe dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. Immers de beoordeling is of op basis van andere authentieke documenten redelijkerwijs de twijfel over het bestaan van de schuld is weggenomen. Hiervan is geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
5.8.
Ten overvloede wordt overwogen dat niet is gebleken dat de (volledige) schuld op 1 juni 2021 opeisbaar was. Eiseres heeft weliswaar een ingebrekestelling overgelegd van 12 april 2021, waarmee de gehele schuld wordt opgeëist, maar onduidelijk is op welke (rechts)grond [persoon A] de gehele vordering opeist. Uit de leenovereenkomst volgt alleen dat eiseres de schuld in maandelijkse termijnen van € 1.333,33 moet aflossen. Dit houdt in dat, wanneer eiseres niet aan haar maandelijkse betalingsverplichtingen voldoet, zij in verzuim is voor deze (gemiste) maandelijkse termijn. Uit artikel 7:129e BW volgt verder dat een leenovereenkomst eerst ontbonden moet worden voordat de nog te vervallen termijnen in zijn geheel opgeëist kunnen worden. Nu van een ontbinding van de leenovereenkomst niet is gebleken, is het onduidelijk op welke (rechts)grond [persoon A] de gehele vordering opeist. Afgezien van het oordeel dat er te veel onzekerheid is over het bestaan van de schuld, is evenmin komen vast te staan dat de gehele vordering op 1 juni 2021 opeisbaar was. Ook om deze reden is niet voldaan aan de voorwaarden voor overname van de schuld.
Vertrouwensbeginsel
5.9.
Ten slotte heeft eiseres nog naar voren gebracht dat zij op grond van de brief van de Dienst Toeslagen van 4 juni 2021 ervan uit mocht gaan dat al haar schulden overgenomen zouden worden. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel, aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en, zo ja, hoe. Uit de brief van 4 juni 2021 van de Dienst Toeslagen volgt niet dat alle schulden van eiseres zouden worden overgenomen. Bovendien gaat de brief van 4 juni 2021 over het overnemen van publieke schulden en staat in de brief dat later in het jaar meer informatie volgt over het overnemen van private schulden.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, voorzitter, en mr. A.J. van Spengen en mr. S. Veling, leden, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de besluiten van de Sociale Bank Nederland staat [persoon A] aangeduid als ‘ [naam] ’. De rechtbank heeft [persoon A] aangehouden.
Artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht.
Artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 r.o. 22.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3034. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|