|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:8512 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | AWB - 24 _ 1944 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | IB/PVV 2018. Inkomsten uit Amerikaanse LLC's. Vanwege nader standpunt verweerder in beroep verschillen partijen niet langer van mening over hoogte aanslag. Beroep gegrond. | | Trefwoorden | : | aangifte inkomstenbelasting | | | aanmerkelijk belang | | | belastbaar inkomen uit sparen en beleggen | | | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | box 2 | | | box 3 | | | inkomstenbelasting | | | mkb-winstvrijstelling | | | | Uitspraak | Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/1944
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: drs. A.C. Krol),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 567.526 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.213 (hierna: de aanslag), en belastingrente in rekening gebracht voor € 15.396 (hierna: de beschikking belastingrente).
Hangende de bezwaarprocedure heeft verweerder de aanslag ambtshalve verminderd in verband met de Wet rechtsherstel box 3. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bleef gelijk, het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd naar € 18.084 en de beschikking belastingrente is verminderd tot € 15.344.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de ambtshalve verminderde aanslag en beschikking belastingrente gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde, [naam 1] , belastingadviseur, [naam 2] , zakenpartner, en [naam 3] , tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] en [naam 5] .
Overwegingen
Vooraf
1. Op basis van de doorgegeven verhinderdata voor het eerste kwartaal 2026 is geen zittingsdatum gevonden waarop beide partijen beschikbaar waren. Vervolgens zijn verhinderdata voor het tweede kwartaal van 2026 opgevraagd. In het tweede kwartaal van 2026 was er wederom door de grote hoeveelheid verhinderdata van zowel verweerder als belanghebbende geen datum waarop beide partijen beschikbaar waren. De rechtbank heeft partijen vervolgens op 7 mei 2026 uitgenodigd voor de zitting op 11 juni 2026. Verweerder heeft diezelfde dag verzocht om uitstel van de zitting. Verweerder vermeldt in het uitstelverzoek enkel dat hij, conform zijn eerder toegestuurde verhinderdata, niet in staat is om de zitting bij te wonen. Verweerder heeft niet aangevoerd waarom hij niet op de vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn. De rechtbank heeft daarin dan ook geen reden gevonden om de zitting uit te stellen. Met bekende verhinderdata probeert de rechtbank rekening te houden, maar dat is, zeker als partijen een zeer groot aantal verhinderdata doorgeven, niet altijd mogelijk. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat dit geschil het belastingjaar 2018 betreft en het beroepschrift ruim twee jaar geleden is ingediend. De rechtbank heeft het verzoek daarom afgewezen en verweerder verzocht zich op zitting te laten vertegenwoordigen door een collega.
De aanslag
2. Belanghebbende is enig deelnemer in [bedrijf] LLC. [bedrijf] LLC is een “member-managed, single member” Limited Liability Company, opgericht naar het recht van [staat] in de Verenigde Staten (hierna: VS) in 2010. [bedrijf] LLC neemt deel in diverse andere LLC’s in de VS.
3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 aangifte inkomstenbelasting gedaan in de VS voor de inkomsten uit onder meer [bedrijf] LLC als “U.S. Nonresident Alien”.
4. Op 31 oktober 2020 dient belanghebbende in Nederland de aangifte IB/PVV 2018 (hierna: de aangifte) in als binnenlands belastingplichtige voor de periode 9 februari tot en met 31 december 2018. Op 26 april 2021 vult hij de aangifte aan. In de aangifte is onder meer winst uit onderneming vermeld afkomstig van de LLC’s ten bedrage van € 364.826 (€ 424.217 minus MKB-winstvrijstelling van € 59.391). Voor dit bedrag verzoekt belanghebbende om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.
5. Na divers overleg tussen partijen legt verweerder op 10 maart 2022 de aanslag op. Daarin is het inkomen uit de LLC’s aangemerkt als winst uit onderneming en is MKB-winstvrijstelling toegekend. In afwijking van de aangifte is geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend. Verder heeft verweerder het inkomen uit werk en woning gecorrigeerd in verband met aanvullend inkomen uit [land] en de hoogte van de partneralimentatie. et HHet totale belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 567.526, waarvan het belastbare inkomen uit de VS € 364.826 bedraagt. De belastingrente is berekend op € 15.396.
6. Op 28 februari 2024 doet verweerder uitspraak op bezwaar. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar neemt verweerder het standpunt in dat het inkomen uit de VS moet worden gezien als inkomen uit zelfstandige arbeid als bedoeld in artikel 15 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het belastingverdrag). Verweerder neemt het standpunt in dat belanghebbende inwoner is van Nederland en het inkomen uit de LLC’s niet kan worden toegerekend aan een vast middelpunt waarover belanghebbende in de Verenigde Staten beschikt, waardoor het heffingsrecht enkel aan Nederland toekomt. Verweerder verleent geen aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing.
7. In beroep neemt verweerder nader het standpunt in dat [bedrijf] LLC voor de Nederlandse belastingheffing als non-transparant moet worden aangemerkt. Dat betekent dat met betrekking tot inkomen uit de LLC’s geen sprake kan zijn van belastbaar inkomen uit werk en woning. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat het belastbaar inkomen uit werk en woning dienovereenkomstig met € 364.826 moet worden verminderd. Volgens verweerder dienen eventuele opnames van de kapitaalrekening van [bedrijf] LLC belast te worden als inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2), echter van dergelijke opnames is in 2018 geen sprake. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is.
8. De overige correcties op de aangifte zijn in de beroepsfase niet in geschil. Dat betekent dat partijen niet langer van mening verschillen over de hoogte van de aanslag.
9. Partijen hebben de rechtbank gevraagd om ongeacht het feit dat in 2018 geen Amerikaans inkomen (meer) in de Nederlandse belastingheffing is betrokken en zij niet meer van mening verschillen over de hoogte van de aanslag, toch een oordeel te geven over de kwalificatie van [bedrijf] LLC voor de Nederlandse belastingheffing. Dit omdat hetzelfde geschilpunt wel relevant is voor andere belastingjaren. In deze procedure is enkel de uitspraak op bezwaar over de aanslag aan de orde. Nu de hoogte van de aanslag niet langer in geschil is, kan een antwoord op deze vraag niet meer tot een andere uitkomst leiden in deze procedure. De rechtbank zal daarom in deze procedure geen oordeel geven over de kwalificatie van [bedrijf] LLC voor de Nederlandse belastingheffing die eventueel nog relevant is voor andere jaren.
10. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting bevestigd zijn gronden over het tarief van de belastingrente in te trekken naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59) en 10 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:591). Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag naar aanleiding van hetgeen onder 7. is overwogen.
11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). In de bezwaarfase heeft belanghebbende niet verzocht om een kostenvergoeding voor verleende rechtsbijstand waardoor voor die fase geen proceskostenvergoeding wordt toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 202.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.084;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.335; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, voorzitter, en mr. J. Snitker en mr. D.C. van Beelen, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|