Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:7331 
 
Datum uitspraak:25-09-2026
Datum gepubliceerd:02-10-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25/2260
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:BPM; artikel 10 Wet BPM; afschrijving; beroep ongegrond
Trefwoorden:bpm
naheffingsaanslag
omzetbelasting
taxatie
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/2260
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 september 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en


de inspecteur van de belastingdienst, Central administratieve processen, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag,de Staat.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de hoogte van de naheffingsaanslag en de belastingrente. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van die gronden of de naheffingsaanslag niet te hoog is opgelegd.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop

3. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM van € 6.140 opgelegd.

4. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 156 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking)

5. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 april 2025 het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.726, de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en een kostenvergoeding toegekend van € 161,75 (2 punten x € 647 x factor 0,125). De inspecteur is er daarbij van uitgegaan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende de kenmerken heeft waarop de beperking van de proceskosten zich richt en dus geen bijzonder geval is als als bedoeld in r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.

6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft op 27 augustus 2026 een tiendagenstuk ingediend, waarop de inspecteur bij brief van 4 september 2026 heeft gereageerd.

7. De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 11 september 2026. Belanghebbende heeft in het nader stuk meegedeeld dat zij de zitting niet zal bijwonen. Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] .



Feiten

8. Belanghebbende heeft op 18 oktober 2023 aangifte BPM gedaan voor een BMW X5 M Competition (de auto) met een VIN eindigend op [nummer] . De auto is gekocht van een Duits bedrijf en de aankoopprijs bedraagt volgens de factuur € 102.521,01 (exclusief omzetbelasting en exclusief BPM). Belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 237.854 en de handelsinkoopwaarde als volgt vastgesteld:









Handelsinkoopwaarde voor correctie





€ 110.168




Af: correctie conform schadecalculatie


€ 16.692







Af: correctie i.v.m. geen oordeel km stand


€ 3.800







Waardecorrectie totaal





€ 20.492




Handelsinkoopwaarde na correctie





€ 89.676






9. De bruto BPM heeft belanghebbende bepaald op € 70.190 (op basis van een CO2-uitstoot van 308 g/km (WLTP) en de verschuldigde BPM op € 26.463 (€ 89.676 / € 237.854 * € 70.190). Bij de aangifte heeft belanghebbende een taxatierapport van [bedrijf] gevoegd met datum 26 september 2023.

10. De datum van eerste toelating van de auto is 13 oktober 2021. Inschrijving in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 4 november 2023. Het kenteken van de auto is [kenteken] .

11. Belanghebbende is uitgenodigd om de auto te komen tonen bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) voor een waardecontrole. De waardecontrole heeft plaatsgevonden op 2 november 2023. DRZ heeft een bruto schadecalculatie gemaakt van € 3.466 en hiervan € 1.074 (31%) als waardeverminderend aangemerkt. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 109.094 (€ 110.168 minus € 1.074).

12. Bij brief van 28 februari 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving naheffingsaanslag gestuurd. De inspecteur heeft de verschuldigde BPM berekend op € 32.603 en de na te heffen BPM op € 6.140 (€ 32.603 minus € 26.463). Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van de auto van € 234.830 en een bruto BPM van € 70.190.

13. Bij brief van 27 maart 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een mededeling naheffingsaanslag toegezonden.

14. Met dagtekening 19 april 2024 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag BPM aan belanghebbende opgelegd in overeenstemming met zijn kennisgeving en mededeling. Daarbij heeft de inspecteur € 156 belastingrente in rekening gebracht.

15. Belanghebbende heeft bij brief ontvangen door de inspecteur op 19 april 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de belastingrentebeschikking. In de uitspraak op bezwaar is het bezwaar gegrond verklaard en is de naheffingsaanslag verminderd omdat een te hoge historische nieuwprijs was gehanteerd. De historische nieuwprijs is verminderd tot de door belanghebbende voorgestane historische nieuwprijs.




Beoordeling door de rechtbank


Afbakening van het geschil

16. Belanghebbende heeft in het tiendagenstuk te kennen gegeven dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 110.168 niet in geschil is. De inspecteur heeft dat ter zitting bevestigd. In de bezwaarfase is de naheffingsaanslag reeds verminderd als gevolg van een lagere historische nieuwprijs. De rechtbank ziet geen reden om op dit punt anders te oordelen en volgt partijen hierin. Het bedrag van de in aanmerking genomen bruto BPM ten bedrage van € 70.190 is evenmin in geschil. Dat betekent dat uitsluitend de hoogte van de waardeverminderingen (waaronder die door meer dan normale gebruiksschade) in geschil zijn.


Handelsinkoopwaarde: schade

17. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van meer schade dan DRZ heeft geconstateerd. Belanghebbende wijst ter onderbouwing op het taxatierapport met foto’s.

18. Niet in geschil is dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft en bijgevolg de taxatiemethode kan worden toegepast. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 89.676 en de deskundige van de inspecteur (DRZ) heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 109.094. De bewijslast van de taxatiewaarde berust bij belanghebbende.

19. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat met meer schade rekening moet worden gehouden dan de inspecteur heeft gedaan. Op de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport is naast de geconstateerde schade niet meer schade te zien dan die als normale gebruikssporen kwalificeert. Belanghebbende heeft verder niet concreet gesteld welke andere schade aanwezig zou zijn en uit de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport kan dit niet worden afgeleid.


Waardeverminderingspercentage van de begrote herstelkosten

20. Belanghebbende heeft gesteld dat de geraamde herstelkosten voor 100% in aanmerking moeten worden genomen. De norm die volgt uit onderdeel 3.5. van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling), dat herstelkosten maar voor 31% meetellen, zorgt volgens belanghebbende voor een structurele overwaardering van importvoertuigen. Volgens belanghebbende is het percentage van 31 gebaseerd op onjuiste onderzoeksdata en foutieve aannames. Meer specifiek heeft belanghebbende aangevoerd dat het percentage van 31 niet representatief is, omdat het onderzoek niet transparant is en is gebaseerd op data van voertuigen die economisch total loss zijn.

21. Voorts is belanghebbende van mening dat de tegenbewijsregeling voor wat betreft de in aanmerking te nemen herstelkosten, onrealistisch is en in de praktijk niet haalbaar. Hoewel er weliswaar een mogelijkheid bestaat om een hoger percentage toe te passen, namelijk als de getaxeerde waarde van het voertuig hoger is dan de inkoopprijs van het voertuig inclusief BPM, is de tegenbewijsmogelijkheid in feite illusoir. Het resultaat van een taxatie voor de BPM is immers niet bedoeld om de inkoopprijs te weerspiegelen en de inkoopprijs is in dit kader derhalve niet relevant. Bovendien worden taxateurs in hun werk belemmerd, omdat zij het tegenbewijs niet mogen onderbouwen met belangrijke factoren namelijk het autosegment, de leeftijd van het voertuig of het aantal gereden kilometers. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de 31%-regeling buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met artikel 110 van het VWEU.

22. De rechtbank overweegt als volgt. Genoemd onderdeel 3.5. van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling, luidt als volgt:

“De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar inclusief de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.”

23. De rechtbank stelt voorop dat niet iedere euro aan begrote herstelkosten eenzelfde waardevermindering impliceert. Aangenomen moet worden dat herstelkosten slechts ten dele tot een in aanmerking te nemen waardevermindering leiden. De totstandkoming van de huidige 31%-regeling is uitgebreid toegelicht en is gebaseerd op onafhankelijke onderzoek.
Uit dat onderzoek volgt dat met het waardeverminderingspercentage van 31 van de getaxeerde herstelkosten in de helft van de waarnemingen recht wordt gedaan aan de waardevermindering als gevolg van schade. De besluitgever heeft blijkens genoemde Nota van Toelichting bewust aansluiting gezocht bij deze mediaan door een waardevermindering van 31% als uitgangspunt te nemen. Het gekozen forfaitaire percentage sluit aldus aan op de werkelijkheid en is in dat opzicht ook EU-rechtelijk houdbaar. De rechtbank kan belanghebbende niet volgen in haar stelling dat het onderzoek waarop het percentage van 31 is gebaseerd onbetrouwbaar is of onvoldoende representatief is. Belanghebbende gaat ervan uit dat voertuigen die economisch total loss zijn ook technisch total loss zijn en daarom niet geïmporteerd worden. Belanghebbende miskent hiermee naar het oordeel van de rechtbank dat een voertuig dat economisch total loss is, niet onbruikbaar en onverkoopbaar is, zoals dat bij voertuigen die technisch total loss zijn in de regel wel het geval is. Belanghebbende heeft ook niet met een eigen onderzoek of met behulp van andere data gesteld dat het percentage van 31 onjuist is. De stelling van belanghebbende dat het onderzoek waarop het percentage van 31 is gebaseerd niet transparant is, kan de rechtbank niet volgen. Het onderzoek is gepubliceerd op het internet en in de begeleidende Kamerbrief en in de toelichting bij de Eindejaarsregeling 2022 is verwoord op grond van welke data en op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd.

24. De tegenbewijsregeling stelt belastingplichtigen voldoende in de gelegenheid om in hun voordeel af te wijken van het forfaitaire waardeverminderingspercentage. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur, mits het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. De waardevermindering als gevolg van schade wordt aldus in aanmerking genomen tot het bedrag van de inkoopprijs. De inkoopprijs fungeert in zoverre als bodemwaarde. De rechtbank kan belanghebbende niet volgen in haar betoog dat deze tegenbewijsmogelijkheid illusoir, irreëel of onredelijk is. De rechtbank acht het juist reëel om voor het bepalen van de schade meer dan indicatieve betekenis toe te kennen aan de (tussen onafhankelijke derden) tot stand gekomen inkoopprijs en zonder meer aan te nemen dat het tegenbewijs is geleverd als sprake is van een lagere inkoopprijs. Dat in veel gevallen, zoals ook in deze zaak aan de orde is, de inkoopprijs van het voertuig de door belanghebbende verdedigde taxatiewaarde overstijgt, maakt de tegenbewijsregeling evenmin illusoir en hoeft belastingplichtigen er niet van te weerhouden om met ander bewijs (zoals verkoopfacturen of facturen van de reparaties) aannemelijk te maken dat de herstelkosten in hogere mate dan 31% in mindering dienen te komen op de waarde van het voertuig. De eis dat het tegenbewijs niet in algemene zin betrekking kan hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk bezwarend en maakt de tegenbewijsregeling evenmin illusoir, irreëel of onredelijk. Uit genoemd onderzoek volgt dat het waardeverliespercentage niet of nauwelijks wordt beïnvloed door autosegment, leeftijd of kilometrage van het motorrijtuig. De besluitgever heeft deze beperking van de tegenbewijsmogelijkheid in algemene zin dan ook voldoende onderbouwd en de beperking doet geen noemenswaardige afbreuk aan de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren van de werkelijke schade. De rechtbank acht de forfaitaire regeling en de tegenbewijsmogelijkheid ook niet strijdig artikel 110 VWEU. De rechtbank ziet derhalve geen reden om de Uitvoeringsregeling buiten toepassing te laten. Belanghebbende heeft niet voldaan aan het vereiste tegenbewijs, dus is er geen reden een hoger percentage dan 31 van de door verweerder begrote herstelkosten in aanmerking te nemen.


Is een waardevermindering wegens ‘geen oordeel kilometerstand’ op haar plaats?

25. Belanghebbende is van mening dat ‘geen oordeel kilometerstand’ een waardedrukkend effect heeft. Gelet op artikel 110 VWEU mag het niet zo zijn dat hieraan voorbij wordt gegaan.

26. De inspecteur is van mening dat dat de bewijslast inzake de gestelde waardevermindering bij belanghebbende ligt. Daarin slaagt belanghebbende volgens de inspecteur niet. Belanghebbende heeft geen individuele onderbouwing van de vermindering gegeven, maar slechts een beroep op een matrix gedaan. De inspecteur wijst erop dat er buiten de gebruikte koerslijst om geen reden is om een extra waardevermindering in acht te nemen. In de koerslijst zitten immers al auto’s met ‘geen oordeel kilometerstand’ verwerkt.

27. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, er tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat een waardevermindering wegens geen oordeel kilometerstand op haar plaats is, laat staan dat die vermindering € 3.800 moet zijn. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat een beroep op een matrix een onvoldoende onderbouwing van de voorgestane aftrek is.


Strijd met artikel 110 VWEU, gelet op referentievoertuig?

28. Belanghebbende heeft een auto van hetzelfde merk en type als referentievoertuig aangedragen, waarop volgens haar een BPM van € 43.934 heeft gedrukt. Belanghebbende wijst erop dat de voertuigen dezelfde RDW code, hetzelfde merk, dezelfde brandstofsoort, dezelfde motorinhoud, hetzelfde motorvermogen en dezelfde CO2-uitstoot hebben. Verder wijst belanghebbende erop dat het referentievoertuig reeds op 8 oktober 2021 in Nederland is geregistreerd en dat het zich daarmee dus reeds geruime tijd vóór het belastbare feit in het Nederlandse wagenpark bevond. Daarmee is volgens belanghebbende sprake van een concreet voertuig dat in de ogen van de consument naar objectieve kenmerken met het onderhavige voertuig concurreert en dat is genoeg om te spreken van gelijksoortigheid. Op basis daarvan meent belanghebbende dat de heffing strijdig is met artikel 110 VWEU.

29. De rechtbank overweegt dat de wettelijke bepalingen belastingplichtigen in staat stellen voor gebruikte personenauto’s, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto’s aan de hand van alle door hen relevant geachte gegevens de in artikel 10, lid 1, van de Wet BPM bedoelde vermindering te berekenen op een wijze die waarborgt dat in alle gevallen – in overeenstemming met artikel 110 VWEU – de verschuldigde BPM niet meer bedraagt dan de BPM die nog rust op het zogenoemde referentievoertuig. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat op het tijdstip van de registratie van het voertuig er in Nederland gebruikte motorrijtuigen in de handel waren (de zogenoemde referentievoertuigen) die gelijksoortig zijn aan de auto en waarop minder (rest-)BPM rust dan de door belanghebbende verschuldigde BPM.

30. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Met name op het punt van het uitrustingsniveau is onduidelijk gebleven of en in hoeverre het voertuig en het referentievoertuig soortgelijk zijn. Belanghebbende heeft op dit punt gesteld dat het voertuig en het referentievoertuig qua type en model hetzelfde zijn en verweerder heeft dit betwist en heeft daaraan toegevoegd dat onbekend is in welke staat het voertuig is ingevoerd. De rechtbank acht de onderbouwing van belanghebbende, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, onvoldoende om het referentievoertuig als gelijksoortig te beschouwen en belanghebbende te volgen in zijn betoog dat de door haar verschuldigde BPM dus te hoog is. Het beroep op artikel 110 VWEU faalt dan ook in zoverre.

31. De rechtbank is van oordeel dat de handelsinkoopwaarde van de auto door de inspecteur, na vermindering in bezwaar, niet te hoog is vastgesteld. Dit betekent dat de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft op € 6.140.


Vergoeding van immateriële schade

32. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.

33. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.

34. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 19 april 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 5 maanden langer dan twee jaar. Dat is afgerond naar boven één keer een half jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 50 (€ 50 per half jaar). De uitspraak op bezwaar is van 15 april 2025. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 5/6e deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 1/6e deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 42 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 8 aan belanghebbende te betalen.


Belastingrente

35. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.



Conclusie en gevolgen

36. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten, uitsluitend omdat het verzoek om vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen.


Proceskosten

37. Belanghebbende krijgt een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten van € 24, uitsluitend omdat het verzoek om vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen. De inspecteur en de Staat moeten hiervan ieder de helft betalen. In geschil is of de proceskosten op grond van artikel 19a van de Wet BPM moeten worden vermenigvuldigd met factor 0,10. De rechtbank is van oordeel dat de vermenigvuldigingsfactor 0,1 moet worden toegepast en licht dit oordeel als volgt toe.

38. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet BPM het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 19a, eerste en tweede lid, van de Wet BPM, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.

39. Het is aan (de gemachtigde van) belanghebbende om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hij sinds 1 januari 2024 niet meer op basis van no cure no pay optreedt. Volgens gemachtigde staat dit tevens op zijn website vermeldt. De gemachtigde heeft aan belanghebbende een factuur gestuurd ten bedrage van € 500 exclusief 21% omzetbelasting, in totaal dus € 605. Belanghebbende heeft die factuur daadwerkelijk betaald. Belanghebbende wijst verder op de volmacht waarin is opgenomen dat eventuele proceskostenvergoedingen en (immateriële) schadevergoedingen direct aan de volmachtgever (belanghebbende) worden overgemaakt. Daarnaast stelt hij dat hij door andere rechterlijke instanties ook al is aangemerkt als een bijzonder geval.
40. De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan. Zoals de Hoge Raad in haar arrest van 25 april 2025 heeft geoordeeld, gaat het bij de beoordeling van het bedrijfsmodel om de algemene wijze waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Het overleggen van slechts één factuur en één volmacht in deze specifieke zaak biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een eenduidig beeld van het bedrijfsmodel. Ook de verwijzing naar een vermelding op de website is onvoldoende. De betreffende vermelding is niet ingebracht en ook is niet inzichtelijk of die informatie ook al op de website stond ten tijde van het instellen van het beroep. Voor wat betreft de stelling dat de gemachtigde al eerder is aangemerkt als een bijzonder geval geldt het volgende. Gemachtigde heeft niet naar specifieke uitspraken verwezen en daardoor niet voldaan aan de op hem rustende substantiëringsplicht. De rechtbank kan dus niet vaststellen of dit juist is en zo ja, over welk jaar is geoordeeld en welke informatie daarbij is getoetst. De rechtbank ziet het niet als haar taak om met dergelijke beperkte informatie zelf op onderzoek uit te gaan. Er is dus niet voldaan aan de criteria uit het arrest van 17 januari 2025 om als bijzonder geval te kunnen worden aangemerkt. Artikel 19a, tweede lid, van de Wet BPM is daarom van toepassing. Dit betekent dat op het bedrag van de proceskostenvergoeding zoals dat voortvloeit uit het Bpb nog de factor 0,10 dient te worden toegepast.


Griffierecht

41. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 ziet de rechtbank geen reden de Staat en de inspecteur te gelasten het betaalde griffierecht te vergoeden.




Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 42;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 8;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 12 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 12 aan proceskosten aan belanghebbende.



Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 25 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.



Op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM).


ECLI:NL:HR:2025:46.


Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310.


Het betreft een onderzoek van onderzoeksbureau VMS | Insight (Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2022 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen (Eindejaarsregeling 2022), 2 december 2022, Stcrt. 2022, 33377, Nota van Toelichting onderdeel 2.10 en artikelsgewijze toelichting, Artikel XIV, onderdeel E).



https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?did=2022D&id=2022D38879




kst-32800-78.pdf



Staatscourant 2022, 33377, paragraaf 2.10


Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876, r.o. 4.14.


Zie ook HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:421, rechtsoverweging 2.4.2).


Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.


ECLI:NL:HR:2016:252.


Artikel 19a, derde lid, van de Wet BPM.


1 punt voor het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25 voor de zwaarte en de vermenigvuldigingsfactor 0,1; afgerond naar boven.


ECLI:NL:HR:2025:46.


Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507.


HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670.


Artikel 19a, tweede lid, letter b, van de Wet BPM.


Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567. Omdat de redelijke termijn op 31 mei 2024 nog niet was overschreden, is het overgangsrecht niet van toepassing en is de nieuwe regel uit dit arrest van toepassing op deze zaak.
Link naar deze uitspraak