Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:9747 
 
Datum uitspraak:23-09-2026
Datum gepubliceerd:05-10-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:C/13/789922 / HA ZA 26-59
Rechtsgebied:Burgerlijk procesrecht
Indicatie:Bevoegdheidsincident, relatieve bevoegdheid.
Trefwoorden:koopovereenkomst
overdrachtsbelasting
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/789922 / HA ZA 26-590


Vonnis in incident van 23 september 2026


in de zaak van




1 [eiseres 1] , 2. [eiseres 2] ,
beide wonende te [woonplaats 1] ,
eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident,
advocaat: mr. M.A.L.C. Wertenbroek,

tegen



[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,
advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt.

Partijen worden hierna [eiseressen] en [gedaagde] genoemd.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2026 met producties,
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid,
- de conclusie van antwoord in het incident met producties.



1.2.
Vervolgens is vandaag vonnis gewezen in het incident.





2De beoordeling in het incident


2.1.

[gedaagde] heeft aan [eiseressen] haar woning aan [adres 1] te [woonplaats 1] verkocht. In de hoofdzaak vordert [eiseressen] schadevergoeding in verband met non-conformiteit van de woning, dan wel stelt zij dat de koopovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen.



2.2.
In dit incident vordert [gedaagde] dat deze rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. [gedaagde] stelt dat de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd is. Zij doet een beroep op artikel 1:15 BW en stelt dat zowel op grond van artikel 15 en 4.1 in de koopovereenkomst van de woning als op grond van drie woonplaatskeuzes in de leveringsakte (op pagina 1 en 7) sprake is van een woonplaatskeuze in [plaats] . Tevens doet zij een beroep op artikel 103 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat de woning zich in [plaats] bevindt en de plaatselijke omstandigheden aldaar mogelijk relevant zijn in de hoofdzaak.



2.3.

[eiseressen] voert aan dat zowel de rechtbank Den Haag als de rechtbank Amsterdam bevoegd zijn. Daarmee is het aan [eiseressen] als eiseres in de hoofdzaak om te kiezen bij welke van de twee ze het geding aanhangig wil maken. [eiseressen] concludeert tot afwijzen van de vordering van [gedaagde] .



2.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 99 lid 1 Rv is de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd, tenzij de wet anders bepaalt. Het begrip ‘woonplaats’ wordt ingevuld aan de hand van de artikelen 1:10 tot en met 15 BW. Artikel 1:15 BW bepaalt dat een persoon een andere woonplaats dan zijn werkelijke kan kiezen bij schriftelijk (of langs elektronische weg) aangegane overeenkomst, voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen en indien voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is.



2.5.
De in de leveringsakte opgenomen woonplaatskeuzes brengen geen bevoegdheid in de hoofzaak van de rechtbank Den Haag mee. De eerste woonplaatskeuze waarop [gedaagde] een beroep doet komt van pagina 1 van de leveringsakte. Hier staat opgenomen dat “mevrouw [naam] , werkzaam op het kantoor van mij, notaris” domicilie kiest te: “te [postcode] [plaats] , [adres 2] ”. Het betreft hier dus een woonplaatskeuze van mevrouw [naam] en niet van [gedaagde] .
De tweede woonplaatskeuze op pagina 1 waar [gedaagde] een beroep op doet wordt slechts gedaan “terzake van de inschrijving ten kantore van de Dienst voor het kadaster en de landelijke openbare registers” waardoor deze woonplaatskeuze is beperkt tot de kadastrale inschrijving van de Leveringsakte en niet ziet op een geschil over de kwaliteit van de woning zoals in de hoofdzaak.
De derde woonplaatskeuze staat aan het slot van de leveringsakte op pagina 7 en luidt: “Terzake van de heffing van overdrachtsbelasting wordt woonplaats gekozen ten kantore van de bewaarder van deze akte.” Deze bepaling is beperkt tot de heffing van de overdrachtsbelasting en ziet dus ook niet op een geschil over de kwaliteit van de woning zoals in de hoofdzaak.



2.6.
In de koopovereenkomst is in artikel 15 een woonplaatskeuze in overeenstemming met de in artikel 1:15 BW gestelde eisen opgenomen. Hierin staat: “partijen kiezen ter zake van deze koopovereenkomst woonplaats ten kantore van de notaris.” Uit artikel 4.1 van de koopovereenkomst volgt dat de notaris in [plaats] is gevestigd. Een gevolg van deze woonplaatskeuze is dat de rechter in Den Haag bevoegd is geworden van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen.



2.7.
De vraag die vervolgens voorligt is of de woonplaatskeuze voor [plaats] ter zake de uitvoering van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst als een exclusieve bevoegdheid moet worden opgevat. Dit hangt af van de vraag met welk doel de woonplaatskeuze is gedaan, welk rechtsgevolg daaraan is verbonden en in wiens belang zij is gedaan. In dit geval strekt de bepaling over de woonplaatskeuze in het belang van beide partijen. Artikel 15 betreft een standaardbepaling uit het NVM-model koopovereenkomst. In de toelichting op deze standaardbepaling staat dat deze woonplaatskeuze vooral is bedoeld als achtervang als een van beide partijen bijvoorbeeld moeilijk bereikbaar is, of dat het handig kan zijn om een brief zowel naar het feitelijke woonadres als naar het adres van de woonplaatskeuze te sturen om te bewijzen dat een bepaalde brief is gestuurd. De rechtbank leidt hieruit af dat het doel van deze bepaling is om gemak te bieden aan beide partijen en niet uitsluitend strekt in het belang van [gedaagde] . Dit betekent dat [eiseressen] niet gehouden is om de gekozen woonplaats aan te houden. Zij kan zich dus ook richten tot [gedaagde] op grond van de algemene bepalingen over de woonplaats. Nu [woonplaats 2] de werkelijke woonplaats is van [gedaagde] , is de rechtbank Amsterdam ook bevoegd.



2.8.
Ook artikel 103 Rv levert geen exclusieve bevoegdheid voor de rechtbank Den Haag op. Dit artikel bepaalt immers dat dat de rechter binnen wiens rechtsgebied de zaak daarvan is gelegen, mede, bevoegd is.



2.9.
De rechtbank acht zich op grond van het voorgaande bevoegd om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak. De incidentele vordering zal worden afgewezen.



2.10.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiseressen] betalen. De proceskosten van [eiseressen] worden vastgesteld op € 842,-, bestaande uit € 653,- aan salaris advocaat (1 punt × € 653,-) en € 189,- aan nakosten, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing

De rechtbank


in het incident



3.1.
wijst de vordering van [gedaagde] af,



3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten [eiseressen] van € 842,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3.
verklaart bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


in de hoofdzaak




3.4.
verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde] ,



3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, rechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.




TM, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 52.
Link naar deze uitspraak