Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2776 
 
Datum uitspraak:29-09-2026
Datum gepubliceerd:08-10-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.339.498/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Aanneming van werk. Eindarrest, vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2026:336. Partijen zijn bij tussenarrest in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de financiële afwikkeling van de werkzaamheden die de aannemer voor de opdrachtgever heeft verricht. Het hof oordeelt dat moet worden afgerekend naar de stand van het werk, waarbij ook de daadwerkelijk door de aannemer gemaakte vaste kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
Trefwoorden:belastingrecht
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)

zaaknummer : 200.339.498/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/335122 / HA ZA 22-765


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026


in de zaak van


HOLLAND DAK ACCESSOIRES B.V.,
gevestigd te Haarlem,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. J. de Vries te Amsterdam,

tegen


TBK KLIMAAT B.V.,
gevestigd te Badhoevedorp,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. L. Bijl te Hoorn.


Partijen worden hierna HDA en TBK genoemd.





1De zaak in het kort

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de financiële afwikkeling van de werkzaamheden die HDA in opdracht van TBK heeft verricht. Het hof oordeelt dat moet worden afgerekend naar de stand van het werk, waarbij ook de daadwerkelijk door HDA gemaakte vaste kosten voor vergoeding in aanmerking komen.





2Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In deze zaak heeft het hof op 10 februari 2026 een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest). Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar het tussenarrest verwezen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte na tussenarrest, met productie, door HDA;
- antwoordakte, met productie, door TBK.

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.




3De verdere beoordeling


3.1.
Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de overeenkomst is geëindigd door opzegging door TBK. De grieven van HDA in het principale hoger beroep falen daarom en de eerste drie grieven van TBK in het incidentele hoger beroep slagen, voor zover zij daarin heeft betoogd dat zij de overeenkomst niet heeft opgezegd. Uit het feit dat beide partijen stellen dat de overeenkomst wel is geëindigd en zij zich ook dienovereenkomstig hebben gedragen, heeft het hof afgeleid dat zij (al dan niet stilzwijgend) een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten. Partijen hebben daarbij echter geen afspraken gemaakt over de wijze waarop tussen partijen moet worden afgerekend voor de door HDA verrichte werkzaamheden, terwijl ook de wet daarvoor geen regeling geeft. De tussen partijen gemaakte afspraken vertonen aldus een leemte die met behulp van de redelijkheid en billijkheid moet worden ingevuld. Omdat nog geen voldragen debat was gevoerd over de vraag welke vergoeding aan HDA toekomt, heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover bij akte uit te laten.



3.2.
HDA heeft in haar akte aangevoerd dat zij de kwalificatie als beëindigingsovereenkomst niet onderschrijft. Volgens haar maakt de feitelijke gang van zaken duidelijk dat het TBK is geweest die de samenwerking onmogelijk heeft gemaakt. Bij de invulling van de redelijkheid en billijkheid dient dat te worden meegewogen, aldus HDA.



3.3.
Voor zover HDA hiermee bedoelt het hof te vragen terug te komen van zijn oordeel zoals hierboven weergegeven (onder 3.1.) ziet het hof daartoe geen aanleiding. Het hof gaat (dus) uit van een einde van de overeenkomst met wederzijds goedvinden.



3.4.
HDA maakt primair aanspraak op de betaling van de aanneemsom minus de besparingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:764 lid 2 BW. Zij acht dat redelijk en billijk, omdat deze wijze van afrekening recht doet aan de gerechtvaardigde verwachtingen van beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst. Ook artikel 21.1 van de Voorwaarden vormt een aanwijzing voor hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst als redelijk hebben beschouwd, aldus HDA.



3.5.
Het hof volgt HDA hierin niet. Artikel 7:764 BW bepaalt immers – net als artikel 21.1 van de Voorwaarden – op welke wijze partijen moeten afrekenen in het geval waarin de opdrachtgever de overeenkomst heeft opgezegd. Dat TBK de overeenkomst heeft opgezegd en/of dat het einde van de overeenkomst aan haar toedoen is te wijten, is in deze zaak nu juist niet komen vast te staan. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om TBK op deze grond overeenkomstig artikel 7:764 BW te veroordelen tot betaling van de aanneemsom minus de besparingen.



3.6.
HDA acht – naar het hof begrijpt – afrekening overeenkomstig artikel 7:764 BW ook nog op een andere grond aangewezen. Zij betoogt in dat verband dat zij alle materialen voor de zes strangen heeft geproduceerd en op 29 augustus 2022 op de bouwplaats heeft afgeleverd. Na de aflevering had HDA geen feitelijke macht meer over de materialen, omdat ze op het dak van een hoog gebouw lagen dat eigendom was van een derde. TBK had die macht wel. Volgens HDA heeft TBK de materialen na de beëindiging van de overeenkomst gehouden en ze ter beschikking gesteld aan de opvolgende aannemer (Rogas), die ze heeft verwerkt in het gebouw althans heeft afgevoerd. Het in artikel 18.2.a van de Voorwaarden opgenomen eigendomsvoorbehoud staat bovendien niet aan toewijzing van haar vordering in de weg. HDA wijst erop dat – ongeacht hoe de levering van de materialen goederenrechtelijk wordt gekwalificeerd – zij de productiekosten van alle zes RVS-systemen en andere vaste kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. Hierom en omdat die kosten neerkomen op 70% van de aanneemsom, zou het niet redelijk en billijk zijn als HDA enkel een bedrag zou toekomen gelijk aan 1/6e van het totale offertebedrag, zoals het hof in het tussenarrest voorshands heeft overwogen, aldus nog steeds HDA.



3.7.
Het hof verwerpt dit betoog. Ook als het hof ervan uitgaat dat HDA de materialen voor alle zes de strangen heeft geproduceerd en op de bouwplaats heeft afgeleverd (wat TBK betwist), brengt dat niet met zich dat TBK de aanneemsom minus de besparingen moet betalen. Het hof passeert daarom het bewijsaanbod van TBK terzake, omdat die stelling, indien bewezen, niet tot een andere uitkomst leidt. Het hof licht dit oordeel hieronder nader toe.



3.8.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat HDA reeds bij aflevering van de materialen op de bouwplaats (het dak) geen feitelijke macht meer over de materialen had. HDA is na de aflevering immers begonnen met de uitvoering van haar werkzaamheden aan de eerste strang. Mogelijk bedoelt HDA dat zij na de beëindiging van de overeenkomst niet langer de feitelijke macht had over de materialen. Dat moge zo zijn, maar brengt op zichzelf nog geen verplichting tot betaling voor TBK op de door HDA voorgestane manier met zich. Dat zou anders kunnen zijn als TBK de materialen na beëindiging van de overeenkomst heeft gehouden en ter beschikking heeft gesteld aan Rogas, zoals HDA aanvoert. HDA heeft voor die conclusie echter – in het licht van de gemotiveerde betwisting door TBK – onvoldoende gesteld. Ook staat deze stelling van HDA, zoals TBK terecht heeft aangevoerd, haaks op de e-mails van TBK van 24 oktober 2022 en 1 november 2022. In die e-mails heeft TBK er juist bij HDA op aangedrongen dat zij haar materialen die nog op het dak stonden, kwam ophalen en dat zij (TBK) anders genoodzaakt was die materialen zelf af te voeren. HDA heeft niet gereageerd op deze berichten en heeft haar materialen niet opgehaald. Dit komt voor haar rekening en risico. Aan bewijslevering op dit punt wordt daarom niet toegekomen.



3.9.
HDA heeft zich in dit verband ook nog beroepen op artikel 9.2 sub d van de Voorwaarden. HDA stelt dat zij op grond van die bepaling niet verplicht was de materialen op te halen. Dit beroep baat HDA niet. Vast staat immers dat HDA de materialen niet heeft opgehaald. Anders dan HDA kennelijk veronderstelt, betekent de keuze van HDA om haar materialen niet op te halen (en om haar eigendomsvoorbehoud niet in te roepen) niet dat TBK moet betalen voor de niet-opgehaalde materialen. HDA wijst nog op enkele andere bepalingen uit de Voorwaarden maar die leiden evenmin tot die conclusie.



3.10.
De slotsom is dat het betoog van HDA om de financiële afwikkeling overeenkomstig artikel 7:764 BW vast te stellen, faalt.



3.11.
HDA heeft subsidiair betoogd dat zij recht heeft op vergoeding van de kosten die zij aantoonbaar heeft gemaakt. Het gaat om de volgende kosten:
a.) de materiaalkosten van strang 1: € 9.099,15
b.) de inmeetkosten (eenmalig): € 295,00
c.) de werkelijke kraankosten: € 2.071,70
d.) de montagekosten voor strang 1: € 2.080,00
Totale kosten: € 13.545,85
Af: aanbetaling: € 7.723,27
Restant: € 5.822,58.



3.12.
Het hof oordeelt als volgt. Deze kostenopstelling komt neer op een afrekening naar de stand van het werk, waarbij de daadwerkelijk gemaakte vaste kosten van HDA (posten b en c) ook voor vergoeding in aanmerking komen. Deze wijze van berekening is concreet en doet meer recht aan de uitgevoerde werkzaamheden dan de wat grovere (abstracte) benadering van 1/6e deel van de totale aanneemsom, waarvan het hof in het tussenarrest bij wege van voorlopig oordeel was uitgegaan en die TBK in haar akte primair heeft bepleit. Het hof acht deze door HDA voorgestelde wijze van afrekening in de omstandigheden van dit geval redelijk en billijk. Het hof begrijpt het subsidiaire standpunt van TBK zo dat zij dat ook vindt. Dit betekent dat HDA recht heeft op betaling van € 5.822,58 aan restant hoofdsom. Grief 4 van TBK, waarin van een andere wijze van berekening wordt uitgegaan, faalt.



3.13.
Zoals het hof al heeft geoordeeld in het tussenarrest, is TBK over de hoofdsom de contractuele rente en de contractuele incassokosten verschuldigd, omdat het een verplichting tot betaling van een geldsom betreft die voortvloeit uit de overeenkomst, waarop de artikelen 17.6 en 17.8 van de Voorwaarden van toepassing zijn. De grieven 5 en 6 van TBK nemen ten onrechte tot uitgangspunt dat HDA aanspraak maakt op de vergoeding van schade. In zoverre falen deze grieven dan ook. Wel brengt de omstandigheid dat het hof een lagere hoofdsom toewijsbaar acht dan de rechtbank mee dat ook een lager bedrag aan incassokosten verschuldigd is dan de rechtbank heeft vastgesteld. Het hof stelt dit bedrag vast op € 732,26. In zoverre slaagt grief 6 van TBK.



3.14.
TBK heeft tot slot veroordeling van HDA gevorderd tot terugbetaling aan haar van alles wat zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan HDA heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Deze vordering zal worden toegewezen op de in de beslissing vermelde wijze.


Slotsom, bewijsaanbod en kosten




3.15.
Het principale hoger beroep van HDA heeft geen succes. Het incidentele hoger beroep van TBK slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis wordt gedeeltelijk vernietigd. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg blijft bij deze stand van zaken – anders dan TBK met haar grief 7 betoogt – in stand. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van HDA (zie onder 3.7 en 3.8). Het hof ziet evenmin aanleiding om TBK toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. HDA zal worden veroordeeld in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep. Het hof stelt die kosten als volgt vast:


in principaal hoger beroep:
- griffierecht € 2.175,00
- salaris advocaat € 4.175,00 (tarief III x 2,5 punten)
Totaal € 6.350,00


in incidenteel hoger beroep:
- salaris advocaat € 1.612,50 (tarief II x 2,5 x 0,5 punten)
Totaal € 1.612,50.










4De beslissing

Het hof:


rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:



4.1.
vernietigt het bestreden vonnis onder 5.1;



4.2.
vernietigt het bestreden vonnis onder 5.2, voor zover TBK daarbij is veroordeeld tot betaling van meer dan € 5.822,58 aan hoofdsom, te vermeerderen met de contractuele jaarrente van 12% vanaf 22 oktober 2022 tot de dag van betaling;



4.3.
vernietigt het bestreden vonnis onder 5.3, voor zover TBK daarbij is veroordeeld tot betaling van meer dan € 732,26 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de contractuele jaarrente van 12% vanaf 19 december 2022;



4.4.
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het hof is voorgelegd, voor het overige;



4.5.
veroordeelt HDA tot terugbetaling aan TBK van al hetgeen TBK op grond van het bestreden vonnis meer heeft voldaan dan zij op grond van dit arrest verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door TBK tot de dag van terugbetaling door HDA;



4.6.
veroordeelt HDA in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 7.962,50, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;



4.7.
veroordeelt HDA tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;



4.8.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



4.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mr. M.J.R. Brons, mr. E.J. Bellaart en mr. I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
Link naar deze uitspraak