Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:4257 
 
Datum uitspraak:25-09-2026
Datum gepubliceerd:13-10-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:C/18/259165
Rechtsgebied:Intellectueel-eigendomsrecht
Indicatie:IE-recht in internationaal geschil. Stakingsvordering in kort geding afgewezen. Geen inbreuk op auteursrecht. Algemene voorwaarden, waarin wordt afgeweken van artikel 8 Auteurswet, niet van toepassing vanwege ontbreken aanbod en aanvaarding. Afdeling 6.5.3. BW niet van toepassing bij internationale overeenkomst (artikel 6:247 lid 2 BW).
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Assen

Zaaknummer: C/18/259165 / KG ZA 26-354


Vonnis in kort geding van 25 september 2026


in de zaak van


LOS COMPANEROS B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: LC,
advocaat: mr. A. Melsen,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

MONTI WERKZEUGE GMBH,
te Hennef (Duitsland),
gedaagde partij,
hierna te noemen: Monti,
advocaten: mr. M.W. Rijsdijk en mr. D.W. van Leeuwen.




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 20,
- het certificaat van betekening,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12,
- de producties 14 en 20 (aanvulling) en producties 21 tot en met 25 aan de zijde van LC,
- de productie 13 aan de zijde van Monti,
- de aankondiging eiswijziging op 11 september 2026,- de mondelinge behandeling van 11 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van LC met daarbij een schriftelijke eiswijziging,- de pleitnota van Monti.





2De feiten


2.1.
LC is een marketingonderneming. De marketingonderneming die door LC wordt gedreven, werd tot en met 15 januari 2025 gedreven door [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ), onder de handelsnaam [handelsnaam] . Op 16 januari 2025 heeft [bedrijfsnaam 1] haar onderneming verkocht en geleverd aan LC. Uit de overeenkomst volgt dat de koop onder meer het volgende omvat:

“(…) en alle overige tot de onderneming behorende vorderingen (debiteuren), zaken, (zakelijke en immateriële) rechten en kontraktuele verhoudingen, waaronder begrepen maar niet beperkt tot alle goodwill en alle intellectuele eigendomsrechten, waaronder maar niet beperkt tot auteursrechten op werken, handelsnaamrechten en/of anderszins, (…)”



2.2.
De algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam 1] , zoals opgenomen in productie 13 bij de dagvaarding, bepalen voor zover hier relevant onder meer:


“
Artikel 17 Auteursrechten



17.1

Alle [auteurs)rechten op alle resultaten van alle werkzaamheden die door [handelsnaam] zelf voor de opdrachtgever zijn verricht, berusten bij [handelsnaam] , tenzij tussen partijen [schriftelijk vooraf] anders wordt overeengekomen. De auteursrechten blijven ook bij [handelsnaam] berusten, indien de opdrachtgever of een derde, zonder dat sprake is van een schriftelijke overdracht van de auteursrechten, het werk als van hem afkomstig openbaar maakt als omschreven in artikel 8 auteurswet.




17.2


[handelsnaam] verleent de opdrachtgever het recht om de in dit artikel bedoelde resultaten gedurende de overeenkomst te gebruiken voor het doel en in een omvang zoals dat concreet tussen partijen voor ogen stond ten tijde van de acceptatie van de opdracht.(…)




17.4

Zonder dat sprake is van een schriftelijke overdracht van de auteursrechten is het opdrachtgever niet toegestaan wijzigingen in de in dit artikel bedoelde resultaten van [handelsnaam] aan te [doen] brengen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [handelsnaam] . [handelsnaam] zal deze toestemming niet op onredelijke gronden weigeren, doch zal tevens in de gelegenheid moeten worden gesteld op voor haar gebruikelijke condities, dergelijke wijzigingen zelf uit te [doen] voeren dan wel financieel worden gecompenseerd.(…)



Artikel 21 Afgifte materiaal


Alle materialen en alle digitale informatie en databestanden die betrekking hebben op de opdracht blijven eigendom van [handelsnaam] . Bij beëindiging van de relatie worden in overleg ter zake doende bestanden overgedragen tegen vergoeding van de te maken kosten. Dit echter slechts nadat opdrachtgever aan al zijn verplichtingen jegens [handelsnaam] heeft voldaan.”




2.3.

[bedrijfsnaam 1] (en later LC) heeft in de periode 2018 tot en met 2025 op regelmatige basis werkzaamheden op het gebied van marketing voor Monti verricht. Zo is er onder andere een merkidentiteit voor Monti ontwikkeld, zijn er afzonderlijke merken gecreëerd en zijn er huisstijlen ontwikkeld, zoals logo’s en slogans. In augustus 2025 is besloten om deze samenwerking te beëindigen. Partijen verschillen van mening over de vraag wie het initiatief daartoe heeft genomen.



2.4.
In een e-mail van 21 augustus 2025 van Monti aan LC stond onder meer:
“Transfer of Intellectual Property Rights

In consideration of the final payment, you confirm that:

 All intellectual property rights, including copyright, any logins, codes, hosting codes/ agreements, and usage rights, in any marketing materials, concepts, content, graphics, or other deliverables created during the course of our cooperation are exclusively and irrevocably transferred to the Client upon payment. (…)”


2.5.
Per brief van 28 augustus 2025 heeft LC onder andere een voorstel aan Monti gedaan tot een overname van alle intellectuele eigendomsrechten voor een bedrag van € 450.000,00.



2.6.
Per brief van 29 oktober 2025 heeft LC Monti verzocht om het gebruik van haar auteursrechtelijk beschermde werken binnen 45 dagen te staken en is aan Monti nogmaals een aanbod gedaan tot een overname van de auteursrechtelijk beschermde werken met bijbehorende auteursrechten. Bij deze brief zijn algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam 1] gevoegd.



2.7.
In de periode daarna hebben partijen meerdere keren met elkaar gecorrespondeerd, onder andere over de mate waarin sprake is van auteursrechtelijk beschermde werken, het al dan niet van toepassing zijn van de algemene voorwaarden en het bestaan van een gebruiksrecht van Monti. Verder heeft LC aangegeven bereid te zijn om een opzegtermijn van zes maanden te hanteren, tot eind april 2026.





3Het geschil


3.1.
LC vordert – samengevat – een gebod tot het staken van iedere inbreuk op haar auteursrechten en een gebod tot het binnen zeven dagen verwijderen van haar auteursrechtelijk beschermde werken, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag. Daarnaast vordert LC een voorschot op de door haar geleden schade van € 50.000,00, alsmede veroordeling van Monti in haar volledige proceskosten op grond van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna:Rv).



3.2.
LC legt aan deze vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. [bedrijfsnaam 1] heeft haar onderneming per 16 januari 2025 verkocht en geleverd aan LC, die de onderneming sindsdien voortzet. LC heeft 327 auteursrechtelijk beschermde werken voor Monti gecreëerd en deze mocht Monti gedurende de samenwerking gebruiken. Het auteursrecht op die werken bleef bij LC rusten op grond van artikel 17 van haar algemene voorwaarden. Sinds augustus 2025 is de samenwerking tussen partijen beëindigd, als gevolg waarvan het Monti niet langer is toegestaan om gebruik te blijven maken van de auteursrechtelijk beschermde werken. Monti heeft het gebruik van die werken desondanks niet beëindigd en maakt daarmee inbreuk op het auteursrecht van LC.



3.3.
Monti voert verweer. Monti concludeert tot afwijzing van de vorderingen van LC, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van LC in de redelijke en evenredige kosten van deze procedure ex artikel 1019h Rv.



3.4.
Monti voert – samengevat – het volgende aan. Monti betwist dat (alle) 327 genoemde werken auteursrechtelijk beschermd zijn. Ook als wel sprake is van auteursrechtelijk beschermde werken, betwist zij daarop een inbreuk te maken. Monti dient namelijk als auteursrechthebbende op die werken te worden beschouwd gelet op het bepaalde in artikel 8 van de Auteurswet (hierna: Aw). De algemene voorwaarden waar LC een beroep op doet, zijn niet van toepassing, zodat partijen niet zijn afgeweken van artikel 8 Aw. Ook als de algemene voorwaarden wel van toepassing zijn, wordt door Monti alsnog geen inbreuk op auteursrechten gemaakt aangezien zij beschikt over een (impliciet) gebruiksrecht. Tot slot betwist Monti de gestelde schade en het spoedeisende belang van LC en is de zaak volgens haar niet geschikt voor een kort geding procedure.

4. De beoordeling



Bevoegdheid




4.1.
Monti is in Duitsland gevestigd zodat de vordering een internationaal karakter heeft. Daarom moet eerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.



4.2.
De vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, moet worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I-bis).



4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat in onderhavige zaak sprake is van een bijzondere bevoegdheidsregel, namelijk die van artikel 7 lid 1 onder b Brussel I-bis. Aangezien LC haar dienst heeft verricht vanuit Emmen kan Monti voor de Nederlandse rechter worden opgeroepen. De voorzieningenrechter acht zich daarom bevoegd om van het geschil kennis te nemen, hetgeen overigens ook niet is betwist door Monti.


Nederlands recht




4.4.
Aangezien LC stelt dat inbreuk wordt gemaakt op haar intellectuele eigendomsrecht en zij bescherming vordert voor het gebruik in Nederland, is Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II). Ook dit is tussen partijen niet in geschil.


Wijziging van eis




4.5.
LC heeft haar eis gewijzigd op de dag van de mondelinge behandeling en daartegen is door Monti bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter zal de eiswijziging buiten beschouwing laten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde. Ter zitting heeft LC toegelicht dat zij met de wijziging wil voorkomen dat haar werken door Monti worden beschikbaar gesteld aan andere aan Monti gelieerde vennootschappen. Zoals ter zitting bleek, leidt de eiswijziging tot meerdere vragen, waaronder de vraag of Monti wel opdrachtgever is geweest van alle door LC gerealiseerde werken en zo ja welke van de 327 dat zijn. Ook is niet duidelijk op basis waarvan Monti het in haar macht heeft om het gebruik door andere vennootschappen te verbieden. Uit de eiswijziging blijkt immers niet dat het inbreukverbod alleen betrekking heeft op de werken die zijn gerealiseerd in opdrachten waarbij Monti zélf de opdrachtgever is geweest. Door een dergelijke wijziging nog op de mondelinge behandeling in te dienen, heeft Monti onvoldoende tijd gehad om daarop volledig verweer te kunnen voeren.


Stakings- en verwijderingsgebod




4.6.
De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening ten aanzien van het stakings- en verwijderingsgebod gegeven, aangezien de gestelde inbreuk op het auteursrecht voortduurt.


4.7.
De voorzieningenrechter stelt bij de verdere beoordeling voorop dat de gevraagde voorziening zeer ingrijpend van aard is. Het toewijzen van het stakings- en verwijderingsgebod betekent feitelijk dat de bedrijfsvoering van Monti wordt stilgelegd. De voorzieningenrechter moet beoordelen of met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de vorderingen van LC in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van een dergelijke ingrijpende voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kortgedingprocedure past bij die beoordeling geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering.



4.8.
Monti heeft als meest verstrekkende verweren tegen de gestelde auteursrechtinbreuk aangevoerd dat geen sprake is van auteursrechtelijk beschermde werken en dat LC daarop ook niet de auteursrechthebbende is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het de grenzen van dit kort geding te buiten om van alle 327 door LC genoemde werken per afzonderlijk werk te beoordelen of al dan niet sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk, hoewel de voorzieningenrechter voorshands wel wil aannemen dat een substantieel deel daarvan auteursrechtelijk beschermd zou kunnen zijn. Dit verweer kan in dit kort geding echter onbesproken blijven, omdat, aangenomen dat sprake is van auteursrechtelijk beschermde werken, daar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen inbreuk wordt gemaakt door Monti. Dit zal hieronder worden toegelicht.



4.9.
In de overeenkomst tussen [bedrijfsnaam 1] en LC (r.o. 2.1) zijn de auteursrechten van [bedrijfsnaam 1] aan LC overgedragen. Aan de hand daarvan stelt LC zich op het standpunt dat zij rechthebbende is op de auteursrechten van de werken die door [bedrijfsnaam 1] zijn gerealiseerd. Om die reden moet eerst worden vastgesteld of het auteursrecht op die werken bij [bedrijfsnaam 1] rustte en dus overgedragen kón worden. Volgens LC is daarvan sprake, onder verwijzing naar artikel 17 van de algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam 1] . Monti betwist dit omdat de algemene voorwaarden volgens haar niet van toepassing zijn, zodat zij zelf auteursrechthebbende is op grond van artikel 8 Aw.



4.10.
In dat kader overweegt de voorzieningenrechter allereerst als volgt. Artikel 8 Aw bepaalt – kort gezegd – dat wanneer een vennootschap een werk als van haar afkomstig openbaar maakt zonder dat zij daarbij een ander (natuurlijk) persoon als maker heeft vermeld, de vennootschap als de maker van het werk wordt beschouwd, tenzij de openbaarmaking onrechtmatig was. Monti heeft onweersproken aangevoerd dat zij al het door [bedrijfsnaam 1] (en later LC) gerealiseerde werk openbaar heeft gemaakt, zonder daarbij hun namen als maker te noemen. Als artikel 8 Aw van toepassing is, betekent dit dat Monti de auteursrechthebbende is op dat werk (de “fictieve maker”) en dat zij het werk mag blijven gebruiken. Artikel 8 Aw is echter van regelend recht zodat hierover andersluidende afspraken kunnen worden gemaakt. LC stelt dat daarvan sprake is, onder verwijzing naar artikel 17 van de algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam 1] . In dat verband dient allereerst te worden beoordeeld of de betreffende algemene voorwaarden van toepassing zijn, aangezien dit door Monti wordt betwist.



4.11.
Bij de beoordeling van de vraag of de algemene voorwaarden van toepassing zijn, is in de eerste plaats het volgende van belang. Er is in onderhavige zaak sprake van twee partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet beiden in Nederland zijn gevestigd zodat op grond van artikel 6:247 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het bepaalde in afdeling 6.5.3. BW niet van toepassing is.



4.12.
Monti heeft zich onder andere tegen de toepassing van de algemene voorwaarden verweerd met het standpunt dat de algemene voorwaarden niet aan haar ter hand zijn gesteld. Ter handstelling van de algemene voorwaarden is echter geen vereiste voor het van toepassing kunnen zijn van algemene voorwaarden (vgl. HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0730). Er dient namelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de vraag of de algemene voorwaarden van toepassing zijn en de vraag of deze, vanwege het ontbreken van terhandstelling, kunnen worden vernietigd. Van dat laatste kan in onderhavige zaak echter geen sprake zijn gelet op het internationale karakter, zoals hiervoor is overwogen (artikel 6:247 lid 2 BW).



4.13.
De vraag of de algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam 1] van toepassing zijn op de door haar uitgevoerde opdrachten dient beoordeeld te worden aan de hand van het leerstuk van aanbod en aanvaarding, zoals neergelegd in artikel 6:217 jo. 3:33 en 3:35 BW. Deze aanvaarding is op grond van artikel 3:37 lid 1 BW vormvrij en kan besloten liggen in een gedraging of stilzwijgend plaatsvinden. De stelplicht en – bij betwisting – de bewijslast rusten op LC als gebruiker van de algemene voorwaarden.



4.14.

[bedrijfsnaam 1] en Monti hebben jarenlang samengewerkt. Daarbij was geen sprake van één (schriftelijke) overeenkomst, maar van meerdere afzonderlijke opdrachtovereenkomsten. Voor zover Monti nog gesteld heeft dat sprake was van een duurovereenkomst, heeft zij die stelling niet nader onderbouwd. Niet duidelijk is welke rechten en plichten partijen op basis daarvan zouden hebben. Die stelling wordt dus verworpen, zodat het uitgangspunt is dat partijen zaken deden op basis van afzonderlijke overeenkomsten van opdracht. Ter onderbouwing van het standpunt dat op de afzonderlijke opdrachten steeds algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard, verwijst LC naar verwijzingen die [bedrijfsnaam 1] in de eerste jaren van de samenwerking heeft opgenomen in een viertal offertes, daterend uit 2018, 2020 en 2022 en naar diverse facturen uit 2018, 2019 en 2020 (productie 14 bij de dagvaarding). LC heeft toegelicht dat al vrij snel een “informele praktijk” ontstond waarin opdrachten per e-mail of telefoon werden verstrekt en een prijs werd afgestemd. Volgens LC zijn de algemene voorwaarden ook op die latere informeel verstrekte opdrachten van toepassing, vanwege de eerdere verwijzingen en de ontstane bestendige handelsrelatie tussen partijen.
Monti betwist een en ander. Zij betwist dat zij de offertes en facturen überhaupt heeft ontvangen en wijst erop dat de offertes niet zijn ondertekend. Bovendien is volgens Monti niet duidelijk aan wie de offertes en facturen zijn gestuurd en wordt verwezen naar verschillende sets voorwaarden. Tot slot geeft Monti aan dat zij de voorwaarden waarop nu een beroep wordt gedaan, pas heeft ontvangen toen partijen correspondeerden over het gebruik van de onderhavige werken nadat de samenwerking stopte.



4.15.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomsten van opdracht met Monti. Het stelselmatig verwijzen naar de toepasselijkheid van algemene voorwaarden op facturen – zonder dat daartegen geprotesteerd wordt – kan er onder omstandigheden toe leiden dat deze van toepassing worden op toekomstige handelstransacties (HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1390). Daarvan is de voorzieningenrechter in onderhavige procedure echter niet gebleken.



4.16.
LC heeft weliswaar een aantal facturen met verwijzingen overgelegd, maar Monti betwist de ontvangst daarvan, net als de ontvangst van de offertes. De voorzieningenrechter constateert dat de overgelegde offertes niet door Monti zijn ondertekend. LC heeft – zoals Monti terecht heeft aangevoerd – ook geen begeleidende brieven of e-mails bij die offertes en facturen overgelegd waaruit de verzending en ontvangst daarvan kan worden afgeleid. Daarmee heeft LC in onderhavige procedure onvoldoende onderbouwd dat de opdrachten die Monti aan [bedrijfsnaam 1] heeft gegeven, gebaseerd zijn op de offertes uit productie 14. Zij heeft ook onvoldoende onderbouwd dat de bewuste facturen door Monti zijn betaald, zodat daaruit evenmin de ontvangst van die offertes en facturen kan worden afgeleid. In dat verband valt op dat LC in productie 16 bij de dagvaarding bijna honderd “betaalde facturen” heeft toegevoegd, maar de facturen uit productie 14 komen daarin niet terug. Bovendien bevatten de betaalde facturen uit productie 16, waarvan door Monti is erkend dat deze door haar zijn betaald, geen verwijzing naar algemene voorwaarden, in tegenstelling tot de facturen in productie 14.



4.17.
Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat alle overgelegde offertes daadwerkelijk aan Monti zijn gericht en dus als aanbod aan Monti kunnen worden beschouwd. Niet in geschil is dat [bedrijfsnaam 1] ook opdrachten heeft uitgevoerd voor andere aan Monti gelieerde vennootschappen. Monti heeft ten aanzien van één van de offertes aangevoerd dat zij uit de tekst van de offerte afleidt dat deze offerte betrekking had op [bedrijfsnaam 2] B.V. Op het moment dat Monti niet de opdrachtgever voor een bepaalde opdracht is geweest, kan het aanbod, zou dat al zijn gedaan, ook niet jegens haar hebben gegolden. Verder bleek ter zitting dat het bestaan of de toepassing van algemene voorwaarden of van het beding in artikel 17 van de algemene voorwaarden ook nooit tussen partijen ter sprake is geweest, ondanks de grote impact van het bewuste beding op de bedrijfsvoering van Monti.



4.18.
Wat betreft het door [bedrijfsnaam 1] gestelde aanbod, waarbij naar de algemene voorwaarden als bedoeld in productie 13 zou zijn verwezen, overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. [bedrijfsnaam 1] heeft bij de verwijzing naar de algemene voorwaarden steeds andere benamingen gebruikt. Zo staat op de facturen dat “Leveringsvoorwaarden” zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel in Groningen, staat op één offerte dat haar “algemene voorwaarden” staan vermeld op de website www.lacompagnie.nl en staat op de overige drie offertes dat met ondertekening van de offerte ook akkoord wordt gegaan met haar “Algemene Voorwaarden”, te vinden op “haar website”. Monti voert aan dat uit de verwijzingen in de offertes niet volgt welke versies van de algemene voorwaarden destijds golden. LC stelt dat zij sinds 2009 dezelfde algemene voorwaarden hanteert. De voorzieningenrechter heeft echter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet kunnen vaststellen dat de algemene voorwaarden die in onderhavige zaak als productie 13 zijn overgelegd, dezelfde algemene voorwaarden zijn als waarnaar in die offertes en facturen verwezen wordt.



4.19.
Gelet op al deze omstandigheden in onderlinge samenhang kan in onderhavig kort geding niet worden aangenomen dat Monti een aanbod tot het van toepassing verklaren van de algemene voorwaarden (stilzwijgend) heeft aanvaard of dat [bedrijfsnaam 1] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Monti daarmee instemde. Daarbij geldt dat voor een nadere onderbouwing en bewijslevering geen ruimte is in een kort gedingprocedure. Aangezien in dit kort geding niet is komen vast te staan dat de algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam 1] van toepassing zijn op de opdrachtovereenkomsten met Monti, gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat Monti op grond van artikel 8 Aw als fictieve maker de auteursrechthebbende op de geleverde werken dient te worden beschouwd, ervan uitgaande dat die werken auteursrechtelijk beschermd zijn. Dat betekent dat [bedrijfsnaam 1] in de overeenkomst van 16 januari 2025 dus ook geen auteursrechten op die werken heeft kunnen overdragen aan LC.



4.20.
Voor wat betreft de opdrachten die na de ontbinding van [bedrijfsnaam 1] door LC zijn verricht, overweegt de voorzieningenrechter dat niet gebleken is dat [bedrijfsnaam 1] op basis van algemene voorwaarden als auteursgerechtigde zou hebben te gelden. Niet gesteld is dat LC zelf algemene voorwaarden ter hand heeft gesteld of daar zelfs maar naar heeft verwezen, waaruit zou blijken dat zij auteursgerechtigde is. In de verhouding tot [bedrijfsnaam 1] is niet is gebleken van toepasselijkheid van algemene voorwaarden, zodat LC ook geen beroep kan doen op opgewekt vertrouwen dat op haar opdrachten dezelfde algemene voorwaarden van toepassing zouden zijn.



4.21.
Tot slot stelde LC ter zitting nog dat uit de handelswijze van Monti volgt dat partijen een afzonderlijke afspraak hebben gemaakt op grond waarvan het auteursrecht bij LC zou blijven rusten. LC doelde hiermee op de e-mail van Monti van 21 augustus 2025 (r.o. 2.4) waarin Monti spreekt over “transfer of intellectual property rights”. Volgens LC dient uit die e-mail te worden afgeleid dat Monti wist het auteursrecht niet bij haar lag. Monti geeft een andere uitleg aan voornoemde e-mail, waarbij zij een dergelijke afspraak betwist. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Al zou Monti in de veronderstelling zijn geweest dat het auteursrecht op de werken niet bij haar lag, dan betekent dat nog niet dat die veronderstelling is gebaseerd op een tussen partijen overeengekomen afspraak. Het bestaan van een afspraak waarin partijen een van artikel 8 Aw afwijkende regeling zijn overeengekomen, is in onderhavig kort geding onvoldoende aannemelijk geworden. Voornoemde brief acht de voorzieningenrechter daarvoor als enige omstandigheid onvoldoende.



4.22.
Concluderend overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Aangezien in onderhavige procedure niet aannemelijk is geworden dat tussen partijen een van artikel 8 Aw afwijkende regeling is overeengekomen, ofwel in de algemene voorwaarden ofwel bij afzonderlijke afspraak, is niet aannemelijk geworden dat LC de auteursrechthebbende is op de 327 benoemde werken en dat daarop door Monti inbreuk wordt gemaakt, voor zover dit (allemaal) auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Voor het toewijzen van de door LC gevorderde ingrijpende maatregelen bestaat daarom geen grond. De voorzieningenrechter zal het stakingsgebod afwijzen, evenals het gebod tot verwijdering van de werken.


Schadevergoedingsvordering




4.23.
Aangezien de voorzieningenrechter hiervoor heeft geoordeeld dat het voorshands onvoldoende aannemelijk is dat inbreuk wordt gemaakt op een auteursrecht van LC, is ook niet gebleken van een recht op schadevergoeding. Het gevorderde voorschot op schadevergoeding wordt daarom eveneens afgewezen.


Ten overvloede




4.24.
Tot slot moet de voorzieningenrechter nog de volgende overweging ten overvloede van het hart. Hoewel in het onderhavige kort geding niet gebleken is van een inbreuk op auteursrechtelijk beschermde werken, geeft de voorzieningenrechter partijen wel nogmaals in overweging een minnelijk regeling te beproeven waarbij Monti de werken kan blijven gebruiken tegen een redelijke vergoeding en tegen redelijke voorwaarden. Dat zou een billijke oplossing zijn omdat de samenwerking langdurig, plezierig en informeel was. Een en ander te meer tegen de achtergrond van het feit dat partijen – zo erkennen zij ook allebei – tot aan de breuk met succes lange tijd intensief hebben samengewerkt. Het succes is het gevolg van die gezamenlijke inspanningen en dan zou het partijen sieren een billijke oplossing te vinden voor de ontstane situatie.


Proceskosten




4.25.
LC is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.
Monti maakt aanspraak op vergoeding van de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Volgens dat artikel wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de redelijke en evenredige gerechtskosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten gaat de voorzieningenrechter uit van de door de rechtbank gehanteerde Indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026). De voorzieningenrechter volgt partijen in het standpunt dat sprake is van een complexe zaak in kort geding. Volgens de Indicatietarieven kan in een dergelijke zaak maximaal € 30.000 aan proceskosten worden toegewezen. Monti heeft haar advocaatkosten ten bedrage van € 51.068,53 gespecificeerd en daartegen is door LC geen verweer gevoerd. De Indicatietarieven maken het mogelijk om in bijzondere gevallen een hoger bedrag dan het indicatietarief toe te wijzen, maar van een dergelijk geval is de voorzieningenrechter niet gebleken. Monti heeft ook niet onderbouwd waarom daarvan sprake zou zijn. De voorzieningenrechter zal de proceskosten daarom bepalen op € 30.000. LC wordt tot betaling daarvan veroordeeld, samen met een bedrag van € 3.083,00 aan griffierecht en € 189,00 aan nakosten, waarmee het totaalbedrag uitkomt op € 33.272,00 (plus de verhoging van de nakosten in geval van betekening zoals vermeld in de beslissing).



4.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.
wijst de vorderingen af,



5.2.
veroordeelt LC in de proceskosten ex artikel 1019h Rv van € 33.272,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als LC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt LC tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op25 september 2026.


721/NS
Link naar deze uitspraak