|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:6146 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | C/08/350049 FA RK 26-1804 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Zelfstandige verzoeken van vader tot opheffing OTS, vervangende toestemming paspoort, inschrijving school, wijziging hoofdverblijfplaats en vaststellen omgang. Niet-ontvankelijkheid omdat niet is ingediend met advocaat + afwijzing verzoek opheffing OTS. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummers: C/08/350049 FA RK 26-1804 en C/08/350084 / JE RK 26-1233
beschikking van 9 oktober 2026
inzake
[de vader],
verder te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1],
verzoeker,
en
[de moeder],
verdere te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2],
belanghebbende,
advocaat: mr. J. de Ruiter.
1Het procesverloop
In de zaak met zaaknummer C/08/350049 FA RK 26-1804
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoek van de vader, ontvangen op 18 juli 2026;
- een verwijzingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam d.d. 23 juli 2026;
- een gewijzigd verzoek van de vader, ontvangen op 10 augustus 2026;
- een brief van de vader van 1 oktober 2026.
In de zaak met zaaknummer C/08/350084 / JE RK 26-1233
1.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
het verzoek van de vader, ontvangen op 23 juli 2026;
een brief van de vader, ontvangen op 11 augustus 2026;
brieven van de vader, ontvangen op 12 augustus 2026;
brieven van de vader en [naam 2], ontvangen op 17 augustus 2026.
1.3.
De rechtbank heeft op 24 september 2026 met [kind 1] gesproken. [kind 2] heeft haar mening aan de rechtbank laten weten in een op 16 september 2026 ingekomen e-mail.
1.4.
De mondelinge behandeling heeft op 25 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:- de vader, - de moeder, bijgestaan door haar advocaat,- [naam 1] namens Stichting Jeugdbescherming Overijssel (hierna te noemen: de GI).
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn op 8 september 2009 met elkaar gehuwd.
2.2.
Zij hebben samen de volgende kinderen:
[kind 2]
, geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2008,
[kind 1]
, geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2010.
2.3.
De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind 2] en [kind 1]. [kind 2] en [kind 1] wonen bij de moeder.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 augustus 2026 [kind 1] onder toezicht gesteld van de GI tot 18 augustus 2027 en [kind 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 12 december 2026.
2.5.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 augustus 2026 ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind 1] bij de gezaghebbende moeder tot 18 augustus 2027.
3De verzoeken
In de zaak met zaaknummer C/08/350049 FA RK 26-1804
3.1.
De vader verzoekt vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een paspoort voor [kind 2] en [kind 1]. Na de mondelinge behandeling heeft de vader een brief naar de rechtbank gestuurd, waarin hij stelt [kind 2] te dagvaarden voor een gesprek met hem buiten aanwezigheid van de moeder.
In de zaak met zaaknummer C/08/350084 / JE RK 26-1233
3.2.
De vader verzoekt:
I. toestemming te verlenen tot inschrijving van [kind 1] op zijn adres in [plaats];
II. toestemming te verlenen tot de inschrijving van [kind 1] voor een school in [plaats];
III. de moeder uit het ouderlijk gezag over [kind 2] en [kind 1] te zetten en om haar onder ede het verhaal te laten vertellen;
IV. om contact met [kind 2];
V. de ondertoezichtstelling nietig te verklaren.
3.3.
De vader stelt dat [kind 1] graag bij hem in [plaats] wil wonen en dat hij daar naar school wil gaan. Het gaat niet goed tussen hem en de moeder. Zij hebben allebei gedragsproblemen en dat botst met elkaar. Ook vindt de vader dat [kind 1] achteruit is gegaan sinds de ondertoezichtstelling. De vader vindt het tot slot nodig dat [kind 1] een paspoort heeft voor het geval zij naar het buitenland willen gaan. Eerder wilden zij samen naar Engeland en dat kon niet met een ID-kaart.
4De standpunten
4.1.
[kind 2] geeft in haar e-mailbericht aan dat zij het niet nodig vindt dat een ID-kaart of paspoort wordt aangevraagd. Haar huidige ID-kaart is nog geldig tot 23 januari 2028. Een paspoort heeft ze niet nodig.
4.2.
[kind 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat zijn ID-kaart verloopt op 19 oktober. Het maakt hem niet uit of hij vervolgens een paspoort of ID-kaart krijgt, zolang het maar geregeld wordt. [kind 1] wil geen last meer hebben van ruzies en discussies tussen de ouders. Hij heeft daardoor al veel stress en hoofdpijn. Hij vertelt dat hij tussen de ouders in zit en dat hij het gevoel heeft dat hij veel moet regelen voor de ouders. Hij vindt het ook niet fijn dat de ouders negatief over elkaar praten. Het is voor hem fijn om hierover te praten met zijn therapeut bij de GGZ.
4.3.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Het gaat nu veel beter met [kind 1] bij haar thuis en de band tussen hem en haar is ook verbeterd. Wel maakt zij zich nog zorgen om hem. [kind 1] heeft gedragsproblemen en zit klem tussen de moeder en de vader. Zijn hoofd is vol en hij komt daardoor niet goed tot leren op school. De jeugdbeschermer is ook goed in contact met [kind 1]. De ondertoezichtstelling is daarom nog nodig. De moeder vindt een paspoort voor [kind 1] onnodig. Zij vindt het belangrijk dat [kind 1] een ID-kaart heeft zodat hij zich kan identificeren en die kan hij gemakkelijk aanvragen via DigiD.
5De beoordeling
In de zaak met zaaknummer C/08/350049 FA RK 26-1804
Vervangende toestemming paspoort
5.1.
De rechtbank begrijpt het verzoek van de vader aldus dat hij verzoekt vervangende toestemming te verlenen, ter vervanging van de moeder, voor de aanvraag van een paspoort voor [kind 2] en [kind 1] als bedoeld in het tweede lid van artikel 34 van de Paspoortwet.
Het wettelijk criterium
5.2.
Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de
bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. De rechter neemt op grond van het vijfde lid van het artikel een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Het oordeel
5.3.
De rechtbank zal het verzoek afwijzen en geen toestemming geven voor de aanvraag van een reisdocument (paspoort) voor [kind 2] en [kind 1]. De vader heeft onvoldoende gesteld waarom het nodig is dat [kind 2] en [kind 1] op dit moment een paspoort nodig hebben. De rechtbank begrijpt van de vader dat hij eerder naar het buitenland wilde gaan met [kind 1], maar dat er op dit moment geen concrete plannen zijn waarvoor [kind 1] nu een paspoort nodig zou hebben. [kind 2] heeft een ID-kaart die nog geruime tijd geldig is en [kind 1] zijn ID-kaart verloopt in oktober. Daarna kan hij zelf een nieuwe ID-kaart aanvragen, zonder dat daarvoor toestemming van zijn ouders nodig is. Dit voorkomt ook dat [kind 1] belast wordt met conflicten tussen zijn ouders over het aanvragen van een ID-kaart. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom afwijzen.
In de zaak met zaaknummer C/08/350084 / JE RK 26-1233
Opheffing ondertoezichtstelling
5.4.
De rechtbank begrijpt het verzoek van de vader tot laten vervallen van onder toezicht plaatsen aldus dat hij verzoekt de ondertoezichtstelling op te heffen als bedoeld in artikel 1:261 eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek.
Het wettelijk criterium
5.5.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen als de grond bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW niet langer wordt vervuld. Deze grond bestaat uit een ernstige ontwikkelingsbedreiging waarbij de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen. Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat opheffing van de ondertoezichtstelling kan worden gedaan op verzoek van de vader.
Het oordeel
5.6.
De kinderrechter zal het verzoek van de vader tot opheffing van de ondertoezichtstelling afwijzen. De vader heeft niet onderbouwd dat de ontwikkelingsbedreiging van [kind 1] is weggenomen en dat daarmee de grond voor de ondertoezichtstelling niet langer bestaat. Daar komt bij dat beide ouders de zorgen over [kind 1] juist erkennen. [kind 1] zit klem tussen zijn ouders, heeft erg last van de problematiek en spanningen tussen hen en vertoont hierdoor zorgelijk gedrag op school. Die zorgen zijn ook naar voren gekomen tijdens het gesprek met [kind 1]. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de ontwikkelingsbedreiging inmiddels is weggenomen. De grond voor de ondertoezichtstelling bestaat dan ook nog steeds. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling van [kind 1] voortduurt tot deze afloopt op 18 augustus 2027.
De overige verzoeken
5.7.
De overige verzoeken van de vader kunnen op grond van artikel 278 derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) alleen (schriftelijk) door een advocaat namens de vader worden ingediend. Een ruime tijd voor de zitting is de vader daarop door de griffie gewezen per brief. Hij heeft daarna geen advocaat meer geregeld. Nu deze verzoeken niet door een advocaat, maar door de vader zelf is ingediend, zal de rechtbank hem niet-ontvankelijk verklaren in deze verzoeken. Voor zover vader zijn verzoek met zijn na de zitting binnengekomen bericht nog heeft willen aanvullen is hij daarin, niet-ontvankelijk, omdat het onderzoek op zitting al was gesloten. Bovendien had de vader ook dat verzoek via een advocaat moeten indienen.
De beslissingen delen
5.8.
De rechtbank merkt nog op dat [kind 1] tijdens het gesprek met de kinderrechter aangaf de beslissing graag terug te willen horen van de ouder bij wie hij dan op dat moment is. De rechtbank vertrouwt erop dat dat gebeurt.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
wijst af het verzoek van de vader tot vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort voor [kind 2] en [kind 1];
6.2.
wijst af het verzoek van de vader tot opheffing van de ondertoezichtstelling;
6.3.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn overige verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Mul, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026 in tegenwoordigheid van mr. S. Mahmoud, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|