|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:9360 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 26/140 en 26/2677 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen een omgevingsvergunning voor het bouwen van een garage en een omgevingsvergunning voor het creëren van een uitweg. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | burgerlijk wetboek | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | stallen | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: 26/140 en 26/2677
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. N.M. Dik en mr. B.B. van Vliet),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, het college.
Als vergunninghouder neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] ,
(gemachtigde: mr. R.J. Kitsz).
Inleiding
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 24 november 2025 (bestreden besluit I), over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een garage op het perceel aan [adres 1] in [plaats] . De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer 26/140.
Eiser heeft daarnaast beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 9 maart 2026 (bestreden besluit II), over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tweede uitrit op hetzelfde perceel. De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer 26/2677.
De rechtbank heeft de beroepen op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser was samen met mr. B.B. van Vliet aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] . Vergunninghouder was – na voorafgaand bericht van verhindering – niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
1. De feiten
1.1.
Eiser is eigenaar van de woning aan [adres 2] in [plaats] . Vergunninghouder is eigenaar van het perceel aan [adres 1] in [plaats] (hierna: het perceel).
Omgevingsvergunning voor het bouwen van de garage
1.2.
Vergunninghouder heeft op 15 januari 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een garage op het perceel.
1.3.
Bij besluit van 11 april 2025 (primair besluit I) heeft het college daar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor verleend.
1.4.
Eiser heeft daar op 10 mei 2025 bezwaar tegen gemaakt.
1.5.
Bij bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering.
1.6.
Eiser heeft daar op 30 december 2025 beroep tegen ingesteld.
Omgevingsvergunning voor het realiseren van een tweede uitrit
1.7.
Vergunninghouder heeft op 22 juli 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een tweede uitrit op het perceel.
1.8.
Bij besluit van 1 september 2025 (primair besluit II) heeft het college daar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor verleend.
1.9.
Eiser heeft daar op 1 oktober 2025 bezwaar tegen gemaakt.
1.10.
Bij bestreden besluit II heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het college heeft primair besluit II herroepen en heeft een nieuwe omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend.
1.11.
Eiser heeft daar op 20 april 2026 beroep tegen ingesteld.
2. Wettelijk kader
2.1.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Omgevingswet (Ow)
2.2.
In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij de Ow onder andere gedefinieerd als een activiteit in strijd met het omgevingsplan.
2.3.
De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige (‘zonder onevenredige gevolgen voor de fysieke leefomgeving’) toedeling van functies aan locaties.
2.4.
Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Altena onder andere uit ‘een tijdelijk deel’. Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd door de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op het perceel van toepassing was. Dit was het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’, waarin aan de relevante delen van het perceel (voor zover daarop de garage en uitrit worden gerealiseerd) de functie ‘Tuin’ is toegekend. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn volgens de planregels bestemd voor tuinen, met de daarbij behorende: waterlopen, waterpartijen en waterberging, waterhuishoudkundige- en waterstaatsdoeleinden en parkeervoorzieningen. Op of in deze gronden mogen worden gebouwd: bijgebouwen, zoals erkers en serres uitsluitend in aansluiting op woningen en een vrijstaand bijgebouw ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'.
2.5.
Op grond van de Ow zijn in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beoordelingsregels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
2.6.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Altena (APV)
2.7.
In artikel 2:12 van de APV staat dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.8.
Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling op grond van artikel 22.8 van de Ow als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a. In artikel 2.7, eerste lid, van de Ow staat dat in het Omgevingsbesluit (Ob) gevallen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Artikel 2.1, eerste lid, van het Ob bevat de aanwijzing van gevallen. In algemene termen is daarin bepaald dat decentrale regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen, uitsluitend in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Onder het ‘wijzigen van de fysieke leefomgeving’ wordt in de nota van toelichting bij de Invoeringswet Omgevingswet verstaan: regels over activiteiten die direct ingrijpen in de fysieke leefomgeving en die een ‘tastbare’ en ‘blijvende’ verandering in de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben, zowel boven- als ondergronds. Het realiseren van een uitrit heeft een tastbare en blijvende verandering in de fysieke leefomgeving tot gevolg. Gelet daarop is primair besluit II ook een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
2.9.
Zoals de rechtbank in overweging 2.5 heeft overwogen zijn in het Bkl beoordelingsregels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning. Daar staat geen bepaling waaruit blijkt dat de beoordelingsregels uit de APV blijven gelden. Het spreekt echter volgens de memorie van toelichting voor zich dat de voor de verlening van een ontheffing in de betrokken autonome verordening opgenomen beoordelingsregels ook blijven gelden tot de bepalingen zijn overgeheveld naar het omgevingsplan.
2.10.
In artikel 2:12, tweede lid, van de APV staat dat een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitweg kan worden geweigerd in het belang van de bruikbaarheid van de weg, het veilig en doelmatig gebruik van de weg, de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
2.11.
Het college heeft het Uitrittenbeleid Gemeente Altena 2023 (hierna: Uitrittenbeleid) vastgesteld. Het uitrittenbeleid is een nadere aanvulling op de regels in de APV over de uitwegen in de gemeente Altena. In hoofdstuk 3 van het Uitrittenbeleid beschrijft het college de uitleg die het college aan de in overweging 2.10 genoemde weigeringsgronden geeft.
3. De omgevingsvergunningen
3.1.
Uit bestreden besluit I blijkt dat het college een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit heeft verleend, voor het bouwen van een garage op het perceel. Het college stelt voorop dat een parkeervoorziening – zoals een garage – is toegestaan binnen de functie ‘Tuin’. Op grond van artikel 13.2.1 van de planregels is het volgens het college ook toegestaan om een bijgebouw te bouwen. Het bouwplan is volgens het college in strijd met de bouwregels voor bijgebouwen uit artikel 13.2.2 van de planregels. Het college heeft door middel van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toestemming verleend voor die strijdigheid, omdat het college dat in overeenstemming acht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.2.
Uit bestreden besluit II blijkt dat het college ook een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit heeft verleend, voor het realiseren van een tweede uitrit. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend, omdat zich volgens het college geen weigeringsgronden voordoen en omdat wordt voldaan aan het Uitrittenbeleid.
4. Ambtshalve toetsing: bindend advies
4.1.
In artikel 16.16 van de Ow is bepaald dat het college in een aantal gevallen slechts tot vergunningverlening mag overgaan als andere bestuursorganen een instemmend advies hebben gegeven. Artikel 16.15a, onder b, onder 1, van de Ow bepaalt dat de gemeenteraad – bij een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning – als adviseur geraadpleegd moet worden in de door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 16.15b van de Ow staat dat het advies van de gemeenteraadraad door het college in acht moet worden genomen. Dit artikel laat geen ruimte voor het college om anders te beslissen dan conform het advies van de gemeenteraad.
4.2.
Als een college ten onrechte de gemeenteraad niet om advies vraagt, ontbreekt de bevoegdheid van het college om op de vergunningaanvraag te beslissen. Gelet daarop dient de rechtbank steeds ambtshalve te beoordelen of het in artikel 16.15a, onder b, onder 1 bedoelde aanwijzingsbesluit voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in een concreet geval noopt tot een adviesrecht van de gemeenteraad.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat voor het verlenen van de omgevingsvergunningen voor deze omgevingsplanactiviteiten geen bindend advies was vereist van de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft de gevallen waarvoor een bindend advies is vereist vastgesteld in het ‘Besluit toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure, advies en participatie omgevingsvergunningen Altena’. Het college heeft redelijkerwijs kunnen besluiten dat voor het bouwen van de garage en het creëren van een tweede uitrit op grond van die lijst geen bindend advies is vereist. De rechtbank is niet gebleken dat die activiteiten onder één van de daarin genoemde categorieën valt. Die categorieën zien op omvangrijkere projecten zoals het realiseren van een zonnepark van 3 hectare, het plaatsen van één of meer windmolens, het bouwen van vijfentwintig of meer woningen, bedrijventerreinen van meer dan 2 hectare en de vestiging van een asielzoekerscentrum.
5. Beoordeling bestreden besluit I
5.1.
Het college heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend, voor het bouwen van de garage op het perceel.
5.2.
Gronden
5.2.1.
Eiser heeft aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte heeft verleend. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiser – kort samengevat – de volgende beroepsgronden aangevoerd.
5.2.2.
Eiser heeft aangevoerd dat vergunninghouder geen belanghebbende was bij het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning, omdat het bouwplan gelet op een erfdienstbaarheid niet verwezenlijkt kan worden. Gelet op diezelfde erfdienstbaarheid is volgens eiser ook sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
5.2.3.
Verder heeft eiser aangevoerd dat het bouwplan (op meer punten) in strijd is met het omgevingsplan en dat het college daar geen toestemming voor heeft verleend. Volgens eiser heeft het college ook geen toestemming kunnen verlenen voor de strijdigheden met het omgevingsplan, omdat dit niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.3.
Erfdienstbaarheid
5.3.1.
Eiser heeft aangevoerd dat op het perceel aan [adres 1] een erfdienstbaarheid rust. Volgens eiser was vergunninghouder geen belanghebbende bij een besluit op zijn aanvraag om een omgevingsvergunning, omdat het bouwplan als gevolg van die erfdienstbaarheid niet verwezenlijkt kan worden. Het college had de aanvraag daarom buiten toepassing moeten laten. Daarnaast had het college de omgevingsvergunning ook niet kunnen verlenen, omdat vanwege de erfdienstbaarheid sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Op alle percelen aan de [straat 1] is bij de uitgifte van de percelen in 1967 een erfdienstbaarheid gevestigd. Die erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van de eigenaren van alle percelen aan de [straat 1] . Op grond van die erfdienstbaarheid mag de tuin aan [adres 1] niet bebouwd worden. Eiser heeft – als eigenaar van [adres 2] – geen toestemming gegeven voor een afwijking van die erfdienstbaarheid. Zonder vervangende toestemming van de civiele rechter kan het bouwplan niet worden verwezenlijkt. Volgens eiser is die privaatrechtelijke belemmering evident, omdat uit de letterlijke bewoordingen van de erfdienstbaarheid volgt dat het perceel onbebouwd dient te blijven. Het college was ook op de hoogte van de erfdienstbaarheid.
5.3.2.
In artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat onder aanvraag wordt verstaand: ‘een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen’. Uit die bepaling blijkt dat een aanvraag uitsluitend gedaan kan worden door een belanghebbende. Als hoofdregel geldt dat een aanvrager om een vergunning in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op zijn verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek om het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende hiervoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in, dan is de verzoeker geen belanghebbende. In dat geval is diens verzoek om de vergunning geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
5.3.3.
Een privaatrechtelijke belemmering kan daarnaast in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het omgevingsplan. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven. De aanwezigheid van een zakelijk recht, zoals een erfdienstbaarheid, is in beginsel voor de uitvoerbaarheid van een bouwplan niet doorslaggevend. Dit is alleen anders, als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwplan leidt tot strijd met het zakelijke recht en ook vaststaat dat niet tot opheffing of wijziging van het zakelijk recht kan worden overgegaan.
5.3.4.
De rechtbank is van oordeel dat vergunninghouder belanghebbende was bij zijn aanvraag en dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Een erfdienstbaarheid is een last, waarmee een onroerende zaak - het dienende erf - ten behoeve van een andere onroerende zaak - het heersende erf - is bezwaard. De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging. Ongeacht het antwoord op de vraag of de door eiser gestelde erfdienstbaarheid is gevestigd op het perceel, stelt de rechtbank vast dat er mogelijkheden zijn voor vergunninghouder om de civiele rechter te verzoeken om opheffing van die gestelde erfdienstbaarheid. Uit artikel 5:78 en 5:79 van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijkt dat de civiele rechter de erfdienstbaarheid op verzoek van het dienende erf (vergunninghouder) kan opheffen. Dat kan onder andere indien ten minste 20 jaren na het ontstaan van de erfdienstbaarheid zijn verlopen en het ongewijzigd voortbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang. Uit de in overweging 5.3.3 genoemde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) blijkt dat de erfdienstbaarheid in dat geval geen privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter oplevert die in de weg staat aan het verlenen van de omgevingsvergunning. Onder deze omstandigheden kan ook niet op voorhand worden vastgesteld dat de garage niet kan worden gerealiseerd.
5.4.
Strijd met het omgevingsplan
5.4.1.
Eiser heeft verder aangevoerd dat uit bestreden besluit I niet blijkt dat een omgevingsvergunning is verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit de planregels blijkt dat de tuin gebruikt mag worden voor ‘bijbehorende parkeervoorzieningen’. Daar worden onbebouwde parkeervoorzieningen mee bedoeld. Daarnaast is het bouwplan in strijd met de bouwregels, omdat geen sprake is van een erker of serre in aansluiting op de woning en ook geen aanduiding ‘bijgebouw’ aan het perceel is toegekend.
5.4.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit bestreden besluit I wel blijkt dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend. De rechtbank is van oordeel dat het college in bestreden besluit I echter onvoldoende heeft gemotiveerd voor welke specifieke strijdigheden met het omgevingsplan de omgevingsvergunning is verleend. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
5.4.3.
Uit bestreden besluit I blijkt dat het bouwplan volgens het college in strijd is met artikel 13.2.2 van de planregels. In die planregel staan de bouwregels opgenomen die gelden voor bijgebouwen. In bestreden besluit I wordt echter op geen enkele wijze toegelicht waarom het bouwplan daarmee in strijd is en met welke specifieke bouwregel (a t/m h?) het bouwplan in strijd is. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het bouwplan in strijd is met de bouwregels die onder a, d, en g, staan genoemd in die planregel. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet in strijd kan zijn met de bouwregel ‘onder g’. Daarin staat een bouwregel die geldt voor aangebouwde bijgebouwen. Het bouwplan ziet echter op de realisering van een vrijstaand bijgebouw’. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het college heeft bedoeld om toestemming te verlenen voor het afwijken van de volgende bouwregels:
de breedte bedraagt aan de voorzijde maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw tot maximaal 3,5 m (onder a);
de maximale diepte bedraagt 25% van de diepte van de gronden met de bestemming 'Tuin', met een maximum van 1,5 m (onder d).
5.4.4.
Daarnaast concludeert het college in bestreden besluit I dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 13.1 en 13.2.1 van de planregels. Het college verwijst voor de motivering van het besluit echter ook naar het advies van de ‘Vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften’ (hierna: commissie), waarin wordt geconcludeerd dat het bouwplan daar wel mee in strijd is. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen besluiten dat het gebruiken van een deel van het perceel als garage niet in strijd is met artikel 13.1, van de planregels, omdat daarin staat dat het perceel bestemd is voor tuinen en daarbij behorende voorzieningen, zoals een parkeervoorziening. Het college heeft echter ten onrechte besloten dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 13.2.1, onder b, van de planregels, omdat vrijstaande bijgebouwen uitsluitend op het perceel mogen worden gebouwd voor zover de aanduiding ‘bijgebouw’ aan het perceel is toegekend. Een dergelijke aanduiding is niet aan het perceel toegekend. Het college heeft ten onrechte besloten dat de garage mag worden gebouwd op grond van artikel 13.2.1, onder a, van de planregels. In die bepaling staat dat op het perceel mag worden gebouwd: ‘bijgebouwen, zoals erkers en serres uitsluitend in aansluiting op woningen’. De garage wordt echter niet in aansluiting op de woning gerealiseerd. Volgens het college geldt ‘de aansluiting op de woning’ niet als vereiste voor alle bijgebouwen. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen. Als de planwetgever met artikel 13.2.1, onder a, van de planregels had bedoeld dat het ging om alle soorten bijgebouwen (aansluitende en vrijstaande) had de planwetgever in artikel 13.2.1, onder b, van de planregels niet hoeven opnemen dat vrijstaande bijgebouwen uitsluitend zijn toegestaan bij een aanduiding ‘bijgebouwen’.
5.4.5.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het bouwplan in strijd is met
artikel 13.2.2, onder a en onder d, en artikel 13.2.1, onder b, van de planregels. Het college heeft in bestreden besluit I onvoldoende gemotiveerd dat de omgevingsvergunning voor al die afwijkingen van het omgevingsplan is verleend. De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit I daarom gegrond verklaren en zal bestreden besluit I vernietigen. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van bestreden besluit I in stand te laten. De rechtbank licht dit hierna toe.
5.4.6.
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het buitenplans afwijken van het omgevingsplan. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een dergelijke buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft in bestreden besluit I niet uitsluitend gemotiveerd dat de door hem vastgestelde strijdigheden met het omgevingsplan in overeenstemming zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft in bestreden besluit I gemotiveerd waarom het bouwen en het aanwezig zijn van de garage op die plaats op het perceel – waarin de door de rechtbank vastgestelde strijdigheden met het omgevingsplan verdisconteerd zitten – in overeenstemming zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft verwezen naar een stedenbouwkundig advies van 23 juli 2025 en heeft in bestreden besluit I gemotiveerd toegelicht dat het bouwplan stedenbouwkundig aanvaardbaar kan worden geacht. Eiser stelt naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte dat de belangen van omwonenden – bij het behoud van groen, uitzicht, verkeersveiligheid, privacy en waardevermindering – onvoldoende zijn meegewogen. Het college verwijst voor de motivering van het besluit naar het advies van de commissie, waaruit blijkt dat de belangen van eiser zijn meegewogen. In dat advies is ook voldoende gemotiveerd waarom geen onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de belangen van eiser. De garage zal op meer dan twee meter afstand van de woning van eiser worden gerealiseerd, waardoor het college aannemelijk heeft kunnen achten dat geen onaanvaardbare inbreuk zal worden gemaakt op de privacy van de bewoners van [adres 2] . Een garage kenmerkt zich er ook door dat deze uitsluitend op enkele en korte momenten per dag zal worden gebruikt. Daarnaast is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat er geen recht op onaangetast uitzicht bestaat en stelt de rechtbank vast dat het overgrote deel van de tuin groen blijft. De verkeersveiligheid heeft het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de tweede uitrit (primair en bestreden besluit II) beoordeeld. Eiser heeft ook niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat zijn woning in waarde zal dalen als gevolg van de bouw van de garage.
5.5.
Conclusie beroep tegen bestreden besluit I
5.5.1.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I gegrond verklaren. De rechtbank zal bestreden besluit I vernietigen en bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven.
5.5.2.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.
5.5.3.
De rechtbank zal het college ook veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,‑ en wegingsfactor 1).
6. Beoordeling beroep tegen bestreden besluit II
6.1.
Het college heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend, voor het realiseren van een tweede uitweg op het perceel.
6.2.
Gronden
6.2.1.
Eiser heeft aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning voor het realiseren van de uitrit ten onrechte heeft verleend. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiser – kort samengevat – de volgende argumenten aangevoerd.
6.2.2.
Eiser heeft aangevoerd dat vergunninghouder geen belanghebbende was bij het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning, omdat het bouwplan gelet op een erfdienstbaarheid niet verwezenlijkt kan worden. Gelet op diezelfde erfdienstbaarheid is volgens eiser ook sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
6.2.3.
Verder heeft eiser aangevoerd dat de omgevingsvergunning gelet op de weigeringsgronden uit de APV – in samenhang met het Uitrittenbeleid – geweigerd had moeten worden. Eiser heeft daaraan toegevoegd dat ook niet is gemotiveerd waarom de uitrit noodzakelijk is en dat ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden.
6.3.
Erfdienstbaarheid
6.3.1.
Eiser heeft de in overweging 5.3.1 van deze uitspraak opgenomen argumenten herhaald in het beroepschrift tegen bestreden besluit II. Kort samengevat staat de erfdienstbaarheid volgens hem ook in de weg aan het realiseren van de uitrit. De daarvoor noodzakelijke verharding is ook een inbreuk op het groene karakter dat de erfdienstbaarheid beoogt te beschermen.
6.3.2.
De rechtbank heeft in overweging 5.3.4 van deze uitspraak overwogen dat vergunninghouder belanghebbende was bij zijn aanvraag en dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De rechtbank is van oordeel dat dit ook geldt voor deze zaak. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond verwijst de rechtbank naar die overweging.
6.4.
Weigeringsgronden
6.4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten dat de weigeringsgronden – en het Uitrittenbeleid – niet in de weg staan aan het verlenen van de omgevingsvergunning voor het realiseren van de uitrit.
Bruikbaarheid van de weg
6.4.2.
Volgens eiser had het college de omgevingsvergunning in het belang van de bruikbaarheid van de weg moeten weigeren. De bruikbaarheid van de weg neemt door het realiseren van de uitrit af. Het is daardoor voor de bewoners van [adres 2] (of hun bezoekers) niet meer mogelijk om hun auto in de straat te parkeren. Uit het Uitrittenbeleid blijkt dat deze weigeringsgrond aan de orde is, wanneer een openbare parkeerplaats daardoor verdwijnt.
6.4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college in bestreden besluit II voldoende heeft gemotiveerd dat het verlenen van de omgevingsvergunning niet hoefde te worden geweigerd in het belang van de bruikbaarheid van de weg. Ten aanzien van deze weigeringsgrond wordt in het Uitrittenbeleid onder andere van belang geacht dat geen openbare parkeerplaats verdwijnt of wordt verkleind. De rechtbank acht – gelet op het smalle karakter van de weg – niet aannemelijk dat een openbare parkeerplaats aanwezig is op de plek waar de uitweg zal worden of is gerealiseerd. Uit de door partijen overgelegde foto’s en google maps blijkt ook niet dat een dergelijke parkeerplaats op de weg was ingetekend. Daarnaast zijn er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd op korte afstand van de woning van eiser aan de [straat 2] .
Het veilig en doelmatig gebruik van de weg
6.4.4.
Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg had moeten weigeren. Door een extra uitrit aan het perceel toe te voegen ontstaat een extra doorsnijding van de al smalle weg, die het doorstromend verkeer belemmert. Er ontstaat een extra onderbrekingspunt in de weg waardoor uit de uitrit komend verkeer het langsrijdend verkeer kruist. Hierdoor ontstaat bij het in- en uitrijden niet alleen aanrijdingsgevaar maar ook stagnatie voor het verkeer op de [straat 1] .
6.4.5.
De rechtbank is van oordeel dat het college in bestreden besluit II voldoende heeft gemotiveerd dat het verlenen van de omgevingsvergunning niet hoefde te worden geweigerd in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg. Ten aanzien van deze weigeringsgrond wordt in het Uitrittenbeleid van belang geacht dat de uitrit niet aan een gebiedsontsluitingsweg wordt aangelegd, dat geen bestaande garage(s) en uitrit(ten) worden belemmerd en dat de uitrit op een afstand van minimaal 5 meter wordt geplaatst van een rotonde, kruising of splitsing van wegen, voetgangersoversteekplaats of bushalte. In bestreden besluit II heeft het college voldoende toegelicht dat de [straat 1] geen gebiedsontsluitingsweg is, zoals die staat gedefinieerd in het Uitrittenbeleid. De weg vervult volgens het college namelijk geen functie als doorgaande verkeersroute en kent een lager verkeersaanbod. Ter plaatse bevindt zich ook geen garage of andere uitrit die zal worden belemmerd. Daarnaast wordt de uitrit geplaatst op een minimale afstand van 7,2 meter tot het dichtstbijzijnde kruispunt. Dit heeft het college onderbouwd door middel van een bij het besluit behorende foto van de situatie ter plaatse. Eiser heeft niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat de verkeersveiligheid als gevolg van de uitweg in gevaar komt. Het college heeft ook kunnen besluiten dat bestreden besluit II niet zal leiden tot stagnatie in de straat, omdat het gaat om een situatie waarbij een enkele auto een uitrit verlaat. Dit is niet anders dan bij iedere andere uitrit binnen de bebouwde kom.
De bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving
6.4.6.
Het college had de omgevingsvergunning volgens eiser ook moeten weigeren in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. De noodzaak tot het bouwen van de tweede garage en tweede uitrit op het perceel is niet aangetoond. De woning beschikt al over een garage. Een scootmobiel vereist geen garage die groot genoeg is om een auto in te stallen. Volstaan zou kunnen worden met een kleinere uitrit voor een speciale box voor een scootmobiel. Voor een scootmobiel lijkt een uitrit ook overbodig, omdat met een scootmobiel in principe niet op de rijweg wordt gereden maar op het trottoir of het fietspad.
6.4.7.
De rechtbank is van oordeel dat het college in bestreden besluit II voldoende heeft gemotiveerd dat het verlenen van de omgevingsvergunning niet hoefde te worden geweigerd in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. Ten aanzien van deze weigeringsgrond wordt in het Uitrittenbeleid van belang geacht dat het onder andere gaat om een tweede uitrit die noodzakelijk is voor het gebruik van het perceel, dat het een enkele uitrit of dubbele uitrit van maximaal 3 dan wel 4,5 meter breed is en dat de uitrit niet leidt tot parkeren voor de voorgevel. Het college heeft in bestreden besluit II voldoende gemotiveerd dat de garage en tweede uitrit noodzakelijk is voor het gebruik van het perceel door vergunninghouder. Om medische redenen is het noodzakelijk dat de huidige – aan de woning grenzende – garage gebruikt wordt voor het stallen van een scootmobiel. De auto van vergunninghouder past niet samen met de scootmobiel in die garage. Gelet daarop is het noodzakelijk om een tweede garage op het perceel te realiseren. Daarnaast wordt gewaarborgd dat de uitrit maximaal drie meter breed zal zijn, doordat die breedte als voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden. Het college heeft in bestreden besluit II ook voldoende gemotiveerd, waarom in dit specifieke geval (met toepassing van maatwerk uit paragraaf 3.5 van het Uitrittenbeleid) afgeweken kan worden van de eis dat de uitrit niet leidt tot parkeren voor de voorgevel. De garage kan niet verder naar achteren worden geplaatst, omdat dit zou leiden tot een aanzienlijk verlies van achtertuin en tot een onevenredig beperkte afstand tussen de woning en de garage. Daarnaast komt binnen het straatbeeld van de [straat 1] op meerdere percelen parkeren voor de voorgevel voor. De huidige aanvraag leidt daardoor niet tot een ruimtelijke situatie die wezenlijk afwijkt van de bestaande inrichting van de straat. Gelet daarop heeft het college kunnen besluiten dat de afwijking van dit criterium van beperkte aard is en geen onevenredige invloed heeft op de beeldkwaliteit van de [straat 1] .
De bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente
6.4.8.
Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Door de realisatie van de uitrit zijn struiken en een boom verwijderd. Uit het uitrittenbeleid blijkt ook dat een uitrit minimaal 1.5 meter van de kroonprojectie van een boom moet zijn gesitueerd. Binnen die afstand stond de verwijderde boom.
6.4.9.
De rechtbank is van oordeel dat het college in bestreden besluit II voldoende heeft gemotiveerd dat het verlenen van de omgevingsvergunning niet hoefde te worden geweigerd in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Ten aanzien van deze weigeringsgrond wordt in het Uitrittenbeleid onder andere van belang geacht dat de uitrit minimaal 1,5 meter vanaf de kroonprojectie van een eventuele boom moet zijn gesitueerd. Eiser heeft niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aangetoond dat een boom binnen 1.5 meter afstand gekapt aanwezig is of was.
Belangenafweging
6.4.10.
Uit bestreden besluit II blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden, waarbij de belangen van omwonenden zijn betrokken. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser geen onevenredige hinder zal ervaren als gevolg van het bestreden besluit.
Door het college is beoordeeld of de nieuwe inrit kan leiden tot onevenredige hinder door lichtinval van koplampen in nabijgelegen woningen. Hoewel enige hinder door omwonenden kan worden ervaren, heeft het college toegelicht dat deze hinder van korte duur, incidenteel en beperkt is in intensiteit. De rechtbank acht dit aannemelijk. Gelet op het verkeersluwe karakter van de straat is het aantal verkeersbewegingen namelijk gering. Een dergelijke vorm van hinder is daarnaast ook niet ongebruikelijk in een woonomgeving en geldt voor alle woningen in de directe omgeving, waarbij andere auto’s op hun terrein inparkeren.
6.5.
Conclusie beroep tegen bestreden besluit II
6.5.1.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaren.
6.5.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
De beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen bestreden besluit I gegrond;
vernietigt bestreden besluit I;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand blijven;
draagt het college op het in het beroep met zaaknummer 26/140 betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt het college in dat beroep in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, en mr. N. van Asten, griffier, op 17 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader
Omgevingswet (Ow)
Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten een omgevingsplanactiviteit.
Artikel 22.1 van de Ow
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet,
de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet,
de regels waarvoor op grond van artikel 22.2, eerste lid, is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan.
Artikel 22.8 van de Ow
Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Artikel 5.18 van de Ow
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL)
Artikel 8.0a van het BKL
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Algemene plaatselijke verordening Altena 2020 (APV)
Artikel 2:12, eerst een tweede lid, van de APV
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in lid 1 worden geweigerd in het belang van:
de bruikbaarheid van de weg;
het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
e bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
Omgevingsplan
Artikel 13.1 van de planregels
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen.
met de daarbij behorende:
waterlopen, waterpartijen en waterberging;
waterhuishoudkundige- en waterstaatsdoeleinden;
parkeervoorzieningen.
Artikel 13.2.1 van de planregels
Op of in deze gronden mogen worden gebouwd:
bijgebouwen, zoals erkers en serres uitsluitend in aansluiting op woningen;
een vrijstaand bijgebouw ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen';
uitbouwen ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'uitbouw toegestaan';
luifels en dakoverstekken;
balkons;
overige bouwwerken;
met inachtneming van de volgende bepalingen:
Artikel 13.2.2 van de planregels
de breedte bedraagt aan de voorzijde maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw tot maximaal 3,5 m;
de maximale hoogte van een aangebouwd bijgebouw mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m;
in afwijking van het bepaalde onder b mag de bouwhoogte van een bijgebouw ter plaatse van de aanduiding 'uitbouw toegestaan' maximaal 3 m bedragen;
e maximale diepte bedraagt 25% van de diepte van de gronden met de bestemming 'Tuin', met een maximum van 1,5 m;
ter plaatse van de bouwaanduiding 'uitbouw toegestaan' is op een aangebouwd bijgebouw een afscheiding toegestaan met een hoogte van 1 m gemeten vanaf bovenkant van het bijgebouw;
de maximale oppervlakte van een aangebouwd bijgebouw bedraagt 6 m2;
in afwijking van het bepaalde onder f mag de oppervlakte van bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'uitbouw toegestaan' maximaal 12 m bedragen;
ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouw' mag het aanduidingsvlak voor 100 % worden bebouwd.
Uitrittenbeleid Gemeente Altena 2023
3. Weigeringsgronden voor een uitrit
Voor een uitrit moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Iedere aanvraag omgevingsvergunning voor een uitrit wordt getoetst aan de weigeringsgronden als bedoeld in de APV. Dit hoofdstuk beschrijft de uitleg die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena (hierna: het college) aan deze weigeringsgronden geeft. Bij iedere aanvraag wordt een belangenafweging gemaakt waarbij onderstaande bepalingen worden meegenomen. Het college verleent een omgevingsvergunning wanneer het plan past in de voorwaarden genoemd in de punten 3.1 t/m 3.4. Indien een aanvraag afwijkt van het onderstaande, als bedoeld in de punten 3.1 t/m 3.4, zal het college beoordelen of de ontwikkeling wenselijk is en vergund kan worden aan de hand van maatwerk, in gevolge de weigeringsgronden van de APV.
3.1
Bruikbaarheid van de weg
In de volgende gevallen komt de activiteit voor vergunningverlening ten aanzien van de bruikbaarheid van de weg in aanmerking:
geen openbare parkeerplaats verdwijnt;
in aanvulling op sub a, mag een openbare parkeerplaats verkleind worden tot de maatvoering van het CROW (actueel haaks parkeervak: 2,5 bij 5 meter);
geen straatmeubilair, nutsvoorziening en/of ander obstakel verplaatst dient te worden; en
e uitrit niet leidt tot verstoring van eventuele afwatering.
3.2
Veilig en doelmatig gebruik van de weg
In de volgende gevallen komt de activiteit voor vergunningverlening ten aanzien van het veilig en doelmatig gebruik van de weg in aanmerking:
de uitrit niet aan een gebiedsontsluitingsweg wordt aangelegd;
geen bestaande garage(s) of uitrit(ten) wordt belemmerd; en
de uitrit op een afstand van minimaal 5 meter wordt geplaatst van een:
rotonde, kruising of splitsing van wegen;
voetgangersoversteekplaats; of
bushalte.
3.3
Bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving
Het college maakt onderscheid tussen een uitrit in het algemeen (algemene uitrit), een uitrit op een bedrijventerrein en een uitrit op een agrarisch perceel. In de volgende gevallen komt de activiteit voor vergunningverlening ten aanzien van het uiterlijk aanzien van de omgeving in aanmerking:
Algemene uitrit
het gaat om de eerste uitrit voor het perceel;
het gaat om de tweede uitrit die noodzakelijk is voor het gebruik van het perceel;
het is een enkele uitrit van maximaal 3 meter breed;
het is een dubbele uitrit van maximaal 4,5 meter breed; en
de uitrit leidt niet tot parkeren voor de voorgevel.
Bijlagen 1 en 2 zijn van toepassing op dit onderdeel.
3.4
Bescherming van de groenvoorzieningen
In de volgende gevallen komt de activiteit voor vergunningverlening ten aanzien van de bescherming van de groenvoorzieningen in aanmerking:
de uitrit moet minimaal 1,5 meter vanaf de kroonprojectie van de boom zijn gesitueerd;
de functionele groen (blauwe) elementen worden niet aangetast; en
een aanwezige groenstrook wordt niet doorkruist of aangetast.
3.5
Maatwerk
Het college komt de bevoegdheid toe om in afwijking van het bovenstaande maatwerk toe te passen. Wanneer de uitrit niet voldoet aan de voorwaarden onder 3.1 t/m 3.4 wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning getoetst aan de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.12, tweede lid APV. Het college zal een individuele belangenafweging maken. Hierbij wordt mede een belang gehecht aan:
de noodzaak van de uitrit;
de mate van aanvaarbaarheid binnen het woon- en leefklimaat;
het afwijkende onderdeel of delen ten aanzien van dit beleid.
Artikel 2.4 van de Ow.
Artikel 4.2, eerste lid, van de Ow.
Artikel 22.1 van de Ow.
Artikel 22.1, onder a en b, van de Ow.
Artikel 13.1 van de planregels.
Artikel 13.2.1, onder a en onder b, van de planregels.
Artikel 5.18, eerste lid, en artikel 5.21 van de Ow.
ABRvS 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3652, r.o. 7.
Stb. 2020, 400, p. 1701-1706.
Kamerstukken II 2017/18, 34986, 3, p. 330.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9135.
ABRvS 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2002.
ABRvS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1704, r.o. 4.2 en ABRvS 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2173, r.o. 7.1.
ABRvS 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3479, r.o. 7.2.
ABRvS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:216, r.o. 11.1 en ABRvS 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3981, r.o. 13.2 en 13.3 en ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1044, r.o. 8.1.
Artikel 5:70, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 5:73, eerste lid, van het BW.
Artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb.
Artikel 5.18, eerste lid, van de Ow en artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.
ABRvS 3 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4, r.o. 7.1. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|