Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:7762 
 
Datum uitspraak:09-10-2026
Datum gepubliceerd:15-10-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 23/7968
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen. Afwijzing overname private schuld. Schuld niet opeisbaar. Geen twijfel aan bestaan schuld, maar omdat schuld niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021, hoefde de minister niet op grond van de hardheidsclausule een uitzondering te maken op het vereiste van een notariële akte of rechterlijke uitspraak.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
burgerlijk wetboek
forfaitair
inkomstenbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 23/7968
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank),

en

de minister van Financiën
(gemachtigde: mr. J. Rhebergen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor overname van een private schuld. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de overname van de private schuld.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het besluit van 14 juni 2023 heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 14 november 2023 is de minister bij deze afwijzing gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.



2.3.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld verweer te voeren.





Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?

3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft bij de Sociale Banken Nederland (SBN) een aanvraag ingediend om een schuld over te nemen op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het gaat om een schuld van € 4.000 aan [persoon 1] en [persoon 2] (geldverstrekkers).


3.1.
De minister heeft de schuld van eiseres niet overgenomen. De minister heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat het een informele schuld is, die niet is vastgelegd in een notariële akte. In het verweerschrift heeft de minister zich subsidiair op het standpunt gesteld dat niet blijkt dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.



3.2.
Eiseres betwist niet dat sprake is van een informele schuld, maar stelt dat de minister ten onrechte vasthoudt aan het vereiste van een notariële akte uit artikel 4 van de Wht. Ook was de schuld volgens eiseres wel opeisbaar vóór 1 juni 2021.


Toetsingskader

4. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt onder welke voorwaarden private schulden worden overgenomen. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan: de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en is vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden. Ook moet de schuld nog niet zijn afbetaald op het moment waarop de aanvraag wordt gedaan. Als de schuld al wel is afbetaald, maar aan de overige voorwaarden uit artikel 4.1. is voldaan, komt deze voor compensatie in aanmerking. Dat staat in artikel 4.3 van de Wht.

5. Verder geldt voor schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (zogenoemde informele schulden of privé-schulden) op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht als voorwaarde voor overname dat de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Het bestaan van de schuld kan ook blijken uit een rechterlijke uitspraak, mits de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuld die eiseres is aangegaan niet is vastgelegd in een notariële akte of rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.




Hardheidsclausule en opeisbaarheid van de schuld

7. Eiseres heeft voor het eerst in beroep betoogd dat de hardheidsclausule uit artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht moet worden toegepast. Op grond van die bepaling kan de minister, voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard afwijken van onder meer artikel 4.1 van de Wht. Eiseres stelt dat zij een bedrag van € 42.000 heeft geleend van haar voormalige schoonouders ten behoeve van een verbouwing van haar woning. Verder stelt zij dat de schuld op de onder 4 genoemde peildatum opeisbaar was en dat redelijkerwijs niet kan worden getwijfeld aan het bestaan van de schuld, zodat de minister op grond van de hardheidsclausule een uitzondering had moeten maken op het vereiste van een notariële akte. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de volgende documenten in onderlinge samenhang:
- leningsovereenkomst van 30 oktober 2020;
- bijlage met aflossings- en renteoverzicht;
- de bankafschriften waaruit de ontvangst van tweemaal € 21.000 blijkt;
- de bankafschriften waaruit de rentebetalingen vanaf februari 2021 blijken;
- de bankafschriften waaruit blijkt dat de gelden voor de verbouwing zijn gebruikt;
- de aangifte inkomstenbelasting 2020 waarin de lening is opgenomen;
- het bankafschrift van 4 november 2022 waaruit de aflossing van € 4.000 blijkt met als omschrijving “Lening verbouwing [adres] ”.
Eiseres verwijst hierbij naar rechtspraak waaruit volgt dat het ontbreken van de notariële akte kan worden gepasseerd als buiten redelijke twijfel staat dat er sprake is van een informele schuld.
Voor wat betreft de opeisbaarheid volgt volgens eiseres uit de leningsovereenkomst dat vanaf november 2020 rente was verschuldigd en dat deze rente maandelijks, in termijnen van € 70, moest worden betaald. De lening kende daarmee volgens eiseres al vóór 1 juni 2021 betalingsverplichtingen. Ook was er sprake van een betalingsachterstand. De verplichting om rente te betalen bestond immers vanaf november 2020 en eiseres heeft de eerste rentebetaling pas op 8 februari 2021 voldaan. Als de rente opeisbaar is, dan is het hele bedrag opeisbaar. Tijdens de zitting heeft eiseres hierover toegelicht dat partijen dit ook beoogd hebben bij het afsluiten van de overeenkomst. Dit blijkt ook uit het aflossingsschema en de doorgekraste datum. Eiseres kon op dat moment niet betalen, daarom is de datum handmatig veranderd.



7.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat voor de beantwoording van de vraag of en op welk moment een schuld, waarvan om overname is verzocht, opeisbaar is geworden de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) bepalend zijn. Een schuld is in de regel opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming kan vorderen. Als er een termijn voor nakoming is bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van het BW). Of al dan niet een termijn voor nakoming is bepaald, vloeit voort uit wat partijen zijn overeengekomen en uit wat volgt uit de wet, de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 van het BW). Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht verlangt slechts dat sprake is van een vóór 1 juni 2021 opeisbare schuld.



7.2.
De rechtbank stelt voorop dat er, gelet op de consistentie van de overgelegde stukken die passen in de tijdlijn en bij de verklaring van eiseres, geen twijfel over bestaat dat sprake was van een schuld. Er is in dit geval dan ook geen reden om eiseres tegen te werpen dat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte of rechterlijke uitspraak.



7.3.
De hardheidsclausule komt, zoals namens de minister op zitting is toegelicht, echter niet voor toepassing in aanmerking, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van opeisbaarheid. In de leningsovereenkomst staat dat er in de periode tot 1 juni 2021 slechts vergoeding van rente was verschuldigd en dat de aflossing van de hoofdsom pas per 1 januari 2022 start. Het kan daarom niet zo zijn dat de hoofdsom vóór 1 juni 2021 al opeisbaar was. Er is, hoewel dit ook niet gebruikelijk is bij een informele lening, geen bepaling in de leningsovereenkomst opgenomen waaruit volgt dat de hoofdsom opeisbaar wordt als een rentetermijn niet (tijdig) wordt voldaan. Uit de overgelegde documenten, in samenhang bezien, blijkt niet dat partijen iets anders hebben beoogd. Ook volgt dit niet uit de doorgekraste datum op het aflossings- en renteoverzicht waar eiseres tijdens de zitting op heeft gewezen. De rechtbank volgt de minister daarom in het standpunt dat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was.



7.4.
Gezien het voorgaande is er geen twijfel over het bestaan van de door eiseres aangegane schuld, maar nu blijkt dat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, hoefde de minister niet op grond van de hardheidsclausule een uitzondering te maken op het vereiste van een notariële akte of rechterlijke uitspraak en wordt de uitkomst van dit geschil hierdoor niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.


Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn

8. Eiseres heeft tijdens de zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.



8.1.
In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de fase van bezwaar en beroep samen niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan een andere termijn dan twee jaar geldt.



8.2.
De termijn begint op 24 juli 2023, de dag waarop het bezwaarschrift is ontvangen. De rechtbank heeft met deze uitspraak op het beroep beslist. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met afgerond vijftien maanden. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiser toe te kennen schadevergoeding € 1.500. Omdat de termijnoverschrijding volledig is toe te rekenen aan de rechterlijke fase en de Staat het deel betaalt dat aan de rechtbank wordt toegerekend moet de Staat worden veroordeeld tot betaling van € 1.500.





Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar verzoek tot overname van de schuld in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank wijst wel het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe, en veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres van € 1.500.


9.1.
Verder bestaat aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van eiseres voor verleende bijstand ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934).






Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 1.500 aan eiseres als immateriële schadevergoeding;
- veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten voor een bedrag van € 467.



Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de beleidsregel van 8 juli 2014, Staatscourant 2014, 20210.


Uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045.


Zie o.a. de uitspraken van de Afdeling van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5101) en 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5151 en ECLI:NL:RVS:2026:5148).
Link naar deze uitspraak