Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:14027 
 
Datum uitspraak:12-10-2026
Datum gepubliceerd:16-10-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:HAA 26/4214
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Verzoek om een voorlopige voorziening in verband met de afwijzing van het verzoek om de beëindiging van het huwelijk van verzoeker te registreren op zijn persoonslijst in de basisregistratie personen. Artikel 10:57 BW. Artikel 10:58 BW. Behoorlijke rechtspleging. Instemming. Wat verzoeker vraagt is feitelijk een tijdelijke echtscheiding, totdat op zijn beroep is beslist. Dat gaat heel ver. Niet gebleken van zwaarwegende belangen die een dergelijke verstrekkende voorziening rechtvaardigen. Verzoek afgewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
echtscheiding
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/4214

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit Zaandam, verzoeker,

en



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad
(gemachtigden: mr. P. Koenhen en A. Bulut-Zuidhoek).




Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in verband met de afwijzing van het verzoek om de beëindiging van het huwelijk van verzoeker te registreren op zijn persoonslijst in de basisregistratie personen (brp). Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bepaalt dat het college de ontbinding van het huwelijk van verzoeker voorlopig registreert in de brp, in afwachting van de uitspraak in de bodemzaak.



1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.



1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door [naam 1] , en de gemachtigden van het college.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.


Waar gaat deze zaak over?



3.1.
Verzoeker staat in de brp ingeschreven met op zijn persoonslijst het huwelijk op [datum] 2024 te [plaats 1] (Ghana) met [naam 2] .



3.2.
Verzoeker heeft op 24 februari 2026 verzocht om de beëindiging van zijn huwelijk te registreren op zijn persoonslijst in de brp. Ter onderbouwing van dat verzoek heeft verzoeker het Certificate of Annulment (met nummer: [nummer] ) afgegeven op 9 december 2025 door het District Magistrate Court te [plaats 2] , [plaats 1] , overgelegd.



3.3.
Op 29 april 2026 heeft het college het verzoek van verzoeker afgewezen op twee gronden:
i. het document heeft niet de juiste legalisatieroute doorlopen; en
ii. het document geeft geen blijk van een behoorlijke rechtsgang, waarvan instemming van zijn ex-vrouw het bewijs zou kunnen leveren.


Het bestreden besluit


4. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 april 2026. Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 op het bezwaar verlaat het college het standpunt dat het document niet de juiste legalisatieroute heeft doorlopen. Het college gaat echter niet over tot registratie van de beëindiging van het huwelijk in de brp. Het college merkt op dat in de artikelen 57 en 58 van boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW), die van overeenkomstige toepassing zijn op de Wet basisregistratie personen, staat beschreven wanneer een in het buitenland verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland erkend wordt. Artikel 57, eerste lid, van boek 10 van het BW stelt enkele processuele voorwaarden aan de erkenning van in het buitenland tot stand gekomen echtscheidingen, die op grond van het tweede lid niet absoluut zijn. Het eerste lid stelt als voorwaarde dat een behoorlijke rechtspleging is gevolgd. Dit dient met name ter bescherming van belangen van een partij die niet aan de echtscheiding heeft meegewerkt. Er moet zijn voldaan aan het vereiste van fair trial uit artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het college stelt dat het uitsluitend in bezit is gesteld van het document van de Ghanese rechtbank waarin is aangegeven dat die rechtbank vonnis heeft gewezen ten gunste van verzoeker (het Certificate of Annulment). Uit dit document blijkt niet dat in Ghana sprake is geweest van een behoorlijke rechtspleging. Op grond van artikel 57, tweede lid, van boek 10 van het BW wordt een in het buitenland verkregen ontbinding die niet aan het eerste lid voldoet, toch erkend als de wederpartij met de ontbinding heeft ingestemd of erin heeft berust. Uit het document blijkt echter niet dat de ex-partner van verzoeker op de hoogte was van de echtscheidingsprocedure in Ghana, daarmee uitdrukkelijk of stilzwijgend ingestemd heeft, dan wel daarin na afloop van de uitspraak berust heeft. Voorts blijkt hier niet uit dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Verzoeker heeft – ondanks dat hier op de hoorzitting naar is gevraagd – geen aanvullende documenten overgelegd waarmee kan worden bekeken of wordt voldaan aan artikel 57 van boek 10 van het BW. Tijdens de hoorzitting gaf verzoeker aan dat hij samen met zijn ex-partner heeft besloten om het huwelijk te beëindigen, maar ook dat hij geen reden ziet om de juridische procedure in Ghana uit te leggen.


Kortsluiten


5. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht de bevoegdheid om in de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening ook direct op het beroep van verzoeker te beslissen. Van deze bevoegdheid zal de voorzieningenrechter in dit geval geen gebruik maken. Reden hiervoor zijn de nader door verzoeker ingebrachte stukken. Naar aanleiding van die stukken zegt het college namelijk dat die de bezwaren van het college over de behoorlijkheid van de rechtsgang mogelijk wegnemen. Dat is een nieuwe ontwikkeling. Het college wil de authenticiteit en legalisatie van die stukken echter wel nog laten controleren. Dat zal via het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moeten. Als die uitkomst positief is, zal de echtscheiding alsnog geregistreerd worden.


Beoordelingskader


6. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker en de reactie van het college als volgt af. Daarbij betrekt hij de vraag of het beroep van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft.


Voorlopig rechtmatigheidsoordeel en belangenafweging




7.1.
Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft bij de zaak omdat hij zijn huidige partner, die in Ghana woont, uit wil nodigen voor een kort verblijf in Nederland tijdens haar jaarlijkse vakantie. Verzoeker moet een bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking indienen om voor haar een visum te verkrijgen. Blijkens dat formulier en de toelichting van de IND zijn bij een garantstelling, indien een referent gehuwd is, tevens de handtekening en toestemming van de huwelijkspartner vereist. Door de onjuiste vermelding in de brp is de garantstelling feitelijk onuitvoerbaar; zij vergt de medewerking en toestemming van de ex-partner met wie hij naar Ghanees recht niet gehuwd is en van wie hij redelijkerwijs geen medewerking kan verlangen. Dit ontneemt hem de mogelijkheid zijn partner tijdig voor het beoogde bezoek uit te nodigen. Dit nadeel is onomkeerbaar. Daarom verzoekt hij om te bepalen dat het college, totdat op het beroep is beslist, de echtscheiding voorlopig in de brp verwerkt.



7.2.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Wat verzoeker vraagt is feitelijk een tijdelijke echtscheiding, totdat op zijn beroep is beslist. Dat gaat heel ver. Wanneer verzoeker als voorlopig gescheiden wordt beschouwd, kan dit tot complicaties leiden wanneer in de bodemzaak blijkt dat die echtscheiding toch niet geaccepteerd kan worden. De voorzieningenrechter is niet gebleken van zwaarwegende belangen die een dergelijke verstrekkende voorziening rechtvaardigen. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker graag zijn vriendin wil zien, gaat het enkel om een vakantiebezoek. Zoals hierboven ook aangegeven zijn de door verzoeker ingediende stukken bovendien nog niet onderzocht op authenticiteit en legalisatie. Dat is nog een onderwerp van geschil.
Ter zitting heeft verzoeker aangevoerd dat het college de legalisatieroute als weigeringsgrond heeft laten vallen en dat het college ervoor heeft gekozen om de documenten niet te laten controleren door het Bureau Documenten van de IND. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat deze handelwijze van het college alleen het Certificate of Annulment betreft. Dat ziet dus niet op de na het bestreden besluit door verzoeker ingediende stukken. Die moeten alsnog worden gecontroleerd. Dat het college het Bureau Documenten van de IND niet eerder heeft ingeschakeld is omdat uit het Certificate of Annulment, van één pagina, niets bleek over de wijze van de procedure. Dat stuk was volgens het college dus niet voldoende om vast te stellen of sprake is geweest van een behoorlijke rechtsgang in Ghana of van instemming of berusting door de wederpartij. Er was alleen al daarom geen reden om dat stuk te accepteren als bewijs van de echtscheiding.




Conclusie en gevolgen

8.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het huwelijk van verzoeker niet voorlopig als ontbonden in de brp wordt geregistreerd.



8.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst, krijgt verzoeker het door hem betaalde griffierecht niet terug en bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak