|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:1275 | | | | | Datum uitspraak | : | 01-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-10-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/430 ANW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Herziening en terugvordering ANW-uitkering. Vroegpensioen van de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek aangemerkt als overig inkomen dat op de ANW-uitkering in mindering wordt gebracht. Geen kennelijk onredelijk resultaat. Geen onaanvaardbare financiële consequenties. | | Trefwoorden | : | aow | | | loonbelasting | | | nabestaandenuitkering | | | uitkering | | | wet op de loonbelasting | | | | Uitspraak | 25/430 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2025, 23/7346 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de vraag of de Svb terecht de ANW-uitkering van appellant heeft herzien en teruggevorderd vanwege het vroegpensioen dat appellant heeft ontvangen. De Raad beantwoordt deze vraag, net als de rechtbank, bevestigend.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 augustus 2026. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. van der Vlist.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving een uitkering op grond van de ANW. Deze uitkering is op 21 mei 2023 geëindigd omdat appellant de AOW-leeftijd heeft bereikt.
1.2
Met een besluit van 11 augustus 2023 heeft de Svb de ANW-uitkering herzien over de maanden maart en april 2023 en het ten onrechte betaalde bedrag van € 1.636,72 bruto teruggevorderd. Appellant ontving in deze maanden vroegpensioen van de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT).
1.3.
Met een besluit van 10 november 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de Svb verplicht is om inkomen per maand op de ANW-uitkering in mindering te brengen. Onder ‘inkomen’ wordt – onder meer – vroegpensioen verstaan. Daarom moet de Svb het door appellant in maart en april 2023 ontvangen vroegpensioen op de ANW-uitkering in mindering brengen. Dit is slechts anders als dit zou leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat. Hiervan is in dit geval geen sprake. Appellant heeft zijn vroegpensioen zelf per 1 maart 2023 aangevraagd. Dit blijkt uit navraag van de Svb bij het PMT. Het PMT heeft het vroegpensioen vervolgens in maart en april 2023 uitgekeerd. Het vroegpensioen was voor dit tijdvak bestemd. De stelling van appellant dat zijn ANW-uitkering niet was herzien als zijn vroegpensioen verdeeld over vijf of zes maanden was uitbetaald is – los van de vraag of deze stelling juist is – niet relevant, omdat appellant het vroegpensioen zelf per 1 maart 2023 heeft aangevraagd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb in dit geval geen reden heeft hoeven zien om (gedeeltelijk) van de terugvordering af te zien. Appellant heeft niet onderbouwd dat de terugvordering voor hem ernstige financiële gevolgen heeft. De Svb heeft appellant bovendien gevraagd naar zijn financiële omstandigheden maar appellant heeft hier niet op gereageerd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant vindt dat het vroegpensioen ten onrechte is aangemerkt als inkomen en in mindering is gebracht op zijn uitkering. Appellant wijst op een brief van de Svb waaruit blijkt dat de uitkering (‘gouden handdruk’) die hij eerder heeft ontvangen geen inkomen was in de zin van de ANW. Verder is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat hij pas op 1 maart 2023 zijn aanvraag voor vroegpensioen heeft ingediend bij het PMT. Appellant stelt dat eerdere aanvragen zijn mislukt door IT-storingen bij het PMT en dat hij eerst op 30 januari 2023 een bevestiging heeft ontvangen. Daardoor kon het vroegpensioen niet eerder dan 1 maart 2023 ingaan. Ten slotte stelt appellant dat hij niet in staat was om aan te tonen dat hij in 2022 financiële problemen had en dat ook niet van hem mag worden verwacht om hierover gegevens aan te leveren.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening en terugvordering van de ANW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De Svb heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat het bedrag dat appellant voor zijn vroegpensioen heeft ontvangen overig inkomen is als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, aanhef en onder m, van het AIB. Uit de artikelen 18 en 19 van de ANW volgt dat dit inkomen deels op de nabestaandenuitkering in mindering wordt gebracht en dat de nabestaandenuitkering bij wijziging van het inkomen wordt herzien. Dat de ‘gouden handdruk’-uitkering die appellant eerder heeft ontvangen niet tot het inkomen is gerekend, maakt dit niet anders. In artikel 2:4, tweede lid, aanhef en onder c, van het AIB is geregeld dat een dergelijke uitkering niet onder het inkomen valt. Dit geldt niet voor het vroegpensioen van appellant.
4.2.
Betalingen van het overig inkomen worden op grond van artikel 4:1, vierde lid, van het AIB toegerekend aan de perioden waarin hierop recht bestaat. Niet gebleken is dat eerder dan in maart en april 2023 recht bestond op het vroegpensioen. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad, net als de rechtbank, geen grond voor de conclusie dat dit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat in de zin van artikel 4:1, lid 11 van het AIB reeds omdat appellant niet met stukken heeft onderbouwd dat hij jegens het PMT te kennen heeft gegeven een andere ingangsdatum van het vroegpensioen te wensen of dat hij heeft geprobeerd om eerder een aanvraag in te dienen bij het PMT. Dat inkomen in mindering wordt gebracht op de ANW-uitkering was appellant bekend. Daarover heeft de SVB informatie verstrekt. Het is eerder ook aan de orde is geweest en bij appellant werd ook regelmatig informatie over zijn inkomsten opgevraagd.
4.3.
Niet gebleken is dat appellant onaanvaardbare financiële consequenties ondervindt dan wel heeft ondervonden van de herziening van de uitkering en de verplichting tot betaling van het teruggevorderde bedrag. Niet valt in te zien dat van appellant niet mag of kan worden verwacht dat hij dit met stukken onderbouwt of inzage biedt in zijn financiële situatie. De Svb heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om op grond van dringende redenen de herziening en/of de terugvordering te beperken.
Conclusie en gevolgen
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit over de herziening en terugvordering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene nabestaandenwet
Artikel 18
1. Op de nabestaandenuitkering wordt inkomen in mindering gebracht.
(…).
Artikel 19
1. De nabestaandenuitkering wordt bij wijziging van het inkomen herzien. De herziening gaat in op de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet.
(…).
Artikel 53
1. De uitkering op grond van deze wet die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 34 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd.
(…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
6. Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
(…).
Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2:4 Overig inkomen
1. Onder overig inkomen wordt verstaan:
(…)
m. een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of op grond van functioneel leeftijdsontslag;
(…).
Artikel 4:1 Vaststelling inkomen
1. Het inkomen voor de toepassing van:
a. de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Werkloosheidswet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand;
(…)
4. Bij de toepassing van het eerste lid worden betalingen van het overig inkomen toegerekend aan de perioden waarin hierop recht bestaat.
5. Bij de toepassing van het eerste lid worden het belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare winst uit onderneming en de uitkering, bedoeld in de artikelen 2:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, en 3:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, evenredig toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar.
(…)
11. Indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat bepaalt de SVB of het UWV het inkomen op een andere wijze.
Algemene nabestaandenwet.
Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|