|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:4565 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 25/830 tot en met 25/ LEE 25/830 tot en met 25/ | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Beroepen niet-ontvankelijk, ontbonden rechtspersoon. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | vennootschapsbelasting | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/830 tot en met 25/833
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 september 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. L.M.S.M. van Esdonk-Bongaarts)
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf/kantoor Almere, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de (in één geschrift vervatte) uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 januari 2025. In het beroepschrift is vermeld dat de beroepen zijn ingesteld namens de (voormalige) vereffenaar van belanghebbende.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 26 maart 2022 de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting en beschikkingen belastingrente opgelegd:
Tijdvak
omzetbelasting
belastingrente
Totaal
01-01-2017 / 31-12-2017
€ 178.490
€ 28.147
€ 206.637
01-01-2018 / 31-12-2018
€ 124.635
€ 14.669
€ 139.304
01-01-2019 / 31-12-2019
€ 47.967
€ 3.727
€ 51.694
01-01-2020 / 31-12-2020
€ 21.738
€ 1.108
€ 22.846
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. In de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de bezwaren ook als verzoek om ambtshalve vermindering beoordeeld. Hij heeft de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 ambtshalve vernietigd en met dagtekening 7 februari 2025 over datzelfde tijdvak een teruggaafbeschikking omzetbelasting opgemaakt van € 11.474,97.
1.3.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door mr. J. Witziers, en namens de inspecteur mrs. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) is belanghebbende op 1 augustus 2023 ontbonden. Op 22 augustus 2023 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 1 augustus 2023 (turboliquidatie). De heer [naam 4] is ingeschreven als bewaarder van de boeken en bescheiden van belanghebbende. De bezwaarprocedure over de naheffingsaanslagen omzetbelasting liep op dat moment nog.
4. De inspecteur voert als verweer dat belanghebbende nietontvankelijk is in de beroepen, omdat de vennootschap niet meer bestaat en dat dit ten tijde van instellen van beroep ook al het geval was. De gemachtigde van belanghebbende heeft aangevoerd dat de registratie en uitschrijving van belanghebbende bij de KvK (zie 3.) ten onrechte heeft plaatsgevonden. Er heeft volgens haar geen turboliquidatie kunnen plaatsvinden, omdat er na de ontbinding van belanghebbende een bate was te verwachten uit de destijds nog lopende bezwaarprocedure tegen de naheffingsaanslagen omzetbelasting. Daarnaast heeft de gemachtigde van belanghebbende aangevoerd dat de ontvanger van de Belastingdienst de teruggaafbeschikking ten onrechte heeft verrekend, omdat daarvoor eerst de vereffening zou moeten worden heropend.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Indien veronderstellenderwijs aangenomen zou worden dat de stelling van de gemachtigde van belanghebbende juist is dat er ten onrechte een turboliquidatie heeft plaatsgevonden, moet belanghebbende op grond van artikel 2:19, vijfde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) geacht worden nog in liquidatie te zijn. Dit omdat er na ontbinding van belanghebbende volgens de gemachtigde sprake was van een bestaande bate, althans een bate die redelijkerwijs verwacht kon worden vanuit de toen nog lopende bezwaarprocedure over de aanslagen omzetbelasting. De rechtbank verstaat onder die (potentiële) bate hooguit het recht op teruggaaf van omzetbelasting vanwege een oninbaar geworden vordering na het in 2020 failleren van een debiteur van belanghebbende ( [bedrijf] ), wat uiteindelijk geleid heeft tot het opmaken van de teruggaafbeschikking omzetbelasting (zie 1.2.). Dat de in deze zaken door belanghebbende beoogde vernietiging van de naheffingsaanslagen omzetbelasting zou leiden tot afname van haar schuldenpositie, is iets wat naar het oordeel van de rechtbank géén bate in de zin van artikel 2:19 en verder BW vormt. Met dat ingenomen standpunt miskent de gemachtigde van belanghebbende dat dit niet past in het systeem van het BW, dat veronderstelt dat er bij de vereffening vermogen onder schuldeisers verdeeld kan worden, en een eventueel restant uitgekeerd.
6. Voor zover belanghebbende op grond van artikel 2:19, vijfde lid BW zou zijn blijven bestaan, is dat alleen voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de ontvanger het bedrag van de teruggaafbeschikking van € 11.474,97 op 12 februari 2025 volledig heeft verrekend met een aan belanghebbende opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2018. Op de zitting is naar voren gekomen dat deze aanslag vennootschapsbelasting op dat moment onherroepelijk was. Als belanghebbende nog bestond, is belanghebbende op grond van artikel 2:19, vijfde en zesde lid BW op het moment van die verrekening opgehouden te bestaan. Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende. Tegen de teruggaafbeschikking omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 (zie 1.2) is geen bezwaar ingesteld, dus zelfs als de naheffingsaanslag omzetbelasting over dat tijdvak op andere gronden verminderd zou moeten worden, zal de teruggaaf nooit hoger worden dan het bedrag dat is vastgesteld in die beschikking. De stelling van belanghebbende dat verrekening niet kon plaatsvinden aangezien de inspecteur zelf stelt dat belanghebbende geen bestaande vennootschap was, gaat niet op. De rechtbank gaat er met belanghebbende in dit scenario juist vanuit dat de vennootschap op dat moment nog wél bestond.
7. Zowel in het scenario waarin er terecht een turboliquidatie heeft plaatsgevonden, als in het scenario waarin belanghebbende geacht moet worden na haar ontbinding gedurende enige tijd in liquidatie te zijn geweest, is de vennootschap dus opgehouden te bestaan voorafgaande aan het instellen van de beroepen (op 24 februari 2025). De (civiele kamer van de) rechtbank heeft niet op grond van het bepaalde in artikel 2:23c, lid 1, BW de vereffening heropend. Op deze grond kan belanghebbende dus ook niet zijn herleefd. Dit betekent dat belanghebbende op het moment van instellen van de beroepen niet meer bestond. Namens een niet-bestaande vennootschap kan niet in beroep gekomen worden, omdat een niet-bestaande vennootschap geen rechtshandelingen kan verrichten.
8. Namens belanghebbende is verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Omdat belanghebbende op het moment van dat verzoek niet bestond en geen rechtshandelingen kon verrichten, kan aan dat verzoek geen rechtsgevolg worden verbonden. Er is dus geen reden om te beoordelen of de redelijke termijn van berechting is overschreden.
9. Aangezien de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaart, komt zij niet toe aan de beoordeling van de onderliggende geschilpunten.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen omzetbelasting en de beschikkingen belastingrente in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, voorzitter, mr. F. Brekelmans en mr. T. van de Bospoort, leden, in aanwezigheid van mr.A.A. van der Terp, griffier.
griffier
voorzitter
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|