Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:7933 
 
Datum uitspraak:14-10-2026
Datum gepubliceerd:23-10-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 24/7174
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:IB/PVV 2020. De vennootschap van belanghebbende is op 17 februari 2020 geliquideerd. In de vennootschap zaten op het moment van liquidatie een pensioenaanspraak in eigen beheer en een bedongen stamrecht. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2020 geen melding gemaakt van enig inkomen uit stamrecht. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nieuw feit. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat hij pas naar aanleiding van de aangifte Vpb 2020 van de vennootschap beschikte over de gegevens die hebben geleid tot het opleggen van de navorderingsaanslag. De rechtbank is van oordeel dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft de waarde van het stamrecht niet aangegeven in zijn aangifte IB/PVV 2020. Hij moest zich daarvan bewust zijn, want hij was gewaarschuwd dat hij niet van de vennootschap afkon, vanwege het stamrecht. De navorderingsaanslag is niet te hoog. Van het pensioen- en stamrecht is € 117.190 voor verwezenlijking vatbaar, gelet op de vordering van de vennootschap op belanghebbende. Ook de revisierentebeschikking is niet te hoog. Er is terecht geen rekening gehouden met arbeidsongeschiktheid, omdat geen sprake is van afkoop, maar van prijsgeven. Beroep ongegrond. Wel IMSV.
Trefwoorden:aanmerkelijk belang
belastbaar inkomen uit werk en woning
inkomensvoorzieningen
inkomstenbelasting
lijfrente
loonbelasting
oudedagslijfrente
oudedagsreserve
vennootschapsbelasting
verliesverrekening
wet op de loonbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7174


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 oktober 2026

in de zaak tussen




[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde ] ),

en



de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur,

en


de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.




Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 augustus 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 127.180. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur een bedrag van € 4.935 aan belastingrente (de belastingrentebeschikking) en € 23.438 revisierente (de revisierentebeschikking) in rekening gebracht. Ook is gelijktijdig een beschikking verliesverrekening vastgesteld waarbij een verlies van € 3.276 achterwaarts is verrekend.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn gemachtigde en namens de inspecteur [persoon] .



Feiten



Belanghebbende heeft in 1999 alle aandelen verworven in (de rechtsvoorganger van) [bedrijf] BV (de vennootschap).


Belanghebbende heeft vervolgens zijn onderneming ingebracht in de vennootschap.



3. Wegens een binnen de onderneming gevormde fiscale oudedagsreserve (FOR) is bij de vennootschap een stamrecht bedongen voor een koopsom van fl. 48.445 (€ 21.983). Volgens de stamrechtovereenkomst zou uiterlijk op 1 juni 2022 voor het opgerente stamrechtkapitaal een oudedagslijfrente worden aangekocht. De oprenting bedraagt 5% per jaar. De stamrechtverplichting bedroeg op 31 december 2019 € 61.244.

4. De vennootschap heeft aan belanghebbende een pensioenaanspraak in eigen beheer toegekend. Op 31 december 2006 bedroeg de boekwaarde hiervan € 28.549. De boekwaarde is sindsdien niet gewijzigd.

5. Belanghebbende heeft van de vennootschap gelden geleend. Per 31 december 2019 bedroeg de vordering van de vennootschap op belanghebbende € 117.190.

6. De vennootschap is op 17 februari 2020 geliquideerd. In de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2020 van de vennootschap is de vordering op belanghebbende volledig als verlies in aanmerking genomen.

7. Belanghebbende heeft op 19 april 2021 zijn aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Daarin heeft hij een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 13.266. Hij heeft in de aangifte geen melding gemaakt van enig inkomen uit stamrecht.

8. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2020 op 11 juni 2021 opgelegd conform de aangifte. De verschuldigde IB/PVV 2020 bedroeg € 2.243.

9. Op 23 augustus 2023 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2020 opgelegd. Daarbij heeft hij het inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met € 117.190 verminderd met een bedrag van € 3.276 aan verliesverrekening van een in 2022 geleden verlies.

10. Op 3 oktober 2023 heeft de inspecteur het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 ontvangen.



Beoordeling door de rechtbank

11. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2020, de belastingrentebeschikking en de revisierentebeschikking terecht zijn opgelegd en zo ja, of deze niet te hoog zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

12. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2020, de belastingrentebeschikking en de revisierentebeschikking terecht en niet te hoog zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Toetsingskader

13. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.


Is sprake van een nieuw feit?

14. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De inspecteur had eerder onderzoek moeten doen na het indienen van de aangiften. Nu de inspecteur dat heeft nagelaten komt dat voor zijn rekening en risico.

15. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de liquidatie van de vennootschap kan worden aangemerkt als een feit dat de inspecteur redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn op het moment dat de aanslag IB/PVV 2020 werd opgelegd. Het recht op (nog niet ingegane) pensioen- en stamrechtaanspraken blijkt niet uit de aangifte IB/PVV 2020. De inspecteur mocht er dus van uitgaan dat de aanspraken op reguliere wijze werden uitgevoerd.

16. De rechtbank overweegt als volgt. Als enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behalve in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden als hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.

17. De inspecteur kan bij het vaststellen van de aanslag in het algemeen volstaan met het raadplegen van het IB/PVV dossier van de betreffende belastingplichtige en is niet verplicht om dossiers van andere belastingplichtigen of andere belastingen te raadplegen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de aanslag in de IB/PVV van belang zijn. De inspecteur is slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier gehouden, als de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.

18. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat hij pas naar aanleiding van de aangifte Vpb 2020 van de vennootschap over de gegevens beschikte die hebben geleid tot het opleggen van de navorderingsaanslag en dat dit een nieuw feit vormt. Uit de aangifte Vpb 2020 volgde dat de vennootschap in dat jaar was geliquideerd. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de inspecteur eerder nader onderzoek had moeten doen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de inspecteur in redelijkheid aan de juistheid van de aangifte IB/PVV 2020 behoorde te twijfelen. Het feit dat in de aangifte IB/PVV 2020 geen melding is gemaakt van een aanmerkelijk belang terwijl dat in eerdere jaren wel zo was, maakt niet dat de inspecteur in redelijkheid aan de juistheid van de aangifte behoorde te twijfelen. Ook zijn er verder geen aanwijzingen dat er in het IB/PVV dossier gegevens aanwezig waren die de inspecteur redelijkerwijs aanleiding gaven om ook het dossier Vpb van de vennootschap te raadplegen.


Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?

19. In het geval de vereiste aangifte niet is gedaan, moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als sprake is van een of meer gebreken in de aangifte waardoor de volgens de aangifte verschuldigde belasting absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige zich ten tijde van het doen van aangifte daarvan bewust was of zich bewust moest zijn. In deze zaak heeft de inspecteur zich niet op het standpunt gesteld dat daarvan sprake is. De rechtbank is echter ook ambtshalve gehouden om de bewijslast om te keren en te verzwaren, ongeacht het standpunt van procespartijen daarover, als de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven.

20. Uit de feiten volgt dat het bedongen stamrecht op 31 december 2019 een waarde vertegenwoordigde van € 61.244. Daarover bestaat tussen partijen ook geen discussie. Belanghebbende heeft deze waarde, ondanks de liquidatie van de vennootschap in februari 2020, niet aangegeven in zijn aangifte IB/PVV 2020. Als gevolg daarvan is er zowel absoluut als relatief gezien te weinig belasting geheven. Belanghebbende moest zich daarvan bewust zijn. Ter zitting heeft belanghebbende namelijk verklaard dat hij was gewaarschuwd dat hij niet van de vennootschap af kon, vanwege het stamrecht. Desondanks heeft hij ervoor gekozen de vennootschap toch te liquideren. Dat hij zich bij die liquidatie mogelijk onvoldoende of verkeerd heeft laten voorlichten door adviseurs komt voor zijn rekening en risico.

21. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan en de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dat houdt in dat de inspecteur de navorderingsaanslag moet baseren op een redelijke schatting. Die schatting mag niet willekeurig zijn.De rechtbank is van oordeel dat de schatting niet als onredelijk hoog of willekeurig kan worden aangemerkt, omdat de inspecteur zich heeft gebaseerd op concrete gegevens. Dat betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is en de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.


Is de navorderingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?

22. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende het pensioen- en stamrecht heeft prijsgegeven en dat daarom de waarde ervan in de heffing moet worden betrokken. De waarde van het pensioen- en stamrecht samen is volgens de inspecteur € 240.632, bestaande uit € 61.244 voor het stamrecht en € 179.388 voor de pensioenaanspraak. Omdat slechts € 117.190 daarvan voor verwezenlijking vatbaar is (door verrekening met de vordering van de vennootschap op belanghebbende) is alleen dat bedrag tot het inkomen gerekend.

23. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij niets meer aan pensioen of stamrecht zou gaan ontvangen van de vennootschap, omdat er geen geld meer in zit. De door de inspecteur berekende waarde van het pensioenrecht acht belanghebbende niet reëel.

24. De rechtbank overweegt als volgt. Vanaf 1 juli 2017 is (verdere) pensioenopbouw in eigen beheer niet meer mogelijk. Tot en met 31 december 2019 kon belanghebbende de keuze maken om de pensioenaanspraak af te kopen, om te zetten in een oudedagsverplichting of premievrij voort te zetten in de eigen onderneming. Belanghebbende heeft (impliciet) gekozen voor de laatste optie. Dat betekent dat de fiscale regels die zijn blijven gelden voor pensioen in eigen beheer van toepassing zijn. Op grond van die regels wordt, in het geval op enig tijdstip een pensioenaanspraak wordt prijsgegeven, de aanspraak op het tijdstip onmiddellijk daaraan voorafgaand aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is. Ook het prijsgeven van een stamrechtaanspraak leidt ertoe dat de premies en bedragen die zijn betaald voor die aanspraak en het daarover behaalde rendement tot het inkomen moet worden gerekend, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is.

25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht heeft gesteld dat belanghebbende op het moment van liquidatie de pensioen- en stamrechtaanspraak heeft prijsgegeven. De vraag is dan in hoeverre de pensioen- en stamrechtaanspraak voor verwezenlijking vatbaar waren op het moment van liquidatie. Belanghebbende heeft op de zitting bevestigd dat hij op het moment van liquidatie een schuld had aan de vennootschap van € 117.190. De rechtbank is daarom van oordeel dat de pensioen- en stamrechtaanspraak voor € 117.190 voor verwezenlijking vatbaar waren. De pensioen- en stamrechtverplichting van de vennootschap konden immers verrekend worden met deze vordering op belanghebbende. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen dus terecht verhoogd met dit bedrag en de navorderingsaanslag terecht opgelegd. Met wat belanghebbende heeft aangevoerd, heeft hij niet overtuigend aangetoond dat dit niet het geval is.


Is de belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?

26. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de navorderingsaanslag volgt.


Is terecht geen rekening gehouden met arbeidsongeschiktheid t.a.v. de revisierente?

27. Revisierente wordt verschuldigd als door toepassing van de bepalingen van de Wet LB 1964 of de Wet IB 2001 aanspraken op grond van een pensioenregeling of aanspraken op periodieke uitkeringen tot het loon of tot de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden gerekend. Onder bepaalde voorwaarden kan een aanspraak op lijfrente geheel of gedeeltelijk worden afgekocht, zonder dat sprake is van negatieve inkomensvoorzieningen en dus ook zonder dat revisierente verschuldigd is. Eén van die voorwaarden is dat de belastingplichtige langdurig arbeidsongeschikt is.

28. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet aan de voorwaarden is voldaan. Ook als wordt aangenomen dat belanghebbende langdurig arbeidsongeschikt is, geldt nog steeds de voorwaarde dat de aanspraak moet zijn afgekocht. In dit geval is de aanspraak niet afgekocht, maar prijsgegeven. Belanghebbende heeft op de zitting betoogd dat voor prijsgeven hetzelfde heeft te gelden. Naar het oordeel van de rechtbank laat de wettekst echter geen ruimte voor de door belanghebbende voorgestane, ruime uitleg.


Vormt de revisierente een buitensporige last?

29. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het hier gaat om de afkoop van een bescheiden lijfrente en dat de revisierente daardoor nog zwaarder weegt waardoor het een buitensporige last vormt.

30. De rechtbank overweegt als volgt. Van een individuele en buitensporige last kan sprake zijn als de in rekening gebrachte revisierente belanghebbende zwaarder treft dan anderen aan wie revisierente in rekening is gebracht wegens afkoop van een lijfrente.

31. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de in rekening gebrachte revisierente hem zwaarder treft dan anderen aan wie revisierente in rekening is gebracht wegens afkoop van een gefaciliteerde lijfrente. Dit betekent dat de revisierentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.


Is een schadevergoeding verschuldigd wegens overschrijding van de redelijke termijn?

32. Belanghebbende heeft verzocht om immateriële schadevergoeding (IMSV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. De IMSV bedraagt € 500 per half jaar overschrijding.

33. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 3 oktober 2023. Tot de datum van deze uitspraak zijn er dus afgerond drieënhalf jaar verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met anderhalf jaar is overschreden. Dit leidt tot een IMSV van € 1.500. De overschrijding in de bezwaarfase bedraagt afgerond vier maanden en de overschrijding in de beroepsfase acht maanden. Dat betekent dat € 500 voor rekening komt van de inspecteur en € 1.000 voor rekening van de Staat.



Conclusie en gevolgen

34. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de rentebeschikkingen in stand blijven.

35. Omdat het verzoek om IMSV wordt toegewezen, krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten. Deze wordt berekend op € 233,50 (1 punt voor het verzoek * wegingsfactor 0,25 * € 934). De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft daarvan betalen. Het betaalde griffierecht hoeft niet te worden vergoed, omdat het verzoek om IMSV is gedaan na 31 mei 2024.





Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 14 oktober 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Wet op de loonbelasting 1964




Artikel 38n (tekst geldend op 31-12-2020):
Op aanspraken ingevolge een pensioenregeling waarvan een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, als verzekeraar optreedt, blijven de artikelen 18h, 19a, 19b, 19c, 19d en 38j, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die artikelen en bepalingen luidden op 31 december 2016, van toepassing.



Artikel 19b (tekst geldend op 31-12-2016):
1. Ingeval op enig tijdstip:
a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken;
b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt;
c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is;
d. de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, heeft verplicht deze zekerheid te stellen;
wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak.



Wet inkomstenbelasting 2001




Artikel 3.133:


Voorzover zich met betrekking tot een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdelen b en c, artikel 3.125 of artikel 3.126a een in het tweede lid genoemde omstandigheid voordoet, worden de premies en bedragen die zijn betaald voor die aanspraak en het daarover behaalde rendement (artikel 3.137) bij de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, bij de gerechtigde tot de aanspraak als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen.


Het eerste lid vindt toepassing indien:


(…)
f. het een aanspraak betreft waarvoor als verzekeraar optreedt een persoon of lichaam als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en de aanspraak wordt prijsgegeven, behoudens voorzover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is;
(…)

9Bij een gehele of gedeeltelijke afkoop van een aanspraak op lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 of artikel 3.126a vindt het eerste lid geen toepassing indien:
a. de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak langdurig arbeidsongeschikt is en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden ter zake van deze arbeidsongeschiktheid;
b. de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak op het moment van afkoop nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; en
c. het gezamenlijke bedrag van hetgeen ter zake van dergelijke afkopen in het kalenderjaar wordt ontvangen niet meer bedraagt dan € 41.791, dan wel, indien dat hoger is, niet meer dan het gemiddelde van de premiegrondslag, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, vermeerderd met het in dat lid als laatste vermelde bedrag, van het kalenderjaar en het voorafgaande kalenderjaar.
Hetgeen wordt ontvangen ter zake van een afkoop als bedoeld in de eerste volzin, wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt.




Dit volgt uit artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).


Zie onder meer Hoge Raad 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165.


Zie onder meer Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515.


In de zin van artikel 27e, eerste lid, van de AWR.


Zie Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150, r.o. 4.2.2.


Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311, r.o. 2.4.


Dit volgt uit artikel 38n van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964).


Dit volgt uit artikel 19b, eerste lid, onderdeel c (oud) van de Wet LB 1964.


Dit volgt uit artikel 3.133, tweede lid, onderdeel f van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).


Artikel 30i, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 19b (oud) van de Wet LB 1964 en artikel 3.133 van de Wet IB 2001.


Artikel 3.133, negende lid, van de Wet IB 2001.


Hoge Raad 9 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:167.


Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.


Hoge Raad, 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.


Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2. (iii).


Zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
Link naar deze uitspraak