Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:7975 
 
Datum uitspraak:14-10-2026
Datum gepubliceerd:23-10-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25/974
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Inkomstenbelasting. Zelfstandigenaftrek. Niet voldaan aan het urencriterium. Indirecte uren onvoldoende gespecificeerd. Geen gewekt vertrouwen.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
belastbaar inkomen uit werk en woning
inkomstenbelasting
mkb-winstvrijstelling
oudedagsreserve
startersaftrek
urencriterium
zelfstandigenaftrek
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/974
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 oktober 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.


Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV, de aanslag) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag en de belastingrente. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende voor het jaar 2020 in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat de aanslag en de belastingrente blijven gehandhaafd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 164.663. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 1.196 belastingrente in rekening gebracht.

2. Belanghebbende heeft in een door de inspecteur als verzoek om ambtshalve vermindering aangemerkt stuk verzocht de aanslag te verminderen door het alsnog toekennen van de zelfstandigenaftrek. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen.

3. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 januari 2025 het bezwaar van belanghebbende daartegen ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.

4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

5. De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door zijn partner, en namens de inspecteur mr. drs. [persoon 1] en mr. [persoon 2] .




Feiten

6. Belanghebbende drijft vanaf 2012 een onderneming.

7. In de definitieve aanslagen IB/PVV 2011 tot en met 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende de zelfstandigenaftrek toegekend. In de aangiften IB/PVV 2019 en 2020 heeft belanghebbende de zelfstandigenaftrek niet in aanmerking genomen.

8. Belanghebbende heeft met ingang van 2011 de volgende bedragen aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genoten:








jaar


loon




2011


-




2012


-




2013


-




2014


€ 3.124




2015


€ 3.124




2016


-




2017


-




2018


€ 21.981




2019


€ 100.004




2020


€ 108.803






9. In zijn aangifte IB/PVV 2020 heeft belanghebbende onder meer aangegeven:








-/- € 1.630


winst uit onderneming




€ 108.803


loon uit tegenwoordige dienstbetrekking




€ 34.690


loon uit vroegere dienstbetrekking






10. In de aanslag heeft de inspecteur ten opzichte van de ingediende aangifte de fiscale oudedagsreserve (FOR) voor € 30.071 vrij laten vallen in de winst omdat belanghebbende over de jaren 2019 en 2020 geen recht heeft op zelfstandigenaftrek. Op deze vrijval is de MKB-winstvrijstelling toegepast.

11. In geschil is of belanghebbende over het jaar 2020 aan het urencriterium voldoet en daarmee in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek.




Beoordeling door de rechtbank

12. Op grond van artikel 3.76, eerste en derde lid, van de Wet IB 2001 gelden de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. In artikel 3.6, eerste lid, van de wet is het volgende bepaald:


‘In deze afdeling en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder urencriterium: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, indien:


de tijd die in totaal wordt besteed aan die ondernemingen en het verrichten van werkzaamheden in de zin van de afdelingen 3.3 en 3.4, grotendeels wordt besteed aan die ondernemingen of


de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was.’



13. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die hierop aanspraak wenst te maken, aannemelijk maakt dat hij aan de daartoe gestelde voorwaarden voldoet.

14. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan het urencriterium en daarmee aan een voorwaarde voor toekenning van de zelfstandigenaftrek voldoet en overweegt daartoe als volgt.

15. Belanghebbende voert het volgende aan. Alhoewel hij tot 5 augustus 2020 in loondienst was bij [bedrijf 1] BV, was hij per mei 2020 vrijgesteld van werk en volledig beschikbaar om als ondernemer activiteiten te verrichten. Belanghebbende heeft vervolgens zijn tijd besteed aan acquisitie, marktverkenning, de ontwikkeling van een website en dienstenontwikkeling. Deze zogeheten indirecte uren dienen voldoende onderbouwd te worden, maar kunnen bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het urencriterium net zo zwaar wegen als directe uren. Belanghebbende verwijst hierbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. In deze uitspraak overwoog het gerechtshof onder meer:

“5.4.1.
Weliswaar heeft belanghebbende in bezwaar en (hoger) beroep een agendaoverzicht overgelegd, maar dit agendaoverzicht bevat slechts algemene stelposten van indirecte uren, zoals ‘marktoriëntatie’ en ‘post halen PB [Hof: postbus]’. Belanghebbende is van mening dat haar agendaoverzicht berust op concrete activiteiten, maar dit betoog kan het Hof niet volgen. Deze concrete activiteiten ontbreken juist in het overzicht, waar op de meeste werkdagen van 09:00 tot 10:00 uur ‘marktoriëntatie’ gevolgd door een aantal uren ‘scriptie’ is ingevuld. Controleerbare, specifieke gegevens over belanghebbendes tijdsbesteding ontbreken en het is niet duidelijk voor welke cliënten belanghebbende werkzaamheden heeft verricht. Ondernemers verrichten niet altijd en alleen direct aan cliënten toerekenbare activiteiten, maar wanneer er weinig directe uren zijn en het om een groot aantal indirecte uren (circa 900 uren per jaar) gaat, is temeer van belang dat dergelijke tijdsbesteding beter onderbouwd wordt dan is gedaan door belanghebbende.”

16. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Indirecte uren betreffen werkzaamheden waarmee niet rechtstreeks omzet wordt gegenereerd, maar die wel worden verricht met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Ook indirecte uren tellen mee voor het urencriterium, dat is tussen partijen niet in geding. Voor deze uren dient wel een concrete, voldoende specifieke en controleerbare onderbouwing aanwezig te zijn. Een globaal urenoverzicht is onvoldoende.

17. Nu belanghebbende in de periode van 1 januari 2020 – 5 augustus 2020 loon van [bedrijf 1] BV genoot, zijn ondernemingsactiviteiten in 2020 niet tot omzet of inkomsten voor hem hebben geleid en belanghebbende geen voldoende gespecificeerde urenonderbouwing heeft overgelegd, is de inspecteur terecht tot de conclusie gekomen dat belanghebbende in 2020 niet aan het urencriterium voldeed. Daarbij neemt de rechtbank meer in het bijzonder nog het volgende in aanmerking.

18. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt hoeveel uren hij in 2020 daadwerkelijk (in)direct aan zijn onderneming heeft besteed. Door belanghebbende bestede uren voor sollicitaties als werknemer tellen niet mee voor het urencriterium. Het door belanghebbende verstrekte urenoverzicht is te globaal van aard. Onderliggende bewijsstukken/specificaties waaruit het aantal daadwerkelijk in 2020 gemaakte uren kan worden afgeleid, ontbreken. Het aantal opgegeven bestede uren is daardoor niet controleerbaar. Zo stelt belanghebbende uren te hebben besteed aan onder meer het door hem ontwikkelde Strategisch Ontwikkel Programma, [naam] Programma en aan Datagedreven Werken. Daarnaast voert hij aan een aantal uren te hebben besteed uit hoofde van een door hem gesloten partnerovereenkomst met [bedrijf 2] B.V. In het verstrekte overzicht staan slechts totalen van aan ieder van deze activiteiten bestede uren, maar hieruit blijkt niet is welk deel van het totaal aangegeven uren ziet op specifiek in het jaar 2020 aan een bepaalde activiteit bestede uren.

19. Belanghebbende heeft, gezien bovenstaande, niet aannemelijk gemaakt dat hij voor het jaar 2020 heeft voldaan aan de voorwaarden van het urencriterium. De zelfstandigenaftrek is daarom terecht niet toegekend. Een beroep van belanghebbende op het Besluit Noodmaatregelen Coronacrisis maakt niet dat hij daardoor alsnog aan het urencriterium voldoet.


Vertrouwensbeginsel

20. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur hem heeft gezegd dat hij opnieuw een aangifte inkomstenbelasting kon indienen en dat hij dan daarin alsnog kon aangeven in aanmerking te komen voor de zelfstandigenaftrek. Belanghebbende beroept zich in dit verband op door de Belastingdienst gewekt vertrouwen dat hij in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek.

21. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden beoordeeld of belanghebbende aan uitlatingen van de inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat hem voor het jaar 2020 alsnog de zelfstandigenaftrek zou worden toegekend. Belanghebbende, op wie hiervoor de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een afspraak, toezegging of schending van in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen. Tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur is over een afspraak of toezegging van de Belastingdienst niets aannemelijk geworden. Gelet hierop faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.


Belastingrente

22. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.





Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of voor een proceskostenvergoeding.







Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 14 oktober 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.













griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.


Gerechtshof Amsterdam 14 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3572.


Besluit van 6 mei 2020, nr. 2020-9594, Staatscourant 2020, 26066.
Link naar deze uitspraak