Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9643 
 
Datum uitspraak:06-10-2026
Datum gepubliceerd:23-10-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/2565
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering PW. Beroep gegrond. Het college is op onjuiste gronden tot de conclusie gekokmen dat sprake is van schending van de medewerkingsplicht en dat betrokkene niet op het door hem opgegeven adres zou wonen.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
levensonderhoud
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/2565
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen



[b.v.] . in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene] (betrokkene), uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van betrokkene voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder andere deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van betrokkene ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Betrokkene heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 18 december 2025 (primair besluit) afgewezen.


2.1.
Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 30 maart 2026 op het bezwaar van betrokkene (bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: betrokkene, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens het college mr. [vertegenwoordiger college] .




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Betrokkene is voor 100% arbeidsongeschikt geacht en ontvangt een IVA-uitkering op grond van de WIA. Hij heeft ter aanvulling op de IVA-uitkering een aanvraag ingediend bij het college voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud voor de norm van alleenstaande. Het beoogde uitkeringsadres is het BRP-adres aan [adres] . Het college had, gelet op de opvallend hoge verhuisfrequentie en het feit dat betrokkene in de periode van 2006 tot 2014 gedetineerd is geweest, twijfel over de actuele woon- en leefsituatie van betrokkene en heeft een onderzoek ingesteld.

4. Het college heeft de aanvraag voor een bijstandsuitkering afgewezen, omdat er gegronde twijfel bestaat over de daadwerkelijke woon- en leefsituatie van betrokkene. Betrokkene heeft namelijk voornamelijk pintransacties verricht in Tilburg in plaats van de gemeente Breda en betrokkene is niet aangetroffen in de woning tijdens waarnemingen en huisbezoeken. Verder heeft de buurvrouw van de naastgelegen woning verklaard dat zij nooit iemand ziet op het adres van betrokkene ziet. Betrokkene heeft hiermee de inlichtingenplicht geschonden Daarnaast heeft betrokkene de medewerkingsplicht geschonden door twee keer niet op gesprek te verschijnen. Hiermee is het recht op bijstand volgens het college niet vast te stellen.


Mocht het college afzien van het horen van eiseres?


5. Eiseres betoogt dat de gemachtigde van betrokkene in het e-mailbericht van 12 februari 2026 heeft bevestigd dat betrokkene gebruik wilde maken van een hoorzitting en dat het college hem ten onrechte niet heeft gehoord.


5.1.
De wettelijke plicht om de bezwaarmaker te horen volgt uit artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het horen is een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure. Van het horen kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb worden afgezien als de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene met het e-mailbericht voldoende duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij gehoord wilde worden en dus niet heeft afgezien van het recht om gehoord te worden. Het college had dan ook niet mogen afzien van het horen, zoals het college ter zitting overigens ook heeft erkend. Dit betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.


Heeft betrokkene de medewerkingsplicht geschonden door niet op de afspraken te verschijnen?


6. Betrokkene is niet verschenen op de afspraken voor een gesprek op het stadskantoor van de gemeente Breda, maar eiseres voert aan dat hier een geldige reden voor is. De uitnodigingen voor de afspraken van 15 en 18 december 2025 zijn niet zoals verzocht naar de bewindvoerder gestuurd, terwijl betrokkene gelet op de bekende psychische problematiek zelf niet in staat is zijn administratie te voeren en dergelijke afspraken na te komen. Eiseres verwijst hiervoor naar de verklaring van de begeleider van betrokkene. In Bovendien hadden beide afspraken binnen een tijdspanne van drie dagen plaats moeten vinden, waarna op de datum van de tweede afspraak meteen het primair besluit is genomen, zodat betrokkene ook geen kans heeft gezien om dit in goede banen te leiden.



6.1.
De rechtbank kan weliswaar begrijpen dat het college er in het algemeen voor kiest om korte termijnen te hanteren bij oproepen voor dergelijke gesprekken – als extra controlemiddel om na te gaan of iemand op een adres woont – maar concludeert dat in het geval van betrokkene voldoende aanleiding bestond voor een andere aanpak (maatwerk). Immers, het college was – zo blijkt uit het verslag van het intakegesprek van 14 november 2025 – op de hoogte van zijn (psychische) problematiek en het feit dat hij begeleiding (nodig) heeft; kort ervoor waren een tweetal eerdere aanvragen (ook) al afgewezen omdat hij telkens niet verscheen op afspraken. Daar komt bij dat het college niet heeft weersproken dat er herhaaldelijk is verzocht om het contact via de bewindvoerder te laten verlopen. De rechtbank is van oordeel dat onder die omstandigheden betrokkene geen schending van de medewerkingsplicht kan worden tegengeworpen. Deze beroepsgrond slaagt.


Heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat betrokkene op het door hem opgegeven adres woont?


7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat betrokkene woonachtig is op het door hem opgegeven adres. Zijn afwezigheid tijdens observaties en huisbezoeken en het pingedrag kunnen verklaard worden door de afspraken die hij geregeld in Tilburg heeft met zijn vriendin, de reclassering, het FACT-team en zijn begeleider van [zorgorganisatie] . Volgens eiseres is het college in het bestreden besluit niet ingegaan op de in bezwaar aangevoerde feiten en omstandigheden. De verslaglegging van de waarnemingen en huisbezoeken en de verklaring van de buurvrouw van de betreffende woning ontbreken in het dossier.



7.1.
De rechtbank stelt voorop dat iemand die een bijstandsuitkering aanvraagt, aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie.Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW is, is uitsluitend bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als geen hoofdverblijf is aan te wijzen, daar waar hij werkelijk verblijft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.



7.2.
Hierbij is van belang waar een betrokkene het merendeel van de tijd overdag verblijft en waar hij de nacht doorbrengt, waar zich zijn persoonlijke bezittingen, zijn kleding en zijn verzorgingsproducten bevinden en waar hij doorgaans de maaltijd gebruikt, doucht, de was doet en waar hij zijn zaken behartigt. Mede van betekenis is waar betrokkene post ontvangt en waar hij zijn administratie verzorgt en bewaart en op welk adres zijn telefoon- en internetaansluitingen en zijn verzekeringen betrekking hebben. Aan de inschrijving in de BRP komt bij de beantwoording van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft geen doorslaggevende betekenis toe. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.



7.3.
De rechtbank acht in dat kader van belang dat eiseres heeft aangetoond dat betrokkene de huur van de betreffende woning betaalt en verhuis- en inrichtingskosten heeft gemaakt. Bovendien heeft niet alleen de moeder van betrokkene, maar ook zijn begeleider van [zorgorganisatie] schriftelijk verklaard dat hij op het betreffende adres woont. Weliswaar heeft het college opvallende zaken geconstateerd waardoor twijfel is gerezen over de hoofdverblijfplaats van betrokkene, maar hij heeft daar – ook al in de bezwaarfase – een voldoende plausibele verklaring voor gegeven. Ter zitting heeft betrokkene daar nog aan toegevoegd dat de omstandigheid dat er tijdens de waarnemingen geen licht brandde in de woning en hij bij de onaangekondigde huisbezoeken niet open heeft gedaan, niet betekent dat hij op al die momenten niet thuis was, omdat bij overmatig alcoholgebruik letterlijk en figuurlijk het licht bij hem uitgaat en hij de bel eruit heeft getrokken. Bovendien vonden de waarnemingen en pogingen tot huisbezoeken plaats in een dermate korte periode dat daaraan, mede gelet op de verklaringen en (bekende) problematiek van betrokkene, niet de conclusie kan worden verbonden dat hij niet op het opgegeven adres zou wonen. Deze beroepsgrond slaagt.


Is de redelijke termijn overschreden?


8. Eiseres heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend vanwege overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens dit artikel heeft een ieder recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn.



8.1.
Het is vaste rechtspraak dat als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren.



8.2.
In het geval van eiseres betekent dit het volgende. Het bezwaarschrift is op 16 januari 2026 door het college ontvangen. Vanaf de genoemde datum tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen twee jaar verstreken. Dit betekent dan ook dat de redelijke termijn nog niet is verstreken. De rechtbank wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het college op onjuiste gronden tot de conclusie is gekomen dat sprake is van schending van de medewerkingsplicht en dat betrokkene niet op het door hem opgegeven adres zou wonen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om zelf in de zaak te voorzien, omdat het college de aanvraag wellicht nog op andere (inhoudelijke) punten moet beoordelen.


9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.



9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2025, met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:312.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1084.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1403.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:568.
Link naar deze uitspraak