Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:10041 
 
Datum uitspraak:07-10-2026
Datum gepubliceerd:27-10-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/2985
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:terugvordering voorschot wia.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2985


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen




[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F. Kaloudis),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.




Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van eiseres van € 3.944,89 aan te veel betaald voorschot op een WIA-uitkering.


1.1.
Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 26 mei 2025 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Over de periode van 19 april 2024 tot en met 31 mei 2025 heeft het UWV voorschotten op de WIA-uitkering betaald. Naar aanleiding van de afwijzing van de aanvraag heeft het UWV met het besluit van 6 februari 2026 € 7.889,78 van eiseres teruggevorderd.



1.2.
Met het bestreden besluit van 15 april 2026 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.



1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.4.
In beroep heeft het UWV met het besluit van 15 juli 2026 de beslissing op bezwaar gewijzigd en het terugvorderingsbedrag gematigd met 50% tot € 3.944,89.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde mr. F. Kaloudis en namens het UWV mr. N. Regragui.



1.6.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank

2. Het oorspronkelijke terugvorderingsbedrag is gebaseerd op niet verrekende inkomsten uit arbeid en een Ziektewetuitkering. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen enkel verwijt kan worden gemaakt en dat de terugvordering uitsluitend is ontstaan door fouten van het UWV, waaronder het niet verrekenen van de bij het UWV bekende inkomsten en de (veel) te lange behandeltijd van de aanvraag. Hierdoor is de terugvordering opgelopen. Het UWV erkent daarom dat sprake is van dringende redenen om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering en heeft het terugvorderingsbedrag gematigd tot 50%.


2.1.
In de toekenningsbeslissing van het voorschot staat weliswaar dat een voorschot kan worden teruggevorderd, maar het is algemeen bekend dat het UWV een vaste gedragslijn heeft dat voorschotten bij een WIA-aanvraag niet worden teruggevorderd vanwege de lange behandeltermijnen. In beginsel mocht eiseres er dus van uitgaan dat het UWV de voorschotten niet zou terugvorderen.



2.2.
De rechtbank is van oordeel dat ook niet gezegd kan worden dat eiseres wist of redelijkerwijs kon weten dat zij te veel ontving, hiervoor was de situatie met wisselende inkomsten uit meerdere uitkeringen en arbeid naast elkaar namelijk te ingewikkeld.



2.3.
Onder deze omstandigheden is het niet redelijk dat door fouten van het UWV de voorschotten wel worden teruggevorderd over een periode van een jaar. Daarbij speelt ook een rol dat eiseres inmiddels leeft van een bijstandsuitkering en de terugvordering lastig kan terugbetalen.



2.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van dringende redenen om geheel af te zien van terugvordering.




Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het besluit tot wijziging daarvan van 15 juli 2026. Omdat er op grond van wat hiervoor is overwogen nog maar één beslissing mogelijk is, voorziet de rechtbank zelf in de zaak, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, door ook het besluit van 6 februari 2026 te vernietigen.


3.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De kosten van de bezwaarprocedure zijn al vergoed door het UWV bij het besluit van 15 juli 2026.






Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de besluiten van 15 april 2026 en 15 juli 2026;
- vernietigt het besluit van 6 februari 2026;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.


Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 7 oktober 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Link naar deze uitspraak