|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:10172 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 26/4610 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Artikel 8:54 van de Awb: beroep is kennelijk gegrond. De ontvanger heeft het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende geen gehoor zou hebben gegeven aan de brieven van 14 april 2026 en 26 mei 2026 waarin de ontvanger verzocht heeft om de gronden van het bezwaar aan te leveren. Hiervoor heeft gemachtigde een e-mailcorrespodentie toegevoegd met de ontvanger waarin staat dat de motivering van het bezwaarschrift met dagtekening 14 maart 2026 door de Belastingdienst op 16 maart 2026 is ontvangen. De ontvanger heeft in het verweerschrift erkend dat er door de gemachtigde van belanghebbende tijdig gronden zijn ingediend. De ontvanger heeft verzocht om de zaak gegrond te verklaren en de zaak terug te verwijzen. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | inkomstenbelasting | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/4610
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , Castellón (Spanje), belanghebbende
(gemachtigde: mr.drs. E. Mafficioli del Castelletto),
en
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 23 juni 2026. Het beroepschrift ziet op het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de invorderingskosten inzake de voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2023 met [aanslagnummer] H3001. De ontvanger heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van de gronden.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De ontvanger heeft het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende geen gehoor zou hebben gegeven aan de brieven van 14 april 2026 en 26 mei 2026 waarin de ontvanger verzocht heeft om de gronden van het bezwaar aan te leveren.
2.1
Belanghebbende heeft in beroep aangevoerd dat er in de bezwaarfase wel gronden zijn overgelegd. Gemachtigde heeft hierbij een e-mailcorrespondentie toegevoegd met de ontvanger waarin staat dat de motivering van het bezwaarschrift met dagtekening 14 maart 2026 door de Belastingdienst op 16 maart 2026 is ontvangen.
2.2
De ontvanger heeft in het verweerschrift van 19 augustus 2026 erkend dat er door de gemachtigde van belanghebbende tijdig gronden zijn ingediend. De vormverzuimbrieven van 14 april 2026 en 26 mei 2026 waarbij door de ontvanger is verzocht om de gronden van het bezwaar aan te leveren zijn dan ook ten onrechte verzonden. De ontvanger heeft verzocht om de zaak gegrond te verklaren en de zaak terug te verwijzen.
2.3
Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 23 juni 2026 en wijst de zaak terug naar de ontvanger.
2.4
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, moet de ontvanger het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. De ontvanger moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,25). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van zeer licht gewicht is, aangezien het beroep uitsluitend slaagt omdat het bezwaar evident ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase bestaat (nog) geen aanleiding, omdat de ontvanger het bezwaar opnieuw gaat beoordelen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
draagt de ontvanger op inhoudelijk te beslissen op het bezwaarschrift van 3 februari 2026;
bepaalt dat de ontvanger het griffierecht van € 54,- aan belanghebbende moet vergoeden;
veroordeelt de ontvanger tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.M. Rosta, griffier, op 19 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|