Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:2733 
 
Datum uitspraak:07-10-2026
Datum gepubliceerd:28-10-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:24/1181
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Mag de verschuldigde bpm voor de auto worden bepaald aan de hand van de herleidingsmethode)? Belanghebbende heeft tegen beter weten in zijn standpunt met betrekking tot de herleidingsmethode gehandhaafd. Geen vergoeding van immateriële schade vanwege het ontbreken van een financieel belang bij de procedure.
Trefwoorden:belastingrecht
bpm
naheffingsaanslag
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1181


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] ,

woonachtig in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 juli 2024, nummer BRE 22/5165, in het geding tussen belanghebbende en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en


de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft géén verweerschrift ingediend.



1.5.
De inspecteur heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit nader stuk is doorgestuurd naar belanghebbende.



1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .



1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.





2Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op 24 november 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz GLC-klasse Coupé 63 S AMG 4MATIC+ met VIN: [nummer] (hierna: de auto) naar een te betalen bedrag van € 8.368.



2.2.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] van 24 november 2021, opgesteld door taxateur [naam 1] . Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 75.850. De handelsinkoopwaarde is vastgesteld aan de hand van een koerslijst van Autotelexpro. De taxateur heeft rekening gehouden met een waardevermindering en de taxatiewaarde vastgesteld op € 30.000.



2.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door [naam 2] , werkzaam bij Domeinen Roerende Zaken. De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 28 december 2021. De handelsinkoopwaarde is aan de hand van een koerslijst van Autotelexpro vastgesteld op € 76.696.



2.4.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde bpm moet worden vastgesteld op € 17.926. Met dagtekening 3 juni 2022 is aan belanghebbende voor de auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 9.558.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
In geschil is of de verschuldigde bpm mag worden bepaald aan de hand van de herrekende bruto bpm van eerder ingevoerde, gelijksoortige, auto’s (de zogenaamde herleidingsmethode)?



3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.





4Gronden


Ten aanzien van het geschil



4.1.
Belanghebbende stelt dat de verschuldigde bpm moet worden bepaald op basis van de herleidingsmethode. Deze methode houdt in dat de verschuldigde bpm wordt herleid uit de herrekende bruto bpm van eerder ingevoerde, gelijksoortige, auto’s.



4.2.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het beroep van belanghebbende op toepassing van de herleidingsmethode niet slaagt en verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025.


Tussenconclusie




4.3.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.


Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding




4.4.
Belanghebbende heeft het hof ter zitting verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. Belanghebbende meent dat sprake is van bijzondere omstandigheden en dat een afwijking gerechtvaardigd is van het op grond van artikel 19a, lid 3, Wet bpm geldende bedrag van € 50 per half jaar. Belanghebbende wijst erop dat het gaat om een geschil over een naheffingsaanslag en niet over de voldoening op aangifte en dat belanghebbende geen professionele partij is die een groot aantal procedures voert rond de import van gebruikte auto’s.



4.5.
Het hogerberoepschrift is ingediend op 19 augustus 2024 en het hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden, afgerond een half jaar. In belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, wordt als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de minister) kan door de belastingrechter tot vergoeding van die schade worden veroordeeld, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht.



4.6.
Van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in 4.5 is onder andere sprake als het financiële belang bij de procedure zeer gering is. In zo’n geval mag zondermeer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.



4.7.
Het financiële belang bij de procedure bestaat uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd, waarbij het financiële effect van één of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten buiten beschouwing wordt gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen. Het financiële belang moet afzonderlijk worden bepaald voor elke fase van het geding waarop het verzoek om vergoeding van immateriële schade betrekking heeft (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) aan de hand van de standpunten die de belanghebbende in die fase heeft ingenomen.



4.8.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende in deze procedure tegen beter weten in het standpunt heeft gehandhaafd dat de bpm moet worden bepaald op basis van de herleidingsmethode. De Hoge Raad heeft immers op 11 juli 2025 over dit standpunt geoordeeld en dit standpunt verworpen (zie 4.2) en dit was bij (de gemachtigde van) belanghebbende bekend, aangezien zijn gemachtigde de procedure bij de Hoge Raad heeft gevoerd. Het hof zal het financiële effect van dit standpunt dan ook buiten beschouwing laten, zodat belanghebbende vóór het verstrijken van de redelijke termijn in het geheel geen financieel belang meer had bij deze procedure. Het hof volstaat derhalve met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.


Ten aanzien van het griffierecht




4.9.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.


Ten aanzien van de proceskosten




4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.





5Beslissing

Het hof:


verklaart het hoger beroep ongegrond;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank.



De uitspraak is gedaan door M.H. van Schaik voorzitter, J. Wessels, en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

F. Marcolina M.H. van Schaik


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.


Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3. en r.o. 3.4.3.
Link naar deze uitspraak