Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:6632 
 
Datum uitspraak:13-10-2026
Datum gepubliceerd:30-10-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:25/2410
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:VPB. Uitgaven voor kunstcollectie hebben een zakelijk karakter
Trefwoorden:fiscale eenheid
omzetbelasting
vennootschapsbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Utrecht
nummer BK-ARN 25/2410
uitspraakdatum: 13 oktober 2026


Uitspraak van de zesde meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2025, nummer ARN 23/3440, ECLI:NL:RGEL:2025:7610, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd (de aanslag). Gelijktijdig met de aanslag is een beschikking belastingrente gegeven.



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (de Rechtbank). Ter zake daarvan is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord G. Klaassen en H.H. van Braak als gemachtigden van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.






2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende heeft één aandeelhouder, [naam aandeelhouder1] . [naam aandeelhouder1] is daarnaast enig bestuurder van belanghebbende.



2.2.
Tot de bezittingen van belanghebbende behoren onder meer beleggingen in onroerende zaken, effecten, deelnemingen, leningen, liquiditeiten en een kunstcollectie. De kunstcollectie bevat in totaal 82 werken uit met name de kunststroming [de collectie] . Het gaat om diverse schilderijen, tekeningen, een grafiek, video art en sculpturen. De kunstcollectie is nagenoeg geheel aangeschaft in de jaren 2005 tot en met 2008.



2.3.
De Inspecteur heeft een rapport met als datum 11 december 2009 aan belanghebbende toegezonden naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) van belanghebbende voor de jaren 2005 tot en met 2008. In dit rapport is onder meer vermeld:

“Vennootschapsbelasting: Balans


Schilderijen


Op 1 januari 2005 zijn er schilderijen aanwezig met een aanschafwaarde van € 9.093. In 2005 vinden aankopen plaats voor een bedrag van € 274.776. Ook in 2006, 2007 en 2008 worden nieuwe schilderijen aangeschaft. Ultimo 2008 bedraagt de totale aanschafwaarde € 1.211.428 exlusief en € 1.228.488 inclusief omzetbelasting.
Ten behoeve van de verzekering worden de schilderijen jaarlijks getaxeerd. De getaxeerde waarde ligt hoger dan de aanschafwaarde. Op grond hiervan ben ik van mening, dat het niet mogelijk is om af te schrijven op de schilderijen. Er wordt namelijk gedurende de bezitsperiode geen waardedaling verwacht.
Vanaf de aanschafdatum is jaarlijks 10% afgeschreven op de schilderijen. Het betreft de volgende bedragen:







2005:


€ 9.125




2006:


€ 29.486




2007:


€ 51.799




2008:


€ 100.127





Deze bedragen zijn ten onrechte afgeschreven en moeten daarom worden gecorrigeerd.

Tijdens de slotbespreking d.d. 13 oktober 2009 heeft de heer [naam aandeelhouder1] aangegeven, dat hij uit persoonlijke motieven schilderijen aanschaft uit met name de [collectietijd]. Een deel van de schilderijencollectie is aanwezig in het kantoorgedeelte van zijn woonhuis, de rest is in opslag. De schilderijen hebben binnen de onderneming geen decoratieve functie. Ten tijde van het boekenonderzoek is er met betrekking tot de schilderijen geen sprake van een bedrijfsmatige activiteit. In de toekomst zou dit kunnen wijzigen. Op dit moment bestaat er echter geen recht op aftrek van omzetbelasting. (…)”



2.4.
De Inspecteur heeft bij belanghebbende een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van haar aangiften Vpb voor de jaren 2012 en 2013. Hierbij is gebleken dat belanghebbende, overeenkomstig de naar aanleiding van het eerdergenoemde boekenonderzoek gemaakte afspraak, niet meer heeft afgeschreven op de kunstcollectie. In het rapport van 1 mei 2018 staat hierover, voor zover van belang, het volgende:

“3.1 Schilderijen
Bij het vorige boekenonderzoek is geconcludeerd dat ten onrechte is afgeschreven op de schilderijen. Tijdens de slotbespreking is toen overeengekomen dat de afschrijvingscorrecties voor de jaren 2005 tot en met 2008 in een keer in 2008 werden verwerkt. Bij de controle over de boekjaren 2012 en 2013 hebben wij vastgesteld dat, conform de gemaakte afspraak, niet langer wordt afgeschreven op de schilderijen.


Conclusie

De fiscale waardering van de schilderijen is akkoord bevonden.”



2.5.
De kunstcollectie is door [waarderingsdeskundige] opgenomen en gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer. De bevindingen zijn neergelegd in het taxatierapport van 4 maart 2017 en gespecificeerd in de daaraan gehechte volgbladen.



2.6.
Op [datum1] 2017 heeft belanghebbende [bedrijfsnaam 1] ( [bedrijfsnaam 1] ) opgericht, een 100%-dochtervennootschap van belanghebbende. Belanghebbende heeft € 100 op de aandelen [bedrijfsnaam 1] gestort. Daarnaast heeft zij € 759.600 aan [bedrijfsnaam 1] geleend.



2.7.
Op 21 december 2017 heeft belanghebbende 43 schilderijen uit de kunstcollectie verkocht aan [bedrijfsnaam 1] voor € 759.700 (de transactie). De verkoopprijs is gebaseerd op het voornoemde taxatierapport (zie 2.5). Door de transactie heeft belanghebbende een boekverlies gerealiseerd van € 907.145 (het boekverlies).



2.8.

[bedrijfsnaam 1] is op [datum2] gevoegd in de fiscale eenheid met belanghebbende als moedermaatschappij.



2.9.
De Inspecteur heeft met dagtekening 18 september 2021 de aanslag Vpb 2017 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 1.098.425. Hierbij heeft hij het boekverlies geweigerd (de correctie).






3Geschil


3.1.
In geschil is of belanghebbende het boekverlies in aanmerking mag nemen. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of:



de uitgaven voor de kunstcollectie zijn ingegeven ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van [naam aandeelhouder1] ;


belanghebbende zich met succes op het vertrouwensbeginsel kan beroepen;


de transactie als zodanig zakelijk is.





3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en verlaging van de aanslag tot het in de aangifte Vpb 2017 aangegeven belastbaar bedrag. Zij verzoekt daarbij om vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.



3.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.






4Beoordeling van het geschil


Bevoegdheid



4.1.
De Rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat zij niet bevoegd is van het beroep kennis te nemen. Belanghebbende is namelijk statutair gevestigd te [plaatsnaam1] . Aangezien partijen desgevraagd verklaarden geen bezwaar te hebben tegen behandeling door de Rechtbank, heeft de Rechtbank zich bevoegd verklaard en de zaak inhoudelijk behandeld.



4.2.
Het Hof ziet aanleiding de uitspraak aan te merken als bevoegdelijk gedaan (vgl. artikel 8:117 Algemene wet bestuursrecht).


Uitgaven voor de aandeelhouder?




4.3.
De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat het boekverlies niet in aanmerking kan worden genomen omdat de uitgaven voor de kunstcollectie zijn ingegeven ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van [naam aandeelhouder1] . Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt de Inspecteur – kort gezegd – dat:
– het gaat om een grote kunstcollectie waarvan de schilderijen zich deels bij [naam aandeelhouder1] thuis bevinden;
– sprake is van een ongebruikelijke belegging in het licht van de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende;
– een reële kans op een positief en marktconform rendement ontbreekt;
– belanghebbende niet over de benodigde expertise beschikt; en
– [naam aandeelhouder1] over de aankopen besliste en bij de slotbespreking van het boekenonderzoek in 2009 heeft verklaard dat hij uit persoonlijke motieven schilderijen aanschaft uit met name het [collectietijdperk].



4.4.
Belanghebbende betwist dat de uitgaven voor de kunstcollectie zijn ingegeven ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van [naam aandeelhouder1] . Zij stelt dat:
– de kunstcollectie is aangeschaft als belegging van overtollige middelen;
– sprake is van een reële verwachting van waardevastheid of zelfs waardestijging;
– de kunstcollectie voor het grootste deel in opslag ligt en slechts voor een beperkt deel in de kantoorruimtes van [naam aandeelhouder1] hangt; en
– het eerdere geschil over de afschrijving erop duidt dat de kunstcollectie na aankoop niet in waarde is gedaald en er dus een zakelijke verwachting op rendement was.



4.5.
Het Hof overweegt dat volgens vaste jurisprudentie door een vennootschap gedane uitgaven een zakelijk karakter ontberen – en derhalve niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht – indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s). Indien in geschil is of de ondernemer een bepaalde uitgave heeft gedaan met het oogmerk daarmee de zakelijke belangen van de onderneming te dienen, dan wel (tevens) met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s), overschrijdt de rechter de grenzen van zijn taak niet door de werkelijke aard van de uitgaven te beoordelen (vgl. HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AB2865 en HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9548). De bewijslast ligt bij de Inspecteur.



4.6.
In het licht van wat partijen over-en-weer hebben gesteld (zie 4.3 en 4.4) is het Hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de uitgaven voor de kunstcollectie zijn gedaan met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoeften van [naam aandeelhouder1] . Zo staat tussen partijen vast dat het grootste deel van de kunstcollectie in een externe opslag ligt en dat slechts een klein deel in de werkruimte in de woning van [naam aandeelhouder1] hangt. Dat de kunstwerken tussen de externe opslag en de werkruimtes rouleren, is niet komen vast te staan. Het Hof gaat daarom ervan uit dat het beleggingsmotief voorop staat, hetgeen aansluit bij de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende. Dat op het moment van aanschaf geen enkele reële kans bestond rendement te behalen, acht het Hof niet aannemelijk. Het eventueel hoge speculatieve karakter van de kunstcollectie wegens het ontbreken van specifieke expertise dan wel investeringsplan in combinatie met de eenzijdige aard en omvang ervan noopt in ieder geval niet tot die conclusie. De feiten van het geding wijzen bovendien op het tegendeel. Zo staat vast dat de getaxeerde waarde van de kunstcollectie ten tijde van het boekenonderzoek in 2009 hoger lag dan de aanschafprijs (zie 2.3). De Inspecteur was om die reden van oordeel dat gedurende de bezitsperiode geen waardevermindering kon worden verwacht. Alsdan kan niet worden gezegd dat ten tijde van de aanschaf geen reële kans op rendement bestond. Daar komt bij dat vaststaat dat de transactie alleen betrekking heeft op 43 kunstwerken met een lagere (getaxeerde) waarde dan de boekwaarde, zodat aannemelijk is dat de overige 39 kunstwerken waardevast zijn gebleven dan wel een hogere (getaxeerde) waarde dan de boekwaarde hadden. Ook met de kennis van 2017 kan dus niet worden gezegd dat bij beleggingen zoals de onderhavige geen reële kans op rendement bestond. Naar het oordeel van het Hof kan dan niet worden gezegd dat geen redelijk denkend ondernemer de onderhavige aanschaf zou hebben gedaan. De enkele omstandigheid dat [naam aandeelhouder1] als bestuurder van belanghebbende het (beleggings)beleid van belanghebbende bepaalt en persoonlijk de voorkeur geeft aan [collectiekunst], rechtvaardigt dan niet de conclusie dat de onderhavige uitgaven zijn gedaan met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoefte van [naam aandeelhouder1] . Bij vrijwel iedere (beleggings)beslissing zullen immers tot op zekere hoogte ook de voorkeuren van de bestuurder meewegen.



4.7.
Het Hof beantwoordt de hiervoor (zie 3.1) onder i. genoemde vraag ontkennend. Het gelijk is aan belanghebbende.


Vertrouwensbeginsel




4.8.
Aangezien het Hof op materiële gronden tot het oordeel komt dat de uitgaven van belanghebbende voor de kunstcollectie niet (tevens) met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoefte van [naam aandeelhouder1] zijn gedaan (zie 4.7), behoeft het beroep op het vertrouwensbeginsel geen behandeling.


Zakelijkheid transactie




4.9.
De Inspecteur stelt zich subsidiair op het standpunt dat de transactie als zodanig onzakelijk is. De transactie zou namelijk zijn ingegeven door fiscale motieven en belanghebbende zou de transactie nooit met een onafhankelijke derde zijn aangegaan. Om die reden dient het boekverlies buiten beschouwing te worden gelaten.



4.10.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat selectieve verkoop van verliesgevende schilderijen is toegestaan, zolang de transactie maar tegen zakelijke voorwaarden geschiedt. Het enkele feit dat belastingbesparing wordt nagestreefd, maakt niet dat de transactie kan worden genegeerd.



4.11.
Het Hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de kunstwerken tegen de getaxeerde waarde aan [bedrijfsnaam 1] zijn verkocht en dat die waarde zakelijk is. Mede gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld (4.6) ziet het Hof in de enkele omstandigheid dat belanghebbende heeft erkend dat zij belastingbesparing nastreefde en de transactie daarom niet met een onafhankelijke derde zou zijn aangegaan dan geen aanleiding om aan de transactie voorbij te gaan (vgl. HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY6047).



4.12.
Het Hof beantwoordt de hiervoor (zie 3.1) onder iii. genoemde vraag bevestigend. Het gelijk is aan belanghebbende.



Omkering en verzwaring van de bewijslast




4.13.
Ter zitting heeft de Inspecteur zich nog op het standpunt gesteld dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Aangezien de correctie aan de hand van de normale regels over de bewijslastverdeling niet (ook niet deels) standhoudt, ziet het Hof ziet geen aanleiding daartoe over te gaan.


Belastingrente




4.14.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. De belastingrente wordt wel verminderd naar rato van de vermindering van de aanslag.


Slotsom



4.15.
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.






5Griffierecht en proceskosten


5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.



5.2.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.332 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)  wegingsfactor 1  € 666), € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934) en € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934), ofwel in totaal op € 5.068.






6Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur,
– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbare winst van € 191.280,
– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 5.068,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 365 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 579 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. Weijers, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van mr. J. Azmi Shenouda als griffier.

De beslissing is op 13 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.



De griffier, De voorzitter,








J. Azmi Shenouda M.B. Weijers

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak