Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:7648 
 
Datum uitspraak:25-09-2026
Datum gepubliceerd:30-10-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:26/3051
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen, op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat Dienst Toeslagen de genoemde stukken in het geding had moeten brengen. Beroep ongegrond. Verzoek om isv toegewezen.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/3051
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen


[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),

en

Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ).


Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de afwijzing en is van mening dat hij recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2006, 2007 en 2010. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen omdat niet is gebleken dat eiser schade heeft geleden als gevolg van vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen. Eiser krijgt wel een vergoeding van immateriële schade vanwege het overschrijden van de redelijke termijn.




Procesverloop


2.1
Eiser heeft zich op 21 juni 2021 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010. In overleg is het verzoek om compensatie uitgebreid met het jaar 2007. Dienst Toeslagen heeft het verzoek om compensatie in het besluit van 6 juni 2024 (het primaire besluit) toegewezen voor de toeslagjaren 2008 en 2009 voor een bedrag van € 8.776,-. Voor de toeslagjaren 2007 en 2010 is het verzoek om compensatie afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft eiser ook over de beoordeling van het toeslagjaar 2006 geklaagd.



2.2
Met het besluit van 19 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is daarmee bij de afwijzing van het verzoek gebleven.



2.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.



2.4
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Dienst Toeslagen, vergezeld door mr. [gemachtigde 2] .





Overwegingen


Beoordelingskader



3.1
Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding van materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van Dienst Toeslagen. Daarnaast volgt uit de memorie van toelichting bij de Wht dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt.



3.1
Verder is in artikel 2.6 van de Wht bepaald dat Dienst Toeslagen aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toekent indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (OG/S-kwalificatie) van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.


Het oordeel van de rechtbank



Op de zaak betrekking hebbende stukken




4.1
Eiser voert aan dat Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken conform artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ingebracht. In dit verband wordt gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026, waaruit zou volgen dat de O/GS-onderzoeksstukken als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van art. 7:4 lid 2 en art. 8:42 Awb moeten worden aangemerkt, ongeacht de uitkomst van de beoordeling. Dienst Toeslagen heeft in dit geval de volgende stukken niet verstrekt en eiser verzoekt de rechtbank Dienst Toeslagen op te dragen dat alsnog te doen:
 O/GS-beoordelingsdocumentatie (geraadpleegde systemen, zoekslagen, uitkomsten
per toeslagjaar);
 Gegevens betreffende de toeslagpartner;
 Non-respons-documentatie 2007 (uitvraagbrieven, retourontvangstbewijzen,
systeem registraties);
 Verificatiedocumentatie telefonische stopzetting 2010 (gespreksverslag,
identiteitsverificatie, bevestigingscorrespondentie);
 Volledig invorderingsoverzicht inclusief verrekeningen, afboekingen, aanmaningen
en dwangmaatregelen;
 Interne stukken en adviezen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen;
 FSV-stukken.



4.2
Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding zijn gebracht, ook in de bezwaarprocedure. Voor de beoordeling of een aanvrager van herstel aanspraak maakt op een tegemoetkoming gaat Dienst Toeslagen af op de uitkomst van het onderzoek door het Landelijk incassocentrum (LIC). Die uitkomst is alleen de conclusie of er wel of geen sprake is van een (onterechte) O/GS kwalificatie. Wanneer uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een (onterechte) O/GS kwalificatie of in het geval er überhaupt geen verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is ingediend, heeft de ouder geen recht op de tegemoetkoming. In het verweerschrift heeft Dienst Toeslagen een uitgebreide toelichting gegeven van de werkwijze van het LIC. Kort samengevat houdt dat het volgende in. Per toeslagjaar wordt onderzocht of er aanwijzingen zijn dat een schriftelijk verzoek is ingediend voor een persoonlijke betalingsregeling of dat sprake is (geweest) van een traject in het kader van de Minnelijke Schuldsanering (MSNP). Ontbreekt een dergelijk verzoek of wordt geen (indicatie van een) afwijzing daarvan aangetroffen, dan is er ten aanzien van dat toeslagjaar geen sprake van een (onterechte) O/GS kwalificatie. Het LIC verricht hiertoe een breed bronnenonderzoek, waarbij niet alleen brieven maar ook interne notities, signalen en systeemregistraties worden geraadpleegd. Dienst Toeslagen heeft bij het verweerschrift een document toegevoegd waarin de zoekstappen van het LIC worden toegelicht. Volgens Dienst Toeslagen mag zij in beginsel uitgaan van de uitkomsten van het onderzoek van het LIC, tenzij er concrete aanwijzingen zijn die aanleiding geven tot twijfel. Het achterliggende onderzoek van het LIC kan volgens Dienst Toeslagen niet worden aangemerkt als een op de zaak betrekking hebbend stuk. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij door het gestelde ontbreken van stukken niet in staat is geweest zijn standpunt naar voren te brengen of dat hierdoor een ander besluit zou zijn genomen.



4.3
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt, voor zover hier van belang, dat tot de op de zaak betrekking hebbende stukken tenminste die stukken behoren waarop het bestuursorgaan zijn besluit heeft doen steunen. Stukken waarover het bestuursorgaan de beschikking heeft in verband met de besluitvorming, maar waarop het besluit niet rechtstreeks steunt, hebben als op de zaak betrekking hebbende stukken te gelden als deze stukken gelet op de omvang van het geschil relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het besluit. De rechtbank moet beoordelen of de genoemde stukken relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit. Alleen dan is Dienst Toeslagen op grond van artikel 8:42 van de Awb verplicht om die stukken alsnog te overleggen.



4.4
Het is de rechtbank niet gebleken dat er non-respons-documentatie uit 2007, of andere verificatiedocumentatie over de telefonische stopzetting uit 2010 dan al ingebracht, aanwezig is. Een verdere toelichting daarop volgt onder de punten 6.1 tot en met 7.3 van deze uitspraak. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat Dienst Toeslagen heeft nagelaten om relevante stukken in het kader van de invorderingen van eiser of andere interne stukken en adviezen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen in het geding te brengen. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten geboden op basis waarvan de rechtbank twijfelt aan de volledigheid van de relevante stukken zoals overgelegd door Dienst Toeslagen.



4.5
Ook ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat Dienst Toeslagen stukken over een eventueel onderzoek naar de kwalificatie O/GS in het geding had moeten brengen. Uit artikel 2.6 van de Wht volgt – kort gezegd – dat een O/GS-tegemoetkoming wordt toegekend als er sprake is geweest van onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan diegene geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een betalings- of schuldregeling is aangevraagd en er is niets bekend over een weigering daarvan. Bij die stand van zaken is het daarom niet aannemelijk dat deze stukken relevant zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit. Bovendien heeft Dienst Toeslagen met de toelichting op de zoekstappen van het LIC inzicht gegeven in dat onderzoek en daarvan was in de door eiser aangehaalde uitspraak van de Rechtbank Amsterdam nog geen sprake. Daardoor treft een beroep op deze uitspraak geen doel.



4.6
Voor de FSV-stukken geldt naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde. Het kan in deze niet gaan om stukken die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit, omdat het voor de compensatietoekenning bij de integrale herbeoordeling niet van belang is of eiser geregistreerd stond in de FSV.

Toeslagjaar 2006




5.1
Eiser stelt zich op het standpunt dat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat er voor toeslagjaar 2006 geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Zo heeft Dienst Toeslagen niet inzichtelijk gemaakt welke gegevensbronnen zijn gebruikt.



5.2
Dienst Toeslagen stelt daar tegenover dat uit de systemen niet is gebleken dat eiser een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend voor toeslagjaar 2006. Daarom kan er geen sprake zijn van compensatie op grond van de Wht.



5.3
De rechtbank volgt Dienst Toeslagen in zijn standpunt. In het ouderdossier is een overzicht van het SAS-rapport opgenomen waaruit blijkt dat in het SAS-systeem geen aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend door eiser. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt, of op een andere manier aannemelijk gemaakt, dat wel kinderopvang is afgenomen in 2006. Om die reden kan dus ook geen sprake zijn van schade als gevolg van het handelen van Dienst Toeslagen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Van een motiveringsgebrek is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.


Toeslagjaar 2007




6.1
Eiser stelt zich op het standpunt dat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2007. De enkele stelling dat sprake is geweest van reguliere wijzigingen door eiser is onvoldoende. Ter zitting heeft eiser zijn standpunt zo uitgelegd dat de ingestuurde jaaropgave waar Dienst Toeslagen zich voor de verlaging op heeft gebaseerd, niet door eiser is ingestuurd maar door het frauduleuze gastouderbureau [naam] waar eiser destijds gebruik van maakte. Hoewel eiser zijn handtekening onder het door [naam] ingevulde formulier heeft gezet, betwist eiser de juistheid van de ingevulde gegevens. Bovendien was Dienst Toeslagen op de hoogte van het feit dat [naam] een frauduleus bureau was en daarom had het op de weg van Dienst Toeslagen gelegen om na te vragen of de ingevulde gegevens juist waren. Daarnaast heeft Dienst Toeslagen volgens eiser niet aangetoond dat de non-respons-toets is uitgevoerd. Het dossier bevat geen uitvraagbrieven en retourontvangstbewijzen. Dienst Toeslagen heeft geen concrete systeemcoderingen of aanwijzingen verstrekt waaruit blijkt dat eiser zelf een wijziging heeft doorgegeven.



6.2
Dienst Toeslagen wijst er in het verweerschrift op dat de verlaging van de kinderopvangtoeslag in toeslagjaar 2007 een gevolg is geweest van door eiser aangeleverde informatie, namelijk een jaaropgave over toeslagjaar 2007. Dit betreft een reguliere wijziging en is geen institutioneel vooringenomen handelen. Ter zitting heeft Dienst Toeslagen hieraan toegevoegd destijds geen aanleiding te hebben gezien om een nadere uitvraag te doen omdat eiser het formulier zelf heeft ondertekend en er daarom geen twijfel bestond over of de gegevens klopten. Daarnaast is de reguliere afdeling van Dienst Toeslagen niet op de hoogte van fraudeonderzoeken. Bovendien kwam de fraude door gastouderbureau [naam] pas in 2018 aan het licht waardoor dat in 2007 ook geen aanleiding kan hebben gegeven om te twijfelen aan de door eiser aangeleverde informatie.



6.3
De rechtbank kan de toelichting van Dienst Toeslagen, dat destijds geen aanleiding bestond te twijfelen aan de door eiser aangeleverde informatie, volgen. Te meer omdat eiser het ingevulde antwoordformulier en de jaaropgave zelf heeft ondertekend. Dienst Toeslagen mag ervan uitgaan dat wanneer een document is voorzien van een handtekening, dat degene die heeft ondertekend bekend is met de inhoud van dat document en ook akkoord gaat met de inhoud daarvan. Dat naderhand is gebleken dat gastouderbureau [naam] frauduleus heeft gehandeld, doet daar niet aan af. Hieruit volgt dat Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag heeft verlaagd op basis van een door eiser ingestuurde wijziging en dat betreft een verrekening volgens de gebruikelijke wijze. Van institutioneel vooringenomen handelden is geen sprake wanneer Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag volgens de gebruikelijke wijze heeft verrekend. Ten aanzien van de non-respons-toets overweegt de rechtbank als volgt. In het Handboek Integrale Beoordeling - Vaktechniek wordt de toepassing van de non-respons-toets toegelicht. De toets houdt in dat wanneer de kinderopvangtoeslag is verlaagd of op nihil is gesteld vanwege het feit dat een ouder niet heeft gereageerd, oftewel vanwege non-respons, dat Dienst Toeslagen tenminste twee keer schriftelijk nader moet uitvragen om informatie (een uitvraagbrief en een aanmaning). In dit geval is de verlaging van de kinderopvangtoeslag van eiser een gevolg geweest van door eiser zelf overgelegde informatie en niet vanwege non-respons. Een beroep op de non-respons-toets kan daarom niet slagen.


Toeslagjaar 2010




7.1
Eiser betwist dat de kinderopvangtoeslag op 10 februari 2010 telefonisch door eiser is stopgezet per 1 januari 2010. Er ontbreekt namelijk een gespreksverslag, Dienst Toeslagen heeft de vaststelling enkel gebaseerd op een systeemcode en daarmee is de stopzetting gebaseerd op een niet-geverifieerd feit. Bovendien komen de registraties van de stopzetting in het dossier niet overeen. Uit het feitenoverzicht voor toeslagjaar 2010 blijkt dat de stopzetting in het systeem is geregistreerd op 17 november 2009 terwijl Dienst Toeslagen in diezelfde stukken heeft geregistreerd dat eiser op 10 februari 2010 de kinderopvangtoeslag telefonisch heeft stopgezet. Daarnaast heeft eiser zijn DigiD afgegeven aan gastouderbureau [naam] om alle aanvragen en mutaties namens hem door te voeren. Inmiddels staat vast dat [naam] frauduleus heeft gehandeld. Het is niet uit te sluiten dat [naam] de stopzetting heeft doorgegeven zonder dat eiser die intentie had. Bovendien heeft Dienst Toeslagen niet onderzocht wat de gevolgen voor eiser zijn geweest van het fraudeonderzoek naar [naam] .



7.2
Dienst Toeslagen stelt geen aanleiding te hebben gezien om te twijfelen aan de door eiser doorgegeven stopzetting. Ter zitting heeft Dienst Toeslagen een toelichting gegeven op de twee verschillende registratiemomenten van de stopzetting. De stopzetting van 17 november 2009 is een mutatie geweest die via het webportaal is doorgegeven, de website van de Belastingdienst. Dat is een mutatie die automatisch in het systeem wordt doorgevoerd. Een mutatie die telefonisch wordt doorgegeven door een ouder, wordt handmatig door een ambtenaar van Dienst Toeslagen ingevoerd in het systeem. In het dossier is een Xml-bestand opgenomen waaruit blijkt dat een ambtenaar (met een uniek user ID) de telefonisch doorgegeven stopzetting handmatig heeft ingevoerd. De invoering van de stopzetting is gekoppeld aan het sofinummer van eiser. De stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor 2010 is dus op twee momenten en op twee verschillende manieren doorgegeven. Destijds was het onderzoek naar fraude bij [naam] nog niet bekend. Daarnaast heeft eiser geen bezwaar gemaakt tegen de stopzetting en ook de informatie in de KOI-viewer kwam overeen met de stopzetting. Dat maakt dat Dienst Toeslagen geen aanleiding hoefde te hebben om te twijfelen aan de stopzetting.



7.3
De rechtbank kan de toelichting van Dienst Toeslagen over de registraties van de stopzetting volgen. In het dossier, en de toelichting daarop, zijn geen aanknopingspunten te vinden die destijds hadden moeten leiden tot twijfel over of eiser de kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2010 wilde stopzetten. Ook het feit dat gebleken is dat [naam] frauduleus heeft gehandeld kan naar het oordeel van de rechtbank destijds niet in redelijkheid tot twijfel hebben geleid. Het frauduleus handelen was immers destijds nog niet bekend. Bovendien blijkt nergens uit, en de rechtbank acht dat ook niet geloofwaardig, dat de afdeling van Dienst Toeslagen die zich bezighoudt met de verwerking van mutaties op de hoogte zou zijn van een fraudeonderzoek naar [naam] . Daarnaast heeft eiser op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat wel kinderopvang is genoten in toeslagjaar 2010. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen voor toeslagjaar 2010.


Zorgvuldigheidsbeginsel




8.1
Eiser stelt zich op het standpunt dat Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel door geen onderzoek te doen naar een discrepantie in de terugbetaalde bedragen. Uit het dossier blijkt dat Dienst Toeslagen uitgaat van € 5.639,- maar eiser heeft meer terugbetaald, namelijk ongeveer € 13.000,-. Het is niet duidelijk hoe, en op basis van welke gegevens, Dienst Toeslagen het genoemde bedrag heeft vastgesteld. Uit het dossier blijkt ook dat de persoonlijk zaaksbehandelaar van eiser via de bewindvoerder informatie over de schuld van € 13.000,- zou opvragen, maar daar lijkt geen gevolg aan te zijn gegeven. Deze discrepantie zou reden moeten zijn voor Dienst Toeslagen om het volledige invorderingsverloop te onderzoeken.



8.2
Dienst Toeslagen stelt dat de stelling van eiser dat meer dan € 13.000,- is terugbetaald niet is onderbouwd. Uit de LIC-overzichten volgt duidelijk welke bedragen zijn uitbetaald en teruggevorderd. Deze bedragen zijn als uitgangspunt genomen bij de berekening van de compensatie over de jaren 2008 en 2009.



8.3
De rechtbank stelt vast dat in het gespreksverslag van 5 december 2023 van een gesprek tussen eiser en de persoonlijk zaaksbehandelaar de volgende afspraak is opgenomen: “Ouder gaat op zoek naar informatie bij voormalige bewindvoerder over de schuld van €13.000,-.” Die afspraak staat nog een keer bevestigd in het Informatie- en beoordelingsformulier van de Integrale beoordeling herstelregeling kinderopvangtoeslag UHT. Eiser heeft op geen enkele manier onderbouwd waaruit blijkt dat het terugbetaalde bedrag hoger is dan het door Dienst Toeslagen vastgestelde bedrag van € 5.639,-. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.


Verzoek om immateriële schade




9.1
Ten slotte verzoekt eiser om immateriële schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.



9.2
Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De behandeling van het bezwaar mag maximaal een half jaar duren en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar. In totaal gaat het dus om twee jaar. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden (afgerond naar boven).



9.3
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschift van eiser op 9 augustus 2024 tot deze uitspraak is de redelijke termijn met (naar boven afgerond) twee maanden overschreden. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500,-. De bezwaarprocedure heeft – tot het bestreden besluit van 19 maart 2026 – ongeveer 19 maanden geduurd. De procedure bij de rechtbank is begonnen met het beroepschrift van 30 april 2026 en heeft tot de uitspraak van vandaag ongeveer vijf maanden geduurd. Daarmee is de behandeling bij de rechtbank binnen de anderhalf jaar gebleven. De termijnoverschrijding is daarom in zijn geheel toe te rekenen aan Dienst Toeslagen. De rechtbank zal Dienst Toeslagen dan ook veroordelen tot betaling van € 500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.





Conclusie en gevolgen


10.1
Het beroep is ongegrond. Daarom blijft het bestreden besluit in stand.



10.2
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Dienst Toeslagen moet dit bedrag vergoeden. Eiser krijgt het griffierecht niet vergoed.





Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 500,-;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser, tot een bedrag van
€ 467,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.









Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.


ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.


Dienst Toeslagen verwijst hierbij naar een tweetal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5087 en de uitspraak van 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5847.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 maart 2026 van de rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2026:2483.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6319.



Uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 13 augustus 2025,
ECLI:NL:RVS:2025:3829.
Link naar deze uitspraak