|
|
|
| ECLI:NL:OGEAC:2026:211 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-11-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Curaçao | | Zaaknummers | : | CUR202505117 tot en met C CUR202505117 tot en met C | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding daarvan zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd. Het Gerecht is van oordeel dat de Inspecteur tegenover de betwisting door belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB en OB 2019 tijdig zijn bekendgemaakt. De naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB en OB 2019 dienen daarom vernietigd te worden. De naheffingsaanslagen en vergrijpboetes LB en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019 blijven gehandhaafd. Er is geen aanleiding om uit te gaan van een lager gebruikelijk loon dan zoals door de Inspecteur is gecorrigeerd. | | Trefwoorden | : | aanmerkelijk belang | | | belastingrecht | | | formeel belastingrecht | | | gebruikelijk loon | | | loonbelasting | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | | Uitspraak | Uitspraak van 9 oktober 2026
BBZ nrs. CUR202505117 tot en met CUR202505119
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[belanghebbdende] N.V.
, gevestigd in Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
1PROCESVERLOOP
1.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 23 december 2024 een naheffingsaanslag winstbelasting (WB) over het jaar 2019 opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 184.283. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 92.141 (50%) opgelegd.
1.2
Aan belanghebbende is met dagtekening 27 december 2024 een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) over het jaar 2019 opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 138.429. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 34.607 (25%) opgelegd.
1.3
Aan belanghebbende is met dagtekening 27 december 2024 een naheffingsaanslag loonbelasting (LB) over het jaar 2019 opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 7.933. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 991 (12,5%) opgelegd.
1.4
Aan belanghebbende is met dagtekening 27 december 2024 een naheffingsaanslag premies AOV/AWW over het jaar 2019 opgelegd van NAf 9.092. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 2.273 (25%) opgelegd.
1.5
Aan belanghebbende is met dagtekening 27 december 2024 een naheffingsaanslag premie AVBZ over het jaar 2019 opgelegd van NAf 1.104. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 138 (12,5%) opgelegd.
1.6
Aan belanghebbende is met dagtekening 27 december 2024 een naheffingsaanslag premie BVZ over het jaar 2019 opgelegd van NAf 7.513. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 939 (12,5%) opgelegd.
1.7
Belanghebbende heeft op 20 februari 2025 tegen de naheffingsaanslag en vergrijpboete WB 2019 en op 26 februari 2025 tegen de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes OB, LB, premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019 bezwaar gemaakt.
1.8
Belanghebbende heeft op 23 december 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.9
De Inspecteur heeft met dagtekening 18 maart 2026 de naheffingsaanslag WB verminderd naar Cg 34.316 en de vergrijpboete naar Cg 17.158.
1.10
De Inspecteur heeft op 29 mei 2026 verweerschriften ten aanzien van de WB en de LB en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ ingediend.
1.11
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026 te Willemstad. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [gemachtigde 1]. Namens belanghebbende zijn verder verschenen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verbonden aan [bedrijf 1] ([bedrijf 1]). Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [gemachtigde 2] en mr. [gemachtigde 3]. Namens de SBAB is verschenen [gemachtigde 4] (controlemedewerker). De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting pleitnota’s overgelegd en voorgedragen.
2FEITEN
2.1
Belanghebbende exploiteert een autoverhuurbedrijf. De aandelen van belanghebbende zijn voor 50% in handen van [belanghebbende 2], in de onderhavige jaren tevens directeur van belanghebbende. De overige 50% van de aandelen is in handen van [gemachtigde 1].
2.2
Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften WB, LB en OB voor de jaren 2019 tot en met 2022. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport gedateerd 16 januari 2025.
2.3
De Inspecteur heeft vervolgens (ter behoud van rechten) de onderhavige naheffingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd.
3GESCHIL
3.1
In geschil is:
- of de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB en OB over het jaar 2019 tijdig zijn opgelegd en, zo ja, of deze terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd; en
- of de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes LB en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
4OVERWEGINGEN
Beroep niet tijdig beslissen
4.1
Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag en vergrijpboete WB 2019 is op 20 februari 2025 door de Inspecteur ontvangen en de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes OB, LB, premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019 zijn op 26 februari 2025 door de Inspecteur ontvangen.
4.2
Ingevolge artikel 30, lid 2 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 20 november 2025 (WB 2019) en 26 november 2025 (OB, LB, premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019), een uitspraak heeft gedaan.
4.3
Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden na voormelde periode van negen maanden, in dit geval dus uiterlijk op 20 november 2026 (WB 2019) en 26 november 2026 (OB, LB, premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019), beroep worden ingesteld wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.
4.4
Belanghebbende heeft op 23 december 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Dit beroep is tijdig ingesteld.
4.5
De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op de bezwaren genomen. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar en zal het geschil zelf inhoudelijk beslechten. Partijen hebben immers uitgebreid hun inhoudelijke standpunten toegelicht en verdedigd.
Tijdigheid vaststelling naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB en OB 2019
4.6
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes niet tijdig zijn opgelegd, omdat zij het aanslagbiljet WB 2019 eerst op 3 januari 2025 heeft ontvangen. Het aanslagbiljet OB 2019 heeft zij nimmer ontvangen. Het Gerecht overweegt als volgt.
4.7
Ingevolge artikel 16, lid 1 van de ALL kan de Inspecteur, indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen niet of niet volledig is betaald, de niet of te weinig betaalde belasting naheffen door middel van een naheffingsaanslag ten name van degene die de belasting had behoren te betalen.
4.8
Ingevolge artikel 17, lid 1 van de ALL vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. Voor de bevoegdheid tot het opleggen van de boete geldt ingevolge artikel 21, lid 5 van de ALL dezelfde termijn.
4.9
Als hoofdregel voor het antwoord op de vraag of een (naheffings)aanslag of een boete tijdig is opgelegd, geldt dat de dagtekening van het aanslagbiljet beslissend is. De dagtekening van de onderhavige aanslagbiljetten zijn 23 december 2024 (WB 2019) en 27 december 2024 (OB 2019). De hoofdregel lijdt echter uitzondering indien de aanslag pas na de dagtekening van het aanslagbiljet op de juiste wijze is bekendgemaakt. De Inspecteur heeft de bewijslast met betrekking tot het tijdstip van de bekendmaking van de aanslag.
4.10
Ter zitting heeft de Inspecteur omtrent de bekendmaking van de hiervoor genoemde naheffingsaanslagen en boetes verklaard dat in verband met het dreigen te verstrijken van de termijnen het risicovol werd geacht de aanslagbiljetten ter post aan te bieden. Om die reden zijn er destijds deurwaarders ingeschakeld om de onderhavige aanslagbiljetten tijdig bij belanghebbende te bezorgen. De Inspecteur heeft dan ook zijn verbazing uitgesproken over de stelling van belanghebbende dat anders dan de aanslagbiljetten LB en premies 2019, de aanslagbiljetten WB en OB 2019 niet dan wel eerst op 3 januari 2025 door haar is ontvangen. Uit navraag bij de Ontvanger is gebleken dat de aanslagbiljetten zijn bezorgd, maar dat de documentatie waaruit dit blijkt niet beschikbaar is. Deze documentatie zou in het verkeer tussen de Inspecteur en de Ontvanger op enig moment zijn ‘zoekgeraakt’, aldus de Inspecteur.
4.11
Het Gerecht is van oordeel dat de Inspecteur tegenover de betwisting door belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB en OB 2019 tijdig, dat wil zeggen uiterlijk 31 december 2024, zijn bekendgemaakt. De naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB en OB 2019 dienen daarom vernietigd te worden.
Naheffingsaanslagen LB en premies 2019
4.12
Tijdens het boekenonderzoek is geconstateerd dat de gebruikelijk-loonregeling van artikel 6D lid 1 Landsverordening op de Loonbelasting (LLB) door belanghebbende niet (juist) is toegepast. Het door belanghebbende aangegeven loon voor [belanghebbende 2] bedraagt NAf 19.490 en dat voor [gemachtigde 1] NAf 25.260. Bij het opleggen van de naheffingsaanslagen LB en premies zijn voornoemde bedragen aan loon door de Inspecteur overeenkomstig de in het controlerapport voorgestelde correctie vastgesteld op elk NAf 50.000.
4.13
Artikel 6D, lid 1 LLB luidt als volgt:
“1. Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij direct dan wel indirect een aanmerkelijk belang heeft (…) wordt het in een kalenderjaar genoten loon ten minste gesteld op:
a. een bedrag dat gelijk is aan 50 procent van de omzet van het lichaam; dan wel,
b. een bedrag van NAf 50.000, indien de omzet van het lichaam meer bedraagt dan NAf 100.000; dan wel,
c. indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke arbeid waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is, een bedrag dat gelijk is aan dat lagere loon; dan wel,
d. indien bij het lichaam of daarmee verbonden lichamen ook andere werknemers in dienst zijn, een bedrag dat niet lager is dan het hoogste loon van de overige werknemers. Ingeval aannemelijk is dat het loon, gelet op wat gebruikelijk is in het economische verkeer waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, op een lager bedrag behoort te worden gesteld dan het hoogste loon van de overige werknemers wordt het, in afwijking in zoverre van de vorige volzin, op een zodanig bedrag gesteld dat het niet meer in belangrijke mate afwijkt van hetgeen gebruikelijk is. Het loon wordt in de gevallen genoemd in de voorgaande twee volzinnen nimmer op een lager bedrag gesteld dat het bedrag dat in het desbetreffende geval geldt ingevolge onder a danwel onderdeel b.”
4.14
Artikel 6D LLB is met ingang van 1 januari 2015 in de wet opgenomen. Ter toelichting van de invoering van artikel 6D LLB is het volgende opgemerkt (MvT van 30 december 2014, PB 2014 no. 114, blz. 43-44):
“Het staat de DGA vrij om aannemelijk te maken dat zijn loon lager moet zijn. De manier waarop hij dat aannemelijk kan maken is vrij. Een belangrijk argument kan de jaarrekening zijn. Als de opbrengsten van de vennootschap zodanig zijn dat een salaris naar het bedrag van het eerste lid niet mogelijk is, dan kan het salaris lager vastgesteld worden. Dat het loon lager is dan de norm kan zich ook voordoen bij deeltijdfuncties en bij een arbeidsverhouding die maar een deel van het jaar heeft bestaan."
4.15
Vaststaat dat [belanghebbende 2] en [gemachtigde 1] arbeid hebben verricht ten behoeve van belanghebbende, zij een aanmerkelijk belang hebben en de door belanghebbende aangegeven omzet meer dan NAf 100.000 bedraagt.
4.16
Het Gerecht stelt voorop dat nu de Inspecteur het gebruikelijk loon niet op een hoger bedrag heeft gesteld dan het wettelijk normbedrag van NAf 50.000, het aan belanghebbende is om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die ertoe leiden dat moet worden uitgegaan van een lager gebruikelijk loon (vgl. Hoge Raad 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7206).
4.17
Belanghebbendes stelling dat het loon op een lager bedrag dan NAf 50.000 dient te worden vastgesteld in verband met Covid en het gebruik van noodsteunregelingen slaagt niet. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft pas op 12 januari 2020 bevestigd dat een nieuw coronavirus de oorzaak was van wat wij nu Covid noemen. Er is geen sprake van een bijzondere situatie die aanleiding geeft om voor [belanghebbende 2] en [gemachtigde 1] uit te gaan van een lager gebruikelijk loon dan NAf 50.000.
4.18
Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat [gemachtigde 1] in de onderhavige jaren tevens werkzaam zou zijn geweest als piloot voor een lokale commerciële luchtvaartmaatschappij. Volgens belanghebbenden dient de Inspecteur aannemelijk te maken dat de (per saldo) door [gemachtigde 1] voor belanghebbende verrichte arbeid de door de Inspecteur gehanteerde correctie kan dragen.
4.19
Zoals reeds opgemerkt onder 4.16 rust in een situatie als de onderhavige de bewijslast niet op de Inspecteur, maar op belanghebbende. De enkele stelling dat [gemachtigde 1] tevens werkzaam was voor een andere werkgever - een stelling die pas in de pleitnota, en daarmee rijkelijk laat, is ingebracht – is daartoe onvoldoende. Die stelling impliceert namelijk niet dat de voor belanghebbende verrichte arbeid geen arbeidsbeloning rechtvaardigt die overeenkomt met het wettelijk normbedrag van NAf 50.000. Voor zover belanghebbende zou menen dat het wettelijk normbedrag in aanmerking mag worden genomen in de verhouding dat het aantal voor belanghebbende gewerkte uren staat tot de op voltijdsbasis verrichte uren, faalt die zienswijze.
Belanghebbende dient aannemelijk te maken dat voor de door [gemachtigde 1] verrichte werkzaamheden in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is dan het door de Inspecteur in aanmerking genomen wettelijk normbedrag van NAf 50.000, én voorts dat dit bedrag niet lager is dan het hoogste loon van de overige werknemers werkzaam in het bedrijf van belanghebbende. Bij die berekening mag uiteraard rekening gehouden worden met het feit dat sprake is van een deeltijdfunctie, gesteld dat dit het geval is. Zoals reeds hiervoor is opgemerkt, is belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.
4.20
Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om uit te gaan van een lager gebruikelijk loon dan door de Inspecteur is vastgesteld. De naheffingsaanslagen LB en AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019 dienen dan ook gehandhaafd te blijven.
Vergrijpboetes LB en premies 2019
4.21
Aan belanghebbende zijn gelijktijdig met de naheffingsaanslagen vergrijpboetes opgelegd van 25% (premies AOV/AWW) en 12,5% (LB en premies AVBZ en BVZ). In het controlerapport wordt vermeld dat de vergrijpboetes voor de LB zijn gebaseerd op artikel 21 ALL in combinatie met artikel 4.8, lid 2 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (MRFB).
4.22
Op grond van artikel 21, lid 1 ALL kan de Inspecteur indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingverordening gestelde termijn is betaald, een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100%.
4.23
In de MRFB is onder meer het boetebeleid van de Inspecteur neergelegd. Op grond van artikel 4.8, lid 2 MRFB legt de Inspecteur een boete op van 25% ingeval van grove schuld. In artikel 4.8 lid 5 MRFB is verder bepaald dat in geval van pseudo-samenloop de hoogste boete wordt gehandhaafd en de overige boeten elk verminderd worden tot de helft.
4.24
Naar het oordeel van het Gerecht is sprake van grove schuld zijdens belanghebbende als gevolg waarvan te weinig belasting en premies zijn afgedragen. Aan de reden waarom een veel lager loon in aanmerking is genomen dan het wettelijk normbedrag van NAf 50.000 liggen volgens belanghebbende financiële en economische overwegingen ten grondslag. Ter zitting bij het Gerecht heeft belanghebbende/diens gemachtigde uitgelegd dat bij het vaststellen van de jaarrekening 2019, in 2021, men inmiddels op de hoogte was van (de effecten van) COVID. Uit het oogpunt van voorzichtigheid (het aanhouden van een ‘appeltje voor de dorst’) is toen bewust besloten om de lonen voor de aandeelhouders te bepalen op de bedragen zoals vermeld onder 4.12. Om die reden is belanghebbende van mening dat het in het onderhavige jaar pleitbaar is om van lagere bedragen uit te gaan dan van het wettelijk normbedrag.
4.25
Het Gerecht acht het standpunt van belanghebbende onjuist en niet pleitbaar en wordt dan ook door het Gerecht verworpen. Het gebruikelijk loon over het jaar 2019 wordt in 2019 van maand tot maand genoten. De in artikel 6D LLB neergelegde voorwaarden/vereisten bieden geen ruimte om achteraf het wettelijk normbedrag te corrigeren vanwege omstandigheden die zich in een later jaar hebben voorgedaan om zodoende te kunnen ‘sparen’ voor minder goede jaren.
4.26
Ook los van het overwogene in 4.24 en 4.25 is het Gerecht van oordeel dat sprake is van grove schuld. Daarvan is sprake indien in ernstige mate sprake is van onvoldoende zorgvuldigheid, onvoorzichtigheid of onachtzaamheid. Het Gerecht is van oordeel dat daarvan in casu sprake is. Belanghebbende had redelijkerwijs kunnen en ook moeten weten dat voor aanmerkelijk belanghouders die werkzaamheden verrichten voor ‘hun’ vennootschap een aparte regeling, de gebruikelijk loonregeling, wordt gehanteerd. Zulks spreekt zich in kringen van (groot)aandeelhouders rond, en ook belanghebbende en haar aandeelhouders hadden van deze regeling op de hoogte moeten zijn of minst genomen op de hoogte kunnen zijn. Het niet (verder) onderzoeken van deze regeling door belanghebbende acht het Gerecht dermate lichtvaardig dat ook zelfstandig beoordeeld het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven.
4.27
De boetes acht het Gerecht passend en geboden.
Slotsom
4.28
Doende wat de Inspecteur behoorde te doen zal het Gerecht de bezwaren gegrond verklaren voor zover deze zien op de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB en OB 2019. Deze naheffingsaanslag en vergrijpboetes dienen vernietigd te worden (zie 4.11). De naheffingsaanslagen en vergrijpboetes LB en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ blijven gehandhaafd.
5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Kosten bezwaarfase
5.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. De naheffingsaanslagen en boetes WB en OB 2019 zijn naar het oordeel van het Gerecht niet, zoals is vereist in artikel 32a, lid 2 ALL, door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht opgelegd.
Kosten beroepsfase
5.2
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (hierna: LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3
In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 512 (voorheen PB 2001, no. 127) (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.4
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. De kosten kunnen worden berekend op Cg 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van NAf 700 en een wegingsfactor 1). Het Gerecht overweegt hierbij dat de gemachtigde één beroepschrift heeft ingediend zodat sprake is van één zaak in de zin van voormeld Besluit, ook al betreft het meerdere zaken (vgl. HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3953).
Griffierecht
5.5
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van Cg 150 aan belanghebbende te vergoeden.
6DE BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;
- verklaart het bezwaar gegrond voor zover het de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB en OB 2019 betreft;
- vernietigt de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB en OB 2019;
- handhaaft de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes LB en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Cg 1.400; en
- gelast de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht ten bedrage van Cg 150 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 9 oktober 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500
Vgl. HR 7 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1601.
Vgl. GHvJ 10 maart 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:85, (stilzwijgend) bevestigd in HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:50. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|