|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:10398 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 26/4266 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | 8:55; Verzet gegrond. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bpm | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/4266
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2026 op het verzet van
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 april 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 november 2023 over de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) met [aanslagnummer] . De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend.
1.1.
De rechtbank Den Haag heeft het beroep op 12 april 2024 kennelijk ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen verzet ingesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 3 december 2024 het verzet ongegrond verklaard. Belanghebbende is hiertegen in cassatie gegaan.
1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 april 2026 beslist dat de uitspraak op het verzet niet in stand kan blijven en verdere beslissingen aangehouden worden. De Hoge Raad heeft vervolgens op 17 juli 2026 het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak op het verzet vernietigd. De Hoge Raad verwijst het geding naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant ter verdere behandeling van het verzet met inachtneming van het arrest.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat het verzet gegrond is en heeft belanghebbende om die reden niet gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 12 april 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Belanghebbende heeft in verzet aangevoerd dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur de naheffingsaanslag per post heeft verzonden voor of op 13 april 2023.
2.2.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 april 2026 het volgende overwogen:
“3.4.2 Tijdens de beroepsprocedure heeft belanghebbende de Inspecteur gevraagd om een verzendbewijs van de naheffingsaanslag. In zijn verweerschrift bij de Rechtbank heeft de Inspecteur in antwoord daarop vermeld dat hij niet een verzendbewijs over kan leggen omdat van de verzending van naheffingsaanslagen geen registratie wordt bijgehouden. De Inspecteur heeft ook geen ander bewijs van het moment van verzending overgelegd. Dit betekent dat de Inspecteur niet is geslaagd in het van hem verlangde bewijs wanneer en aan welk postbedrijf de naheffingsaanslag ter verzending is aangeboden. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de naheffingsaanslag niet voor of op 13 april 2023 is bekendgemaakt. De bezwaartermijn van zes weken vangt dan pas aan op de dag waarop belanghebbende de naheffingsaanslag onder ogen heeft gekregen.”
2.3.
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid gaat de rechtbank er daarom van uit dat de bezwaartermijn is aangevangen op de datum waarop belanghebbende de naheffingsaanslag onder ogen heeft gekregen. Belanghebbende is op 5 juni 2023 bekend geworden met de naheffingsaanslag. Het bezwaar is door de inspecteur op 20 juni 2023 ontvangen en dus binnen de gestelde termijn van zes weken ingediend. In de uitspraak van 12 april 2024 is daarom ten onrechte geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzet is gegrond. Dit betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan.
3.1.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 23,35 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,-, een wegingsfactor 0,5 en een factor 0,10). Aangezien de buiten-zittinguitspraak is gedaan in 2024, is een factor 0,10 toegepast op de proceskostenvergoeding voor de verzetsprocedure op grond van artikel 19a, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Gelet op hetgeen daarover is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026 is geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in dat wetsartikel en kan de factor 0,10 worden toegepast.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzet gegrond;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 23,35.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit volgt uit artikel 8:55, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Awb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|