|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:1405 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-11-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 24/1947 AKW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Kinderbijslag. Betoog van appellant om kinderbijslag met een verdergaande terugwerkende kracht te krijgen slaagt niet. Artikel 14, derde lid, van de AKW is een dwingendrechtelijke bepaling van een wet in formele zin. Voor de Svb bestaat geen mogelijkheid om van die bepaling af te wijken. Beroep op evenredigheidsbeginsel slaagt niet. | | Trefwoorden | : | kinderbijslag | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 juli 2024, 23/57 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
SAMENVATTING
De Svb heeft aan appellant kinderbijslag met een terugwerkende kracht van een jaar toegekend. Appellant vindt dat hij de kinderbijslag met een verdergaande terugwerkende kracht zou moeten krijgen, omdat de intrekking van zijn verblijfsvergunning ongedaan is gemaakt. De Raad is van oordeel dat de wettekst van artikel 14, derde lid, van de AKW een dwingende bepaling is en er voor de Svb geen mogelijkheid bestaat om daarvan af te wijken. Daarom komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en het besluit van de Svb in stand blijft.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I.M. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken in geding gebracht.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Namens appellant is mr. Van den Heuvel verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft de Marokkaanse nationaliteit. De kinderen van appellant wonen bij de moeder in Marokko. Appellant heeft een periode kinderbijslag op grond van de AKW voor zijn kinderen ontvangen. Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is de kinderbijslag beëindigd, omdat appellant niet heeft gereageerd op brieven van de Svb. Appellant heeft vervolgens opnieuw aanvragen voor kinderbijslag ingediend, maar de Svb heeft deze met besluiten van 29 maart 2019 en 13 juli 2021 afgewezen. Voor zover hier van belang heeft de Svb met het besluit van 13 juli 2021 bepaald dat appellant vanaf het derde kwartaal van 2020 geen recht had op kinderbijslag, omdat hij geen geldige verblijfsvergunning had. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
In juni 2022 heeft appellant opnieuw kinderbijslag aangevraagd voor zijn kinderen. Met een besluit van 11 oktober 2022 heeft de Svb de aanvraag vanaf het tweede kwartaal van 2021 afgewezen, omdat geen recht bestaat op kinderbijslag voor kinderen die in Marokko wonen. Met een besluit van 24 november 2022 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Tijdens het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft de Svb op 5 juli 2023 een nader besluit genomen (bestreden besluit 2). Aan appellant is alsnog met ingang van het tweede kwartaal van 2021 kinderbijslag toegekend. Aan dit besluit ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat het recht op kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aanvraag werd ingediend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Verder is een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten uitgesproken. Volgens de rechtbank volgt uit artikel 14, derde lid, van de AKW dat kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden om contra legem van de dwingendrechtelijke bepaling af te wijken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt dat hij recht heeft op kinderbijslag met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar, omdat in juni 2022 de intrekking van zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 1 oktober 2012 ongedaan is gemaakt. De rechtbank had moeten toetsen of het beroep van de Svb op formele wetgeving in het geval van appellant in strijd is met artikel 6 van het EVRM, het recht op eerlijk proces, de rechtszekerheid en of dat beroep geen misbruik van recht oplevert. Ook had de hardheidsclausule moeten worden toegepast. Tot slot is op zitting aangevoerd dat de Svb de aanvraag van juni 2022 ten onrechte niet heeft opgevat als een verzoek om herziening.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluit 2 over de weigering om kinderbijslag toe te kennen met een terugwerkende kracht langer dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
In hoger beroep is uitsluitend in geschil of appellant recht heeft op kinderbijslag met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag is ingediend.
4.2.
Ter zitting is met de gemachtigde van appellant besproken dat zijn beroep op de rechtsbeginselen en de hardheidsclausule in de kern er op neer komt dat appellant vindt dat artikel 14, derde lid, buiten toepassing moet worden gelaten omdat toepassing in de situatie van appellant onevenredig uitpakt. Appellant heeft geen recht op kinderbijslag vanwege het – achteraf gebleken – onrechtmatig handelen van de IND.
4.3.
Het betoog dat artikel 14, derde lid, van de AKW buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Dit artikel is een dwingendrechtelijke bepaling van formele wetgeving. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staan artikel 11 van de Wet algemene bepalingen en het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing van een dergelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. In zo’n geval kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die niet verdisconteerde, bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (zogenoemde ‘contra-legemtoepassing’). Van bijzondere omstandigheden die niet verdisconteerd zijn in de afweging van de wetgever is hier geen sprake. Appellant heeft in juni 2022 de aanvraag voor kinderbijslag gedaan. Hierdoor is het sinds 1 januari 2016 gewijzigde artikel 14, derde lid, van de AKW van toepassing. Op grond van die bepaling kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. De mogelijkheid om in bijzondere gevallen een uitzondering te maken is sinds 1 januari 2016 niet meer in artikel 14 van de AKW opgenomen. De reden daarvoor was dat de uitvoeringskosten in geen verhouding stonden tot het aantal personen dat voordeel had van deze bepaling. Slechts in een beperkt aantal gevallen werd kinderbijslag betaald met langere terugwerkende kracht dan een jaar. Dat in een geval als dat van appellant geen volledige reparatie kan plaatsvinden op basis van een individuele beoordeling van zijn situatie, is dus een bewuste keuze van de wetgever geweest. In die omstandigheden heeft de rechter geen ruimte om aan het evenredigheidsbeginsel te toetsen.
4.4.
Voor wat betreft de grond dat de toepassing van artikel 14, derde lid, van de AKW door de Svb in de situatie van appellant een schending zou opleveren van artikel 6 van het EVRM heeft de gemachtigde desgevraagd gesteld dat de schending er in gelegen is dat op louter formele gronden kinderbijslag is geweigerd. Deze grond slaagt niet. In het feit dat de Svb uitvoering heeft gegeven aan een wet die niet voorziet in een langere terugwerkende kracht dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag is ingediend, ziet de Raad geen schending van het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM.
4.5.
Tot slot heeft de gemachtigde van appellant op de zitting aangevoerd dat de aanvraag van juni 2022 als een verzoek om herziening van het afwijzende besluit van 13 juli 2021 had moeten worden opgevat. Met het bestreden besluit 2 is daar ten onrechte geen besluit op genomen. De Raad constateert dat dit een nieuwe grond is, die te laat is ingebracht. Gesteld noch gebleken is dat er een goede reden is waarom appellant dit punt niet eerder naar voren kon brengen en de Svb hiervan niet tijdig voor de zitting op de hoogte kon brengen. De Raad laat deze grond daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering om kinderbijslag toe te kennen met een terugwerkende kracht langer dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.
(getekend) A. Hoogenboom
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene Kinderbijslagwet
Artikel 14
1. De Sociale verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat. (..)
3. Het recht op kinderbijslag kan niet vroeger ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. (..)
Algemene Kinderbijslagwet.
(Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Immigratie en Naturalisatiedienst.
CRvB 1 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:236; ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.11 e.v.
CRvB 6 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1065.
Memorie van Toelichting bij de Verzamelwet SZW 2016, Kammerstukken II 2014-2015, 34 273, nr. 3, p. 2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|