|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2025:3816 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-11-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 04-11-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 24/3825 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | WOZ-waarde woning 2022. Het Hof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank, omdat belanghebbende, de gebruiker (huurder) van de woning, geen procesbelang heeft. | | Trefwoorden | : | woz waarde | | | woz-beschikking | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3825
18 november 2025
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
, wonende te [plaats] , belanghebbende
tegen de uitspraak van 8 oktober 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/2413 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 26 februari 2021 (de WOZ-beschikking) op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2022 (hierna ook: de WOZ-waarde) vastgesteld op € 228.000.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft het door hem ingestelde hoger beroep bij brief van 15 januari 2025 (nader) gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
Het Hof gaat uit van de volgende, door de rechtbank vastgestelde feiten:
“1. De woning betreft een sociale huurwoning waarvan [belanghebbende] de huurder is.”
3Geschil in hoger beroep
Tussen partijen is in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of de rechtbank terecht geen vergoeding van immateriële schade heeft toegekend.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“Griffierecht
3. Eiser heeft de rechtbank in de onderhavige zaak gevraagd om ontheffing van betaling van griffierecht in verband met betalingsonmacht. Naar aanleiding van de door eiser op verzoek van de rechtbank verstrekte informatie heeft de griffier van de rechtbank eiser meegedeeld voorlopig van mening te zijn dat hij niet voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht, en dat de rechter die het beroep behandelt definitief zal beslissen of hij in staat is het griffierecht te betalen. Eiser heeft vervolgens het voor de onderhavige zaak verschuldigde griffierecht voldaan. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard zijn verzoek om ontheffing van betaling van griffierecht in verband met betalingsonmacht te handhaven. De rechtbank zal daarom eerst vaststellen of het voorlopig oordeel van de griffier moet worden bevestigd.
4. Doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of een beroep op betalingsonmacht slaagt, is of het netto-inkomen waarover de rechthebbende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 95 percent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts of hij of zij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald.
5. De periode die van belang is voor de beoordeling van het onderhavige beroep op betalingsonmacht (beoordelingsperiode) loopt vanaf de datum dat de griffier eiser voor de eerste maal op de verschuldigdheid van griffierecht heeft gewezen tot en met de datum waarop het griffierecht voorafgaand aan de zitting uiterlijk op de rekening van de rechtbank moest zijn bijgeschreven of ter griffie zijn gestort. De termijn gerekend vanaf de aan eiser toegestuurde griffienota en eventuele herinnering is daarbij leidend. De eerste nota griffierecht is gedateerd 22 april 2023 en de herinnering 21 mei 2023. De betaling had dus uiterlijk binnen moeten zijn op respectievelijk 20 mei 2023 en 18 juni 2023.
6. In de periode van 1 januari 2023 tot 1 juli 2023 bedroeg de maximale bijstandsnorm voor een alleenstaande € 1.195,66 en was 95% van de norm € 1.135,87.
7. Eiser heeft een bobog-verklaring ingediend, waarin hij verklaart alleenstaand te zijn met minderjarige kinderen, en wel over inkomen, maar niet over vermogen te beschikken. Bij deze verklaring heeft eiser een salarisstrook gevoegd van [A] C.V. (hierna: [A] ), die ziet op de periode 24 april 2023 tot en met 21 mei 2023, waarin een nettoloon van € 794,48 staat vermeld.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn beroep op betalingsonmacht onvoldoende onderbouwd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de door eiser overgelegde salarisstrook maakt de rechtbank op dat eiser in de periode van vier weken waarop de salarisstrook betrekking heeft in totaal 40 uur heeft gewerkt voor [A] , verdeeld over 20 werkdagen, hetgeen neerkomt op 2 uur per werkdag. Eiser verricht naast zijn werkzaamheden voor [A] ook nog werkzaamheden via zijn eenmanszaak Juradvin. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij geen inkomsten ontvangt uit Juradvin. Volgens eiser werkt Juradvin op basis van no-cure-no-pay. Juradvin ontvangt sinds 2021 geen proceskostenvergoedingen meer, maar moet wel al de griffierechten betalen, waardoor deze een negatieve vermogenspositie heeft, aldus eiser. Tijdens een op 12 juni 2024 door deze rechtbank behandelde zaak met zaaknummer HAA 22/4616, waarin eiser in het kader van zijn werkzaamheden voor Juradvin optrad als gemachtigde, is door eiser echter gesteld dat Juradvin een tarief hanteert van € 50 per uur. Nu eiser verder geen inzicht heeft verschaft in de inkomsten van Juradvin, ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van eiser om ontheffing van betaling van griffierecht in verband met betalingsonmacht alsnog toe te wijzen. De enkele stelling van eiser dat volgens recente jurisprudentie van gerechtshof Amsterdam geen proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand wordt toegekend omdat eiser niet zou kwalificeren als een beroepsmatige rechtsbijstandverlener, is onvoldoende om aan te nemen dat eiser reeds eind 2022 begin 2023 geen dan wel onvoldoende inkomsten genoot om boven de inkomensgrens te komen. Eiser heeft daarom terecht griffierecht betaald.
Ontvankelijkheid beroep / procesbelang
9. De rechtbank zal in deze uitspraak vervolgens beoordelen of eiser als huurder van de woning procesbelang heeft bij dit beroep.
10. Als uitgangspunt geldt dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking is bekendgemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft (zie Hoge Raad 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467). Hierop geldt een uitzondering wanneer uit de vaststaande feiten volgt dat de gebruiker van een woning door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen. In die gevallen dient, in afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt, te worden aangenomen dat een rechtsmiddel (bezwaar, beroep of hoger beroep) niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft, in die zin dat het aanwenden van dat rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht (zie Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238).
11. In dit geval oordeelt de rechtbank dat eiser geen procesbelang heeft. Uit de vaststaande feiten vloeit voort dat eiser als de gebruiker van de woning door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen. Eiser is de huurder van de woning waarop de WOZ-beschikking ziet. De WOZ-waarde vormt niet de heffingsmaatstaf voor aan eiser op te leggen belastingen. In dit geval is sprake van een niet-geliberaliseerde woonruimte (een sociale huurwoning). In een dergelijk geval kan de huurder belang hebben bij een lagere WOZ-waarde omdat de WOZ-waarde mogelijk van invloed is op zijn huurprijs. Op grond van de door verweerder verstrekte informatie stelt de rechtbank vast dat voor 2022 de door eiser betaalde huurprijs ruim onder de maximale huurprijsgrens bij een WOZ-waarde van € 228.000 ligt. De door eiser verdedigde verlaging van de WOZ-waarde voor 2022 kan geen invloed hebben op de voor eiser in 2022 geldende huurprijs. Als namelijk wordt uitgegaan van de door eiser voorgestane WOZ-waarde van € 122.000 dan komt hij uit op een maximale huurprijs van € 594,03, die nog steeds een stuk hoger is dan de door eiser in 2022 betaalde huur. Eiser ondervindt aldus geen direct financieel gevolg bij een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ongeacht de gronden waarop het beroep en de door eiser verdedigde waarde steunen, eiser niet in een betere positie kan komen met het aangewende beroep. Het beroep dient reeds om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.
12. Eiser heeft gesteld dat zijn belang bij een lagere WOZ-waarde bijvoorbeeld is gelegen in de omstandigheid dat indien hij gebruik zou willen maken van de mogelijkheid tot woningruil, de verhuurder (woningcorporatie Ymere) de mogelijkheid heeft om voor de potentiële nieuwe huurder een nieuwe huursom vast te stellen op basis van het aantal punten gebaseerd op de actuele WOZ-waarde, hetgeen een belemmering zou kunnen vormen voor de potentiële nieuwe huurder om akkoord te gaan met woningruil. Daargelaten de vraag of dergelijke niet-fiscale gevolgen een procesbelang in voornoemde zin kunnen opleveren, acht de rechtbank deze stelling over mogelijke toekomstige gebeurtenissen te onbepaald om de conclusie te kunnen dragen dat eiser belang heeft bij de onderwerpelijke procedure over de WOZ-waarde van zijn sociale huurwoning. Voor zover eiser, zoals hij in procedures met betrekking tot een eerder jaar heeft aangevoerd, ook nog heeft bedoeld aan te voeren dat zijn belang bij een lagere WOZ-waarde is gelegen in de mogelijkheid dat woningcorporatie Ymere (de eigenaar van de woning) de woning te koop zou aanbieden, waarbij hijzelf dan als mogelijke koper zou kunnen fungeren, en waarvoor de WOZ-waarde dan van belang zou kunnen zijn, leidt dit evenmin tot een ander oordeel omdat ook hiervoor geldt dat deze mogelijke toekomstige gebeurtenissen te onbepaald zijn om te concluderen dat eiser belang heeft bij de onderhavige procedure (vgl. Hof Amsterdam 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3553, r.o. 5.7).
13. Nu eiser geen procesbelang heeft bij het beroep, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep. Bij deze uitkomst behoeft het verzoek van verweerder om tardiefverklaring van de door eiser op 8 juli 2024 ingediende nadere stukken geen behandeling meer.
Verzoek vergoeding van immateriële schade
14. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vaststaat dat de redelijke termijn op het moment van het doen van uitspraak door deze rechtbank is overschreden. Desalniettemin bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij eiser heeft veroorzaakt omdat, zoals hiervoor reeds is overwogen, er geen sprake is van een financieel belang (zie het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1361). De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en zal het verzoek om vergoeding van immateriële schade afwijzen.”
5Beoordeling van het geschil
Betalingsonmacht griffierecht hoger beroep
5.1.
De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht voorlopig afgewezen. Belanghebbende heeft geen inzicht verschaft in de inkomsten die hij heeft gegenereerd met zijn activiteiten als gemachtigde (Juradvin). Zonder complete gegevens kan niet worden beoordeeld of belanghebbende in staat is om het griffierecht te voldoen. Het Hof wijst het beroep op betalingsonmacht daarom definitief af. Het griffierecht is na de voorlopige afwijzing alsnog binnen de daartoe gestelde termijn voldaan.
Ten principale
5.2.
De rechtbank heeft naar ’s Hofs oordeel op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Al hetgeen belanghebbende daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. In aanvulling hierop overweegt het Hof nog het volgende.
5.3.
Belanghebbende wijst er in zijn hoger beroepschrift op dat het arrest Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238 een woning met geliberaliseerde huur betrof, terwijl in zijn geval sprake is van een sociale huurwoning. Het arrest mist daarom toepassing, aldus belanghebbende. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Uit rechtsoverweging 4.1.3 van genoemd arrest volgt dat in gevallen waarin uit de vaststaande feiten voortvloeit dat de gebruiker (huurder) van de woning door een wijziging van de vastgestelde woz-waarde niet in een gunstiger positie kan komen, een tegen die waarde ingesteld rechtsmiddel (bezwaar, beroep of hoger beroep) niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft, in die zin dat het aanwenden van dat rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. In punt 11 van haar uitspraak heeft de rechtbank – in hoger beroep onbestreden – geoordeeld dat een dergelijke situatie zich in dit geval voordoet, gelet op de reeds zeer lage huur die belanghebbende betaalt voor de woning.
5.4.
De mogelijkheid van een verkoop van de woning door de verhuurder (woningcorporatie Ymere) of de mogelijkheid van een woningruil brengt naar ’s Hofs oordeel niet met zich dat belanghebbende een belang heeft bij de procedure over de woz-waarde van zijn sociale huurwoning. In eerdere uitspraken heeft het Hof reeds geoordeeld dat de door belanghebbende aangevoerde stellingen over mogelijke toekomstige gebeurtenissen te onbepaald zijn om daaruit enig belang af te leiden (zie de uitspraak van dit Hof van 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3553 en van 2 februari 2021 ECLI:NL:GHAMS:2021:369). De door belanghebbende tegen genoemde uitspraken gerichte cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard (zie HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:633 en HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1782).
5.5.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift van belanghebbende niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk had moeten verklaren en dat – nu de heffingsambtenaar dit heeft nagelaten – de rechtbank dit alsnog had moeten doen. Tot een gegrondverklaring van het hoger beroep kan dat evenwel niet leiden, omdat ook een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in de weg staat aan een oordeel over de door belanghebbende bepleite verlaging van de vastgestelde WOZ-waarde, zodat met een gegrondverklaring van het hoger beroep op deze grond geen redelijk belang zou zijn gediend (vgl. voormeld arrest Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238, r.o. 4.1.5).
5.6.
Vanwege het ontbreken van enig belang heeft de rechtbank ook terecht geen vergoeding van immateriële schade toegekend.
Slotsom
5.7.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|