Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:6649 
 
Datum uitspraak:20-10-2026
Datum gepubliceerd:04-11-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:C/08/343232 / ES RK 25-84
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Echtscheiding shariarechtbank niet erkend. Beoordeling op grond van artikel 10:58 BW. Eenhoofdig gezag, hoofdverblijfplaats en huurrecht.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
echtscheiding
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/343232 / ES RK 25-8432


Beschikking van 20 oktober 2026


in de zaak van:



[de vrouw]
,

wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: vrouw of de moeder,
advocaat: mr. I.M. Verhaar,

tegen



[de man]
,

wonende op een onbekende woon- en verblijfplaats,
hierna te noemen: de man of de vader.




1De procedure


1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:


het verzoekschrift van de vrouw (met bijlagen), binnengekomen op 30 december 2025;


het exploot van de betekening van 9 januari 2026, binnengekomen op 16 januari 2026;


de op 16 januari 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Verhaar;


het herstelexploot van de betekening van 12 januari 2026, binnengekomen op 20 januari 2026;


de op 8 mei 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Verhaar.





1.2
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 29 september 2026. Daarbij waren aanwezig:


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat:



[naam 1] en [naam 2], namens de Raad voor de Kinderbescherming


(hierna: de raad).



1.3
De man is naar behoren opgeroepen, maar niet verschenen.



1.4

[minderjarige 2] heeft per brief laten weten wat zij van het verzoek vindt. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.





2De feiten


2.1
De vrouw stelt dat zij op [datum] 2002 te [plaats] met de man is gehuwd.



2.2
Zij zijn de ouders van:




[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1];




[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2].





2.3
Partijen hebben zich in 2006 in Nederland gevestigd. Uit de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) volgt dat de man sinds 9 september 2024 is geëmigreerd.



2.4
De man, de vrouw en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.





3Het verzoek


3.1
De vrouw verzoekt de rechtbank om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


de echtscheiding uit te spreken tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] 2002 te [plaats];


te bepalen dat de minderjarige kinderen van partijen de hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;


te bepalen dat het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gewijzigd en de vrouw voortaan belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen van partijen;


te bepalen dat de vrouw het uitsluitend recht van gebruik en bewoning heeft van de


echtelijke woning aan de [adres] en het gebruik van de zaken die behoren tot deze woning en de inboedel daarvan heeft.





4Het verweer


4.1
De man heeft geen verweer gevoerd.





5De beoordeling


De echtscheiding



Kan de echtscheiding van de Shariarechtbank worden erkend?



5.1
De vrouw heeft een uitspraak van de shariarechtbank van 25 april 2025 over de echtscheiding tussen haar en de man overgelegd. Eerst moet worden beoordeeld of deze echtscheiding kan worden erkend in Nederland.



5.2
De rechtbank is van oordeel dat de erkenning van de echtscheiding moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 10:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel ziet op een ontbinding van het huwelijk in het buitenland die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten tot stand is gekomen. Uit de door de vrouw overgelegde uitspraak volgt dat de echtscheiding op basis van verstek (de vrouw is niet verschenen) is uitgesproken. Verder volgt uit de uitspraak: ‘hiermee is de echtscheiding religieus rechtsgeldig geworden als een herroepelijke echtscheiding voor de eerste keer, op basis van zijn verklaring’ en: ‘(…)de echtgenoot was bevoegd om de scheiding uit te spreken’. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat de ontbinding van het huwelijk heeft plaatsgevonden op basis van een eenzijdige verklaring van de man en dat de erkenning van de echtscheiding dus getoetst moet worden aan de hand van artikel 10:58 BW.



5.3
Uit artikel 10:58 BW volgt dat de ontbinding van het huwelijk in het buitenland die door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten tot stand is gekomen, wordt erkend indien de ontbinding in deze vorm overeenstemt met het nationaal recht van de echtgenoot die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden (a), de ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft (b) en duidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust (c).



5.4
De rechtbank is van oordeel dat erkenning van de ontbinding van het huwelijk op grond van artikel 10:58 BW niet kan plaatsvinden, omdat niet wordt voldaan aan sub a. De man heeft blijkens de stukken uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. De ontbinding van het huwelijk stemt niet overeen met het Nederlands recht, omdat volgens Nederlands recht een echtscheiding alleen kan worden uitgesproken door de Nederlandse rechter en niet door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten.



5.5
Dit betekent dat de echtscheiding van de Shariarechtbank in Nederland niet kan worden erkend.


De rechtsgeldigheid en erkenning het huwelijk




5.6
De rechtbank dient eerst te beoordelen of sprake is van een rechtsgeldig huwelijk voordat aan het verzoek tot echtscheiding kan worden toegekomen. Artikel 10:31 lid 1 BW bepaalt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig wordt erkend.



5.7
Artikel 10:31 lid 4 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. De vrouw heeft een afschrift van de huwelijksakte overgelegd.



5.8
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam aangetoond dat partijen op [datum] 2002 te [plaats] zijn gehuwd en gaat de rechtbank ervan uit dat het huwelijk in Irak is gesloten op de aldaar voorgeschreven wijze en dat dit huwelijk naar Irakees recht rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit huwelijk komt op grond van het bepaalde in artikel 10:31 lid 1 BW voor erkenning in Nederland in aanmerking, tenzij deze erkenning onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland. Hiervan is niet gebleken.


Het ontbreken van het ouderschapsplan




5.9
Het is de ouders nog niet gelukt een ouderschapsplan te maken. In een ouderschapsplan staan de afspraken over de kinderen, zoals wanneer de kinderen bij wie zijn en hoe de ouders elkaar op de hoogte houden over de kinderen. Als de ouders geen ouderschapsplan hebben gemaakt, neemt de rechtbank geen beslissing totdat zij zo’n plan hebben gemaakt. De rechtbank kan daarop een uitzondering maken als niet van de ouders kan worden verwacht dat zij samen een ouderschapsplan maken.



5.10
De rechtbank bepaalt dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot echtscheiding. Dat wil zeggen dat het verzoek tot echtscheiding en de andere verzoeken inhoudelijk worden behandeld. De rechtbank vindt namelijk dat van de ouders niet kan worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat de ouders niet tot nauwelijks met elkaar overleggen sinds het vertrek van de man naar Irak in 2024.


De inhoudelijke beoordeling




5.11
De rechtbank zal de echtscheiding tussen de vrouw en de man uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De vrouw vindt namelijk dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.


Het eenhoofdig gezag




5.12
De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.



5.13
De rechtbank is van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is.



5.14
De vader is op 9 september 2024 vertrokken naar Irak. Sindsdien is het voor de moeder niet mogelijk gebleken om samen met de vader gezagsbeslissingen te nemen. De vader heeft in de afgelopen periode niet of te laat gereageerd voor een operatie voor één van de kinderen en voor een aanvraag voor Duo. De vader heeft daarnaast een vakantiereis van de moeder en de kinderen naar het buitenland tegengehouden, zonder aan te geven waarom de moeder deze reis met de kinderen niet mocht maken. De moeder had de vliegtickets al betaald. De moeder ervaart hierdoor stress, omdat belangrijke dingen voor de kinderen niet of niet op tijd geregeld kunnen worden. Deze houding is naar het oordeel van de rechtabnk niet in het belang is van de kinderen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de vader vanwege zijn langdurige verblijf in Irak onvoldoende zicht heeft op wat er speelt in het leven van de kinderen om adequate gezagsbeslissingen te kunnen nemen. De vader is niet of nauwelijks betrokken bij het dagelijks leven van de kinderen. Dat de vader recent naar Nederland is gekomen, maakt dat niet anders, aangezien zijn verblijf slechts tijdelijk is. De bedoeling van de vader is om terug te keren naar Irak. De rechtbank vindt het daarom in het belang van de kinderen dat de moeder alleen beslissingen kan nemen over de kinderen.



5.15
Gelet op het bepaalde in artikel 1:253p, tweede lid, BW neemt het eenhoofdig gezag van de moeder aanvang nadat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom de advocaat van de vrouw verzoeken om na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand hiervan melding te doen bij het gezagsregister.


De hoofdverblijfplaats




5.16
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en overweegt hierover als volgt.



5.17
Hoewel de rechtbank de moeder met het eenhoofdig gezag zal belasten en de kinderen daardoor automatisch hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben, heeft zij daarnaast in deze procedure (in ieder geval op dit moment) ook nog een belang bij een beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De rechtbank zal ook dit verzoek toewijzen, nu daar geen verweer tegen is gevoerd.


Het huurrecht




5.18
De rechtbank merkt op dat de vrouw in haar petitum om het uitsluitend gebruik van de woning verzoekt (artikel 1:165 BW), terwijl uit het lichaam van het verzoekschrift duidelijk blijkt dat het gaat om het huurrecht van de woning (artikel 7:266 lid 5 BW). Een andere uitleg is niet goed denkbaar; ook de man moet het aldus hebben begrepen. De rechtbank wijst ook dit verzoek bij gebrek aan verweer ertegen toe.



5.19
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.





6De beslissing

De rechtbank:


6.1
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum] 2002 te [plaats];



6.2
bepaalt dat, met ingang van de dag waarop de beschikking van de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de vrouw alleen het ouderlijk gezag uitoefent over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];



6.3
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;



6.4
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurster is van de woning aan de [adres];



6.5
verklaart 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;



6.6
verzoekt de advocaat van de vrouw, gelet op het bepaalde in artikel 1:253p tweede lid BW, na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand hiervan melding te doen bij het gezagsregister.










Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koene, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026 in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, griffier.




























De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.



Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.






















Artikel 1:151 BW


Artikel 1:251a BW
Link naar deze uitspraak