|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:8236 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | K/5001/12010350 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Arbeidsrecht - artikel 8 WAADI - terbeschikkingstelling werknemer - niet van toepassing en afgewezen. subsidiair - nabetaling loon op grond van cao, aangehouden voor nemen akte zijde werkgever | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | terbeschikkingstelling | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12010350 \ CV EXPL 25-9996
Tussenvonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp,
tegen
[bedrijf 1] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. I. Atar.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 april 2026
- de mondelinge behandeling van 3 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] is van 11 juli 2022 tot en met 10 augustus 2024 bij [gedaagde] in dienst geweest in de functie van Monteur. Op zijn arbeidsovereenkomst is de cao Technisch Installatiebedrijf van toepassing verklaard. Uit de arbeidsovereenkomst wordt geciteerd:
Artikel 7. Werktijden
De normale arbeidsduur bedraagt in beginsel 40 uur per week verspreid over 5 werkdagen van 8 uur per dag. Deze werkuren worden ingezet om aan de klantbehoefte te voldoen. (…) Per dag is één uur reistijd naar de klant of van huis direct naar de zaak of vice versa eigen tijd.
2.2.
Uit de cao Technisch Installatiebedrijf wordt geciteerd:
Artikel 44. Betaling van reisuren
1. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing indien de onderhavige vergoedingen zijn inbegrepen in het salaris. Dit moet blijken uit een schriftelijke verklaring van de werkgever die dient te worden verstrekt vóórdat de vergoeding in de beloning wordt inbegrepen.
2. Indien de werknemer voor het verrichten van karweiwerkzaamheden moet reizen, zal de werkgever hem de reistijd als volgt vergoeden: a. Bij gebruikmaking van openbare middelen van vervoer: de noodzakelijke reistijd berekend volgens de dienstregeling van het openbaar vervoer. b. Bij gebruikmaking van een eigen of van een door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel: de reistijd berekend in redelijke verhouding tot de reistijd volgens het openbaar vervoer over een vergelijkbare afstand.
3. De in lid 2 sub a en b genoemde reistijd komt alleen voor vergoeding in aanmerking voor zover de werknemer langer heeft moeten reizen dan hij normaal nodig heeft naar de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan.
4. De reistijdenvergoeding wordt als volgt berekend: a. Uren buiten het dienstrooster: 0,607% van het maandsalaris (0,658% van het salaris per vierwekenperiode) per volledig uur. b. Uren op zondag en uren binnen en/of buiten het dienstrooster op een in artikel 19 lid 1 genoemde feestdag: 1,12% van het maandsalaris (1,21% van het salaris per vierwekenperiode) per volledig uur.
2.3.
[gedaagde] repareert en onderhoudt treinen, trams en metro’s en diverse subsystemen van deze railvoertuigen en levert onderdelen voorrailvoertuigen in de breedste zin. Daarnaast voert [gedaagde] complete onderhouds- en moderniseringsprojecten turn-key uit. Zij werkt voor vervoerders, onderhouders en fabrikanten.
2.4.
[eiser] heeft gedurende zijn dienstverband 375 werkdagen als monteur werkzaamheden verricht bij [bedrijf 2] b.v. (hierna: [bedrijf 2] ). Daarnaast heeft hij voor nog acht andere projecten van [gedaagde] gewerkt op verschillende locaties.
2.5.
Per brief van 4 november 2024 vordert mevr. [persoon] mede namens [eiser] van [gedaagde] terugbetaling van de, op grond van de arbeidsovereenkomst, afgetrokken reistijd in werktijd. Volgens haar is dit niet in overeenstemming met Europees recht, daarnaast doet zij in deze brief een beroep op artikel 8 Waadi, wat tot gevolg moet hebben dat [eiser] , voor de dagen dat hij voor [bedrijf 2] werkte, wordt beloond gelijk aan de medewerkers die bij [bedrijf 2] in dienst zijn in dezelfde functie. Zij vordert nabetaling van salaris, ATV-uren conform de cao Metalektro, vakantiegeld, transitievergoeding en wettelijke rente.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen tot
primair
I. nabetaling van loon voor een bedrag van € 9.549,38 bruto inclusief vakantiedagen,
subsidiair
II. betaling van een bedrag van € 5.015,34 bruto aan niet betaalde reisuren,
primair en subsidiair
III. betaling van de wettelijke verhoging van 50% over de gevorderde bedragen onder I dan wel II, berekend over de periode vanaf augustus 2022,
IV. betaling van de wettelijke rente over de bedragen genoemd onder I dan wel II en onder III, vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening,
V. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 875,00,
VI. betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat artikel 8 van de Waadi van toepassing is. Dat houdt in dat hij als ter beschikking gestelde werknemer bij [bedrijf 2] onder dezelfde arbeidsvoorwaarden beloond moet worden als die gelden voor werknemers in dienst bij de inlener, in dit geval [bedrijf 2] . [gedaagde] valt onder de cao Technisch Installatiebedrijf, terwijl [bedrijf 2] valt onder de cao Metalektro. Op grond van deze laatste cao, maakt [eiser] aanspraak op een nabetaling van loon, zoals door hem berekend bij zijn vermeerdering van eis. Subsidiair voert [eiser] aan, enkel voor het geval niet wordt aangenomen dat artikel 8 van de Waadi van toepassing is, dat hij op grond van de cao Technisch Installatiebedrijf niet juist is verloond ten aanzien van de door hem gemaakte reisuren. Artikel 7 van zijn arbeidsovereenkomst is niet in overeenstemming met artikel 44 van deze cao. Als gevolg daarvan heeft [gedaagde] teveel uren reistijd in eigen tijd gerekend en moet er nog een nabetaling van loon plaatsvinden voor een bedrag van € 5.015,34 bruto.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. Volgens [gedaagde] is artikel 8 Waadi niet van toepassing, omdat aan de vier cumulatieve vereisten van terbeschikkingstelling van dit artikel niet wordt voldaan. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] niet gewerkt onder leiding en toezicht van een derde, maar was deze bevoegdheid nog altijd in handen van [gedaagde] . Alle wezenlijke werkgeversbevoegdheden lagen bij [gedaagde] , zoals planning, verlof, ziekte en beoordeling. Verder voert [gedaagde] nog aan dat de loonvordering van [eiser] onjuist is, omdat de berekening niet klopt. Ook doet [gedaagde] een beroep op de klachtplicht, omdat het dienstverband op 10 augustus 2024 is geëindigd en hij pas per brief van 4 november 2024 heeft geklaagd.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering voert [gedaagde] aan dat zij zich hierop onvoldoende heeft kunnen voorbereiden nu deze vordering pas 10 dagen voor de zitting bij vermeerdering van eis, als geheel nieuwe grondslag, is ingediend. Volgens [gedaagde] is sprake van strijd met een goede procesorde en wordt zij in haar verdedigingsbelangen geschaad.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Primaire vordering [eiser] – beroep op artikel 8 WAADI
4.1.
De primaire vordering van [eiser] is een loonvordering waaraan hij artikel 8 Waadi en de cao Metalektro ten grondslag heeft gelegd. Volgens [eiser] is namelijk sprake van terbeschikkingstelling door [gedaagde] aan [bedrijf 2] , reden waarom hij gelijk aan een werknemer van [bedrijf 2] in dezelfde functie zou moeten worden beloond. [eiser] had, als hij werknemer van [bedrijf 2] was geweest, volgens de cao Metalektro recht gehad op een hoger loon. Hij spreekt daarom [gedaagde] aan om dat verschil alsnog aan hem te betalen.
4.2.
Artikel 7:690 BW bepaalt dat bij een uitzendovereenkomst de werknemer krachtens een overeenkomst van opdracht tussen de werkgever en de derde ter beschikking wordt gesteld van de derde om arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van deze derde. Op grond van artikel 8 lid 1 Waadi heeft de ter beschikking gestelde arbeidskracht recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt. Onder ter beschikking stellen wordt verstaan het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid (artikel 1 sub c Waadi).
4.3.
In deze procedure is de vraag of sprake is van ter beschikking stellen in de zin van de wet, zoals hiervoor weergegeven. Wat betreft de hiervoor genoemde vereisten, is slechts tussen partijen in geschil of [eiser] onder leiding en toezicht van [bedrijf 2] heeft gewerkt.
[eiser] stelt dat dit het geval is en voert daartoe aan dat hij gedurende de dagen dat hij voor [bedrijf 2] heeft gewerkt alle instructies voor de uit te voeren werkzaamheden van [bedrijf 2] heeft gekregen. [bedrijf 2] stelde eisen aan de uitvoering, beoordeelde het werk en evalueerde de kwaliteit. [gedaagde] leverde een basisuitrusting aan gereedschap, maar was niet betrokken bij de dagelijkse aansturing, leiding of toezicht. Haar rol was beperkt tot het faciliteren van de werkzaamheden. Roosters, ziekte en verlof werden met [bedrijf 2] afgestemd. Na afloop van de inzet bij [bedrijf 2] door [gedaagde] is [eiser] ook daadwerkelijk in dienst getreden bij [bedrijf 2] .
[gedaagde] betwist dat de leiding en het toezicht bij [bedrijf 2] lag en voert voor dit standpunt aan dat alle wezenlijke werkgeversbevoegdheden bij [gedaagde] lagen, zoals planning, verlof, ziekte en beoordeling. [gedaagde] betwist dat zaken als vakantie, ziekte en het rooster met [bedrijf 2] werden afgestemd door [eiser] . Daarnaast verstrekte [gedaagde] kleding en gereedschap aan [eiser] . Volgens [gedaagde] gaf zij, via haar [projectleider] of iemand anders die vanuit [gedaagde] daartoe bevoegd was, de aansturing en inzet op locatie. De projectleider van [gedaagde] had contact met een contactpersoon van [bedrijf 2] en zij maakten afspraken over wat er gedaan moest worden. Het eindresultaat van [gedaagde] werd door [bedrijf 2] aan haar teruggekoppeld, zij gaf geen individuele feedback aan medewerkers van [gedaagde] . Bovendien verklaart [eiser] zelf in zijn brief van 4 november 2024 (vgl. rov. 2.5 dat leiding en toezicht bij [gedaagde] lagen.
4.4.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat geen sprake is van leiding en toezicht bij [bedrijf 2] . Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd. Feitelijk was sprake van onderaanneming. [bedrijf 2] voerde in opdracht van NS grootschalig onderhoud aan treinen uit. Om deze opdracht uit te kunnen voeren had [bedrijf 2] behoefte aan extra monteurs. [gedaagde] leverde voor een specifieke opdracht van [bedrijf 2] monteurs. Relevant in dezen acht de kantonrechter dat [eiser] zijn verlof en ziekte bij [gedaagde] doorgaf/afstemde, en met name ook het rooster van [gedaagde] ontving. Eveneens staat niet ter discussie dat, ondanks dat [eiser] veel dagen van zijn dienstverband bij [bedrijf 2] heeft gewerkt, hij ook op andere projecten van [gedaagde] werkte, hetgeen bevestigt dat de planning voor de inzet van [eiser] bij [gedaagde] lag. Daarnaast droeg [eiser] kleding van [gedaagde] , had basisgereedschap van [gedaagde] ter beschikking en reed met een door [gedaagde] verstrekte bedrijfsauto om op locatie te komen.
Deze feiten bijten overigens niet met de beschrijving van [eiser] over de dagelijkse gang van zaken. Wanneer hij langere tijd bij één en dezelfde opdrachtgever van [gedaagde] werkte, zoals het geval was bij [bedrijf 2] , is het logisch dat hij verlof en ziekte ook daar doorgaf, er werd immers volgens planning (weliswaar door [gedaagde] gemaakt) op hem gerekend. Dat hij dit deed, maakt echter nog niet dat hij daartoe ook verplicht was. Dat hij instructies ontving over uit te voeren werkzaamheden en specifiek gereedschap van [bedrijf 2] kreeg, wat door [gedaagde] wordt betwist, doet, ook wanneer dat zou worden vastgesteld, onvoldoende af aan de hiervoor genoemde punten op grond waarvan de kantonrechter van oordeel is dat leiding en toezicht nog altijd bij [gedaagde] lag.
4.5.
Voorgaande heeft tot gevolg dat artikel 8 Waadi niet van toepassing is en de primaire loonvordering van [eiser] zal worden afgewezen.
Subsidiair vordering – nabetaling loon ivm ongeldig reiskostenbeding
4.6.
Nu de primaire vordering van [eiser] wordt afgewezen, wordt toegekomen aan zijn subsidiaire vordering.
4.7.
[eiser] stelt dat artikel 7 uit zijn arbeidsovereenkomst in strijd is met artikel 44 van de cao Technisch Installatiebedrijf.
Artikel 7 arbeidsovereenkomst bepaalt dat één uur reistijd per dag, naar de klant of naar de zaak of omgekeerd, voor rekening van werknemer blijft. Terwijl artikel 44 cao Technisch Installatiebedrijf bepaalt dat enkel de reistijd naar de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dat zou volgens [eiser] betekenen dat het verschil tussen de reistijd van (en naar) de zaak, moet worden afgetrokken van de reistijd van (en naar) [bedrijf 2] , en het verschil daartussen wel moet worden uitbetaald.
Dit moet volgens hem tot gevolg hebben dat [gedaagde] teveel uren als onbetaalde reistijd heeft gerekend en hem aldus nog loon moet nabetalen.
4.8.
[gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd tegen deze subsidiaire vordering en aangevoerd dat [eiser] deze vordering eerder had moeten instellen, nu het in strijd is met de goede procesorde. Het heeft haar nu ontbroken aan voldoende tijd om het nieuwe feitencomplex te onderzoeken en inhoudelijk te weerleggen. Zij verzoekt daarom de vordering buiten beschouwing te laten, dan wel haar een termijn te geven om bij akte inhoudelijk te kunnen reageren.
4.9.
[eiser] heeft deze subsidiaire, geheel nieuwe, grondslag pas bij akte vermeerdering van eis, na de conclusie van antwoord en tien dagen voor de zitting ingesteld. Dit is op een laat tijdstip, maar niet in strijd met de goede procesorde. De kantonrechter is echter met [gedaagde] van oordeel dat er door dit late tijdstip nog onvoldoende ruimte is geweest voor debat over dit onderdeel. [gedaagde] zal daarom gelegenheid krijgen bij akte haar standpunt nader toe te lichten en te onderbouwen, waarna [eiser] gelegenheid zal krijgen hierop te reageren.
4.10.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
stelt [gedaagde] in de gelegenheid een akte te nemen over hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.6 t/m 4.9 met betrekking tot de subsidiaire vordering van [eiser] , op de rol van 28 oktober 2026,
5.2.
stelt [eiser] in de gelegenheid op deze akte te reageren bij antwoordakte, enkel met betrekking tot de hiervoor genoemde subsidiaire vordering, op de rol van vier weken na de datum waarop [gedaagde] haar akte heeft ingediend,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
32548 / 68707 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|