|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:32226 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/647226 / HA RK 23-18 C/09/647226 / HA RK 23-18 | | Rechtsgebied | : | Burgerlijk procesrecht | | Indicatie | : | Verzoek voorlopig getuigenverhoor afgewezen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | omgevingsvergunning | | | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/647226 / HA RK 23-189
Beschikking van 27 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker 1]
, te [woonplaats] ,
[verzoeker 2]
, te [woonplaats] ,
[verzoeker 3]
, te [woonplaats]
verzoekers,
advocaat mr. M. Hoogenboom,
en
GEMEENTE DEN HAAG, te Den Haag,
verweerster,
advocaat mr. W.I. Wisman.
Partijen worden hierna respectievelijk “ [verzoeker 1] ”, “ [verzoeker 2] ”, “ [verzoeker 3] ” en “de Gemeente” genoemd. Verzoekers gezamenlijk worden aangeduid als “verzoekers”.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met dertien producties, ingekomen op 12 mei 2023;
- het verweerschrift met vier producties, ingekomen op 26 oktober 2023.
1.2.
Op 2 november 2023 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij waren aanwezig:
namens verzoekers: [verzoeker 1] en [verzoeker 3] , bijgestaan door mr. Hoogenboom voornoemd;
namens de Gemeente: mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ), destijds directeur grondbedrijf bij de Gemeente, en de heer [naam 2] , bijgestaan door mr. Wisman voornoemd.
1.3.
Ter zitting is besloten de verdere behandeling van de zaak aan te houden om partijen in de gelegenheid te stellen het overleg voort te zetten en een mediationtraject te starten. De geplande proforma datum is op verzoek van (een van) partijen daarna diverse malen aangehouden.
1.4.
Bij e-mail van 13 februari 2026 heeft mr. Hoogenboom namens verzoekers de rechtbank verzocht alsnog een beschikking af te geven, aangezien de Gemeente had aangegeven de mediation stop te willen zetten.
1.5.
Op 1 september 2026 is de mondelinge behandeling van het verzoek voortgezet. Hierbij waren aanwezig:
verzoekers, bijgestaan door mr. Hoogenboom voornoemd;
namens de Gemeente: [naam 1] , directeur Bestaande Stad en Wonen, bijgestaan door mr. Wisman.
2De feiten
2.1.
In het kader van het programma Kleinschalig Opdrachtgeverschap heeft de Gemeente met verzoekers gronduitgifte-overeenkomsten gesloten voor kavels aan de [straatnaam] waarop verzoekers ieder een woning konden bouwen.
2.2.
Na het sluiten van voornoemde overeenkomsten zijn er tussen partijen discussies ontstaan onder ander op het gebied van de bouwrijpheid van de kavels, de toegestane bouwhoogte en de bouwtermijnen waaraan verzoekers moesten voldoen. Daarnaast is er door omwonenden een bezwaarprocedure gestart tegen de door de Gemeente verleende omgevingsvergunningen, welke bezwaren in een beroepsprocedure bij de rechtbank ongegrond zijn verklaard. (Mede) in verband met voornoemde omstandigheden is er vertraging ontstaan in de bouw. Hierdoor hebben verzoekers eind 2016 nieuwe aannemingsovereenkomsten moeten sluiten met een aannemer, nadat zij in oktober 2015 al aannemingsovereenkomsten met de betreffende aannemer hadden gesloten.
2.3.
Verzoekers hebben de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade. De Gemeente heeft de aansprakelijkheid afgewezen.
2.4.
Op 7 december 2018 heeft de Gemeente verzoekers aangeschreven in verband met de bouwtermijnen en heeft zij boetes en de beëindiging van het recht van erfpacht in het vooruitzicht gesteld.
2.5.
Op 26 september 2019 hebben verzoekers een uitnodiging ontvangen voor een gesprek op 9 oktober 2019 met de toenmalig afdelingsmanager Grondzaken van de Gemeente, de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ). Tijdens dit gesprek hebben verzoekers uiteengezet wat er was gebeurd en welke gevolgen dit voor hen had. Naar aanleiding daarvan is tussen partijen afgesproken dat verzoekers een onderbouwd overzicht van hun schade zouden opstellen en een planning voor de bouw zouden maken, waarna het gesprek zou worden voortgezet. Op 6 november 2019 vond die voortzetting plaats. In dit gesprek erkende de Gemeente dat er fouten waren gemaakt en gaf de Gemeente aan dat zij bereid was schade te vergoeden.
2.6.
Op 23 januari 2020 ontvingen verzoekers een schadevoorstel van de Gemeente. Op 29 januari 2020 heeft er naar aanleiding van het voorstel een nieuw gesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek liepen de gemoederen tussen partijen hoog op. [naam 3] heeft meermaals aangegeven op het punt te staan verzoekers onder begeleiding van een beveiliger het pand te laten verlaten. Verzoekers hebben aangegeven niet akkoord te kunnen gaan met het schadevoorstel en hebben vijftien dagen bedenktijd gekregen. Die reactietermijn is uiteindelijk verlengd tot 27 mei 2020.
2.7.
Enkele dagen na het gesprek tussen partijen op 29 januari 2020 heeft [naam 3] er melding van gemaakt dat er een kogelbrief was bezorgd op zijn privéadres.
2.8.
Op 17 mei 2020 om 19:29 heeft [verzoeker 2] uur het onderstaande bericht via WhatsApp aan [naam 3] gestuurd:
“ [naam 3] , ik zit er echt doorheen. Mijn situatie is onhoudbaar. Ik zit met een enorme schuld waar de aannemer achter me aanzit. Mijn privesituatie is schrijnend door jullie toedoen, ik houd je aansprakelijk dat mijn relatie voorbij is, ik zie mijn kinderen zelden. Ik snap niet hoe je deze zaak en mijn recht zo opzij schuift terwijl mijn situatie onhoudbaar is. Je bedreigd me met de bouwtermijn en komt met een bedrag waardoor ik amper de schulden kan betalen, laat staan het huis kan afbetalen. Het kan niet zo zijn dat de jij lekker thuis in een huis terwijl ik op straat op te staan, dat is onverteerbaar. Ik vind het verwerpelijk hoe je mijn situatie hebt genegeerd tijdens de gesprekken. Ik word gek van deze situatie en mijn stresslevel is op een hoogtepunt. Ik wil een gesprek met jou omdat je deze situatie voor me moet oplossen.”
2.9.
Op 18 mei 2020 om 02:03 uur heeft [verzoeker 2] het volgende bericht via WhatsApp aan [naam 3] gestuurd:
“Dit houd me dag en nacht bezig, [naam 3] waarom zeg je niets?”
2.10.
Per brief van 18 mei 2020 heeft [naam 4] , de Adviseur Veilige Publieke Taak van de Gemeente, (hierna: [naam 4] ) aan [verzoeker 2] een contactverbod opgelegd. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:
“(…) Op 17 mei jl. zond u één van mijn collega’s van de dienst DSO via de WhatsApp een aantal berichten, waarin u zich dreigend heeft uitgelaten. De wijkagent van het politiebureau De Heemstraat is door de gemeente Den Haag geïnformeerd. De gemeente heeft een officieel verzoek gedaan bij de politie Haaglanden om contact met u op te nemen over de inhoud van uw WhatsApp berichten.
Uw WhatsApp berichten worden in toon en inhoud door de gemeente Den Haag als ongewenst gedrag bestempeld.
Als vervolg op dit wangedrag reageert de gemeente Den Haag nu met een passende maatregel. U krijgt per direct een contactverbod opgelegd.
Dit contactverbod houdt in dat u mijn collega van de dienst DSO niet mag aanspreken, mailen of bellen. Het contactverbod wordt u voor onbepaalde tijd opgelegd en geldt tevens ook voor alle andere Social Media kanalen. Eventuele mail of post van u gericht aan betrokken collega en de afdeling DSO, wordt gemeld bij het Expertisepunt Veilige Publieke Taak (EVPT) gemeente Den Haag.
Handelen in strijd met het contactverbod zal de gemeente Den Haag aanmerken als opzettelijk inbreuk maken op de sociale veiligheid van mijn collega. Hiervan zal steeds aangifte worden gedaan bij de politie.
De gemeente Den Haag accepteert op geen enkele wijze ongewenst gedrag, dat leidt tot het
opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke werksfeer van haar ambtenaren. Dit is niet de wijze waarop de gemeente in contact wil staan met u. (…)”
2.11.
Aan [verzoeker 2] is per brief van 18 mei 2020 tevens de toegang tot alle gebouwen van de Gemeente ontzegd door [naam 4] . De Gemeente heeft daarvoor de volgende reden gegeven:
“(…) U wordt de toegang tot alle gemeentelijke gebouwen ontzegd omdat u:
zich heeft gedragen op een wijze die bedreigend en intimiderend is of als zodanig kan worden ervaren”
2.12.
Op 25 mei 2020 hebben verzoekers per e-mail gereageerd op het schadevoorstel van de Gemeente. In die e-mail, die was gericht aan [naam 3] , stond het volgende opgenomen:
“(…) Lange tijd wachten wij op schadevergoeding welke u een laatste bod noemt, dit alsof u op de boerenmarkt staat. Totaal respectloos tegenover burgers die schade, leed en smart is aangedaan.
U bedreigt ons elke keer met boetes, beëindiging van onze erfpachtovereenkomst en het afpakken van onze huizen. U bent crimineel bezig door onze schade niet te vergoeden. U ruïneert onze levens als persoon terwijl u weet wat u ons aan schade hebt berokkend. Dit is onverteerbaar en onacceptabel, zowel voor ons als onze gezinnen die in deze rampspoed zijn meegesleurd. Zelf wilt u geen gefrustreerde mensen horen en sluit u uw ogen ervoor. U neemt geen verantwoordelijkheid voor de veroorzaakte leed en schade. U verschuilt zich zonder blikken of blozen achter het ambtenarenapparaat. Maar u hebt gezien wat het is geworden bij de belastingdienst: elkaar indekken heeft geen zin meer; neem uw verantwoordelijkheid en maak u niet schuldig aan knevelarij!
Betaal onze schade en stop met onrecht. Hoe zou u het vinden als u niet in uw huis
zou kunnen leven omdat de gemeente Utrecht u schade heeft berokkend van een paar
honderdduizend euro en u afwimpelt met veertigduizend euro. Wij voelen de hete
adem van de deurwaarders die de aannemer heeft ingeschakeld.
U weet wat onze schade is en toch gaat u tegen alle wetenschap in ons een bedrag
aanbieden die nauwelijks onze schade dekt. Willens en wetens! Wat zegt dit over u als
persoon? De menselijkheid hier is ver te zoeken. Wij wachten al zo lang en zijn steeds
geduldig en netjes gebleven. U belooft ons veel en komt schaamteloos terug op uw
beloftes, zo had u ons in eerste instantie te kennen gegeven dat u onze schade zou
vergoeden terwijl dit iedere keer vooruit werd geschoven. In gesprekken dreigt u
telkens dat u gaat stoppen en weg gaat lopen en ons gaat wegsturen door de
beveiliging. Dit terwijl wij fatsoenlijke burgers zijn die op een constructieve manier een
oplossing zoeken voor de fouten die door de gemeente Den Haag zijn gemaakt.
U begrijpt dat wij meer nodig hebben om onze huizen af te kunnen bouwen. De som
is simpel, zonder jullie toedoen waren we klaar geweest en woonden we in onze
huizen. Door jullie toedoen zijn wij aanzienlijk veel meer geld kwijt. Wij willen graag
onze schade vergoed hebben. Wij willen ook niet dat u ons nog langer bedreigt met
het afpakken van onze huizen en boetes, doet u dit toch dan gaan wij aangifte doen
van machtsmisbruik en indekken door verschillende diensten. Zoals die zogenaamde
rekenkundige die ons kwam vertellen wat onze schade zou moeten zijn. Schaamteloos
en zonder enige vorm van ethiek burgers aftroggelen om geen gezichtsverlies te
lijden. En zogenaamd ons een brief sturen om uzelf in te dekken bij de
gemeenteraadslieden. Dit terwijl het hier een ambtenaar betreft die nota bene van ons
belastinggeld wordt betaald, en wordt geacht ethisch te handelen.
Wij accepteren niet langer een speelbal te zijn van u door ons simpelweg af te
wimpelen met een bedrag waarmee we niet eens de boete kunnen betalen. Wij willen
tot een fatsoenlijke oplossing komen waarmee we kunnen leven en de haat kunnen
begraven die nu over ons is neergestort, en dit gitzwarte hoofdstuk kunnen afsluiten.
We hebben veel gebeden in de voor ons heilige maand Ramadan en gehoopt dat het
geweten u zou doen terugkeren naar rechtvaardigheid en eerlijkheid. Wij gaan uit van
het goede in de mens en hadden zó gehoopt dat het desondanks goed zo komen.
Wij willen geen rechtszaak starten tegen machtsmisbruik, naar de media toestappen,
en gemeenteraadslieden op de hoogte brengen. Wij willen een oplossing die
duurzaam is en waarbij er geen gedupeerden achterblijven wat tot verbittering,
rancune en het niet bouwen van de woning leidt, dit door toedoen van handelen door
ambtenaren waarbij deze elkaar structureel de hand boven het hoofd houden.
Wij willen als fatsoenlijke mensen worden behandeld en niet als derderangsburgers.
Wij werken hard voor ons geld, betalen netjes onze belastingen en maken deel uit van
de maatschappij. Het kan niet zo zijn dat wij moeten opdraaien voor de gemaakte
fouten en de veroorzaakte schade door u en dat is waar het hier nu op neerkomt. De
Corona crisis heeft een zekere impact op onze levens, het is voor ons onzeker of wij
onze bron van inkomsten kunnen behouden. Dit verergert de stress die wij al met deze
hele zaak ervaren.
Wij vertrouwen erop dat u ons de volledige schade vergoed zoals deze is veroorzaakt.
Wat betreft de bouwtermijn: eerst ons de benen afhakken en dan ons verwijten dat wij
te laat finishen. Wij gaan er vanuit dat de bouwtermijn wordt gehanteerd zoals eerder
per contract is overeengekomen en conform redelijke maatstaven. Concreet komt het
erop neer dat de bouwtermijn afloopt eind 2021. (…)”
2.13.
Per e-mail van 26 mei 2020 heeft de Gemeente ook [verzoeker 1] en [verzoeker 3] een contactverbod opgelegd. In verband met de contactverboden werd het contact tussen verzoekers en de Gemeente gecoördineerd door de Adviseur Veilige Publieke Taak. In die e-mail stond onder meer:
“(…) Middels de onderstaande e-mail afkomstig van de heer [verzoeker 1] en ondertekend met de kavelhouders JCS, werd ik geïnformeerd door de betrokken collega’s.
Ik verzoek u dringend toch vriendelijk om de collega’s niet meer te benaderen met vragen en opmerkingen over het onderwerp, waarover u verschilt van inzicht.
Deze afspraak over het contactverbod tot nader orde zal ik u ook schriftelijk bevestigen.
Ik zou u willen vragen om aan mij een telefoonnummer te mail of mij per sms bericht te informeren hierover, zodat ik met u in contact kan komen. (…)”
2.14.
Op 28 juli 2020 hebben verzoekers onderstaande update van [naam 4] ontvangen:
“(…) Middels deze e-mail informeer ik u over de stand van zaken met betrekking tot de [straatnaam] . Ik hoop dat deze update aan u geen aanleiding geeft tot onrust?! Echter is het van belang om met u de verbinding te houden over de voortgang van het proces. Dit is geheel volgens afspraak met u.
De gemeente Den Haag laat een korte externe proces audit uitvoeren van het proces dat tot op heden gevolgd is. In deze audit staat de vraagstelling van het gelopen proces van de gemeente centraal. Heeft de gemeente de juiste dingen gedaan, zijn er zaken over hoofd gezien en waar liggen er nog kansen. De audit zou voor 1 september 2020 in concept gereed moeten zijn. Op basis daarvan kunnen besluit tot verlenging of niet nemen
of korte verlenging als we nog iets meer tijd nodig hebben. (…)”
2.15.
Op 23 september 2020 vond er een vergadering plaats van de commissie Ruimte van de Gemeente. Verzoekers kregen de mogelijkheid hierbij aanwezig te zijn en in te spreken. Zij hebben tijdens de vergadering vragen gesteld over het aan [verzoeker 2] opgelegde contact- en gebouwverbod. Wethouder [naam 5] heeft tijdens de vergadering namens de Gemeente onder andere het onderstaande gezegd:
“(…) Het is ook vervelend, het werd al gezegd voor de eh ambtenaar, zijn naam
werd net genoemd. En eh het is ook niet voor niks dat er een eh gebouwverbod is voor de heer eh [verzoeker 2] . Hij had het over apps, apps die in het weekend zijn verstuurd, die ‘s avonds zijn eh verstuurd waarin het woonadres van de ambtenaar werd genoemd. En de reden dat de heer [verzoeker 2] een eh gebouwverbod heeft is dat er een strafrechtelijk onderzoek eh loopt omdat de ambtenaar ook een kogelbrief heeft eh gehad. Dus dat ter
introductie waarom dit een lastig eh onderwerp eh is met heel veel emoties ook en vooral van de zijde van één van mijn ambtenaren. (…)
(…)Om heel eerlijk te zijn, ik, ik schrok want de ambtenaar kwam bij, bij mij aan tafel en die is echt heel emotioneel. Ik heb, mijn eerste gesprek was de eerste 15 minuten niet over de inhoud, maar hoe gaat het met u, hoe gaat het met u. En toen vertelde hij wat er gebeurde, de apps, eh een kogelbrief nog niet bewezen he, strafrechtelijk eh onderzoek. Toen dacht ik potverdorie, communicatie met de met de gemeente, ik sta achter achter de mensen van de gemeente die dus blijkbaar moeilijk werk moeten doen. En het werd al gezegd natuurlijk zijn er emoties, he dat dat kan ik me ook voorstellen als je investeert in een huis en het gaat niet goed, maar dat mag nooit zijn dat je dan bedreigende eh en of intimiderende apps stuurt en een kogelbrief eh stuurt. Dat was mijn eerste frisse blik over de communicatie, was vooral hoe bescherm ik mijn eigen mensen tegen de mensen die intimiderend over eh komen. (…)
(…) Hoe gaan mensen nou, hoe zijn mensen van de gemeente nou geïnstrueerd om om te gaan met de inwoners van Den Haag, maar ik voeg daar dan ook toe. Laat ik dan ook even opschrijven wat dan de procedure is als ambtenaren zich geïntimideerd voelen, zelfs zover met een kogelbrief wat dan de wat dan de reactie is van de gemeente, hoe mensen daarop worden getraind. Want het heeft twee kanten die eh communicatie, maar dat doe ik graag. (…)
(…) Ik eh zie ook goed wat insprekers zeggen. Ik begrijp ook dat ze gezinnen hebben en dat het een harde klap eh kan worden, dus ik voel dat wel mee dat men daar emotioneel over kan zijn. Kom ik wel gelijk bij het strafrechtelijke he. Ik heb niet gezegd dat de heer [verzoeker 2] dat heeft gedaan. Ik heb gezegd er is een eh gebouwverbod omdat er een strafrechtelijk onderzoek eh loopt, maar er is nog helemaal niets, het is nog niet bewezen. Ik heb het alleen maar gehad, waarom is hier een gebouwverbod. Ik heb niet gezegd dat dat is gebeurd, dus dat zijn de, hoe dat feitelijk zit. (…)”
2.16.
Op 30 september 2020 hebben verzoekers aangifte gedaan van smaad, laster,
smaadschrift, knevelarij, het wegmaken van bewijs door een ambtenaar in functie, intimidatie en machtsmisbruik door een ambtenaar in functie
2.17.
Bij brief van 30 maart 2021 heeft [verzoeker 2] de Gemeente gesommeerd om het contact- en gebouwverbod op te heffen, de uitspraak van de wethouder te rectificeren en de door hem geleden schade te vergoeden.
2.18.
Op 22 april 2021 is het contact- en gebouwverbod van [verzoeker 2] opgeheven.
2.19.
Verzoekers hebben op 26 juli 2021 de Gemeente een e-mail gestuurd waarin het volgende stond opgenomen:
“ (…) Op 26 mei 2020 is door gemeente bij monde van u, aan ons een contactverbod opgelegd (zie uw email van 26 mei 2020). In uw bericht, en daarna ook herhaaldelijk (zie uw email van 28 juli 2020) heeft ons te kennen gegeven dat dit verbod van tijdelijke aard was, en dat men bezig was met een onderzoek. Ook heeft u te kennen gegeven dat wij spoedig van u, in persoon zouden horen over het verdere verloop.
Tot op heden heeft u ons niet hierover nader bericht. Ook hebben wij niks meer gehoord op gronden waarvan wij dit verbod hebben gekregen. Op onze herhaaldelijk roep waarop dit onrechtmatige besluit is gebaseerd is nimmer gereageerd! Ook sprak u in uw e-mails over verbinding houden en samen tot een oplossing te komen, en wij citeren uit uw e-mail van 28 juli 2020: (…)
Hierna hebben wij niks meer van u gehoord, ook is ons nimmer aangegeven wat de grondslag is geweest van het verbod welke ons is opgelegd. Ook hebben wij nimmer iets van een onderzoek gezien, of is ons op enigerlei wijze iets overlegd.
Verder hebben wij begrepen dat op 22 april 2021 het contact- en gebouwenverbod is opgeheven voor de heer [verzoeker 2] . Het is verbazingwekkend en niet te bevatten dat u zwijgt als het graf over de aan ons opgelegde onrechtmatige contactverboden (de overige drie kavelhouders) van de [straatnaam] . Dit is niet alleen een typerend voorbeeld van hoe onrechtmatig, onwettelijk, selectief en buiten proporties de gemeente te werk gaat. Ook spreekt dit voor zich wat betreft hoe de gemeente de rechten van haar burgers ontneemt, dit allemaal in de stad van Vrede en Recht.
U heeft ons onze burgerrechten ontnomen en u heeft de gemeenteraad willens en wetens opzettelijk verkeerd ingelicht om ons te benadelen en uw positie te sterken. Ambtenaren zoals u talmen niet om misbruik te maken van hun positie en faciliteiten teneinde ons kapot te maken. Het zijn wij, de burgers, die grove leed en ellende is gedaan. Het is dan ook opmerkelijk dat u ons een contactverbod hebt opgelegd terwijl wij, ondanks herhaalde schofferingen, beledigen, schreeuwpartijen en bedreigingen richting ons, ons te allen tijde keurig en fatsoenlijk hebben gedragen. Het gedrag van deze ambtenaren spreekt voor zich, in ons optiek is dit gedrag onrechtmatig en zeker ontoelaatbaar.
Temeer omdat hier sprake is van schending van de wetsnormen en sprake is van ernstige
plichtsverzuim, en niet te spreken over de ethische kant van deze casus. Wij spreken dan over knevelarij c.q. machts- en gezag misbruik door dwang van ambtenaren. Zeker gezien de tijdspanne, de gelogen en bij elkaar verzonnen (lees kogelbrief) informatie welke verstrekt wordt en de feiten welke zich hebben voorgedaan. Wij hebben daarom ook aangifte gedaan tegen deze heftige, immorele weerzinwekkende gedragingen. De recherche heeft ons duidelijk te kennen gegeven dat zij niks weten van een kogelbrief, logische want ook dit is bij elkaar verzonnen! Wij hebben legio “kogelbrieven” van uw dienst ontvangen. Elke dreigbrief of email die wij van de gemeente ontvingen was weer een dolkensteek in onze harten en die van onze kinderen en familieleden. Geestelijk worden wij kapot gemaakt door mensen zoals u. Wij zullen ons dan ook beraadslagen op verder gerechtelijke stappen hierover.
Wij sommeren u dan ook per direct en met klem om:
• Per direct de onrechtmatige contactverboden van de overige drie kavelhouders van de [straatnaam] op te heffen, en ons hier schriftelijk een bevestiging van te sturen. En hiervan een afschrift naar de gemeenteraad en het college van burgmeester en wethouders te sturen;
• Onze namen binnen de gemeentelijke Organisatie te zuiveren en de misstanden van de gemeente jegens ons te onderschrijven en deze te doen rectificeren en dit publiekelijk kenbaar te maken;
• Wij eisen openlijk excuses van alle betrokken diensten, die ons kapot hebben gemaakt de afgelopen jaren;
• Alle communicatie, documenten en stukken die hebben geleid tot deze onrechtmatige contactverboden digitaal aan ons te verstrekken. (…)”
2.20.
Per brief van 17 augustus 2021 zijn de contactverboden van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] ook opgeheven.
2.21.
Op 1 september 2021 vond er een nieuwe vergadering van de commissie Ruimte plaats. In het verslag van die vergadering is opgenomen dat Wethouder [naam 5] tijdens die vergadering onder andere het volgende heeft gezegd:
“(…)Dat het debat vorig jaar vol zat met emoties, zowel aan de kant van de kavelkopers als van de ambtenarij. Heeft zelf iets gezegd over een kogelbrief. Vindt dat reflecterend op die bijeenkomst niet verstandig, want er is geen bewijs tegen iemand. Vindt dat dus achteraf onverstandig, omdat hier tot oplossingen gekomen moet worden. Dat is in het belang van de kavelkopers en de stad, want in de [straatnaam] staan nu kavels leeg. Dat is niet goed voor de buurt. Wil dit graag vooraf gezegd hebben. (…)”
2.22.
Bij brief van 14 februari 2022 heeft de toenmalige gemachtigde van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] de Gemeente gesommeerd om (i) een vooraf door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] goedgekeurde rectificatie te plaatsen in het AD met betrekking tot de valse beschuldigingen en (ii) een schadevergoeding te betalen van € 10.000 per persoon voor de schade die zij door deze onrechtmatigheid hebben geleden en nog altijd lijden.
2.23.
Op 16 maart 2022 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO) gesloten. In de VSO staat voor zover hier van belang het volgende:
“(…) NEMEN IN AANMERKING:
A. In het kader van het programma Kleinschalig Opdrachtgeverschap (KO) heeft de Gemeente in 2015 per kavel een gronduitgifte-overeenkomst met de Kavelkopers gesloten betreffende vier kavels op de locatie [straatnaam] te Den Haag. De Gemeente heeft deze vier kavels in erfpacht uitgegeven aan de Kavelkopers.
De bouw van de woningen op de vier kavels heeft vertraging opgelopen
vanwege verscheidende omstandigheden. Deze vertraging heeft geleid tot
hogere kosten en financiële schade voor Partijen. Partijen zijn in overleg getreden over de hoogte van een tegemoetkoming van het schadebedrag voor de Kavelkopers. Ook hebben Partijen elk schade-experts ingeschakeld voor het bepalen van de hoogte van de vertragingsschade. Partijen zijn hierna niet tot een overeenstemming gekomen.
Naar aanleiding van de aangenomen motie ‘Los conflict met kavels [straatnaam] op’ van 4 november 2021 heeft het college van S&W op 8 februari 2022 besloten deze motie uit te voeren en het geschil met de Kavelkopers finaal op te lossen, door bij de vaststelling van de tegemoetkoming voor de Kavelkopers de schadeberekening van de schade-expert van de Kavelkopers (‘bureau Schippers’) als uitgangspunt te nemen. Partijen hebben over deze oplossing overeenstemming bereikt en zij wensen deze overeenstemming in deze vaststellingsovereenkomst schriftelijk nader vast te leggen. De kavelkopers zijn bij het opstellen van deze Overeenkomst bijgestaan door hun advocaat, mr. M. Hoogenboom. (…)
Artikel 1: Aard en domein van deze Overeenkomst
(…)
2. Domein. De Overeenkomst heeft betrekking op hét geschil tussen Partijen dat is omlijnd in de punten A tot en met C van de inleidende overwegingen van deze Overeenkomst. Met deze Overeenkomst willen Partijen een einde maken aan het geschil en de argumentaties die daarmee samenhangen.
3. Het onderwerp van deze Overeenkomst omvat ook vorderingen en of argumentaties die samenhangen met het geschil omlijnd in lid 2, ook wanneer deze vorderingen of argumentaties daarin niet uitdrukkelijk zijn genoemd. Hiervan zijn uitdrukkelijk uitgezonderd de vorderingen van de Kavelkopers die betrekking hebben op (gestelde) uitlatingen van wethouder [naam 5] /de Gemeente zoals die zijn verwoord in de strafrechtelijke aangifte van de Kavelkopers tegen wethouder [naam 5] /de Gemeente en voorts de klacht van de Kavelkopers die bij de Gemeente in behandeling is. (…)
Artikel 3: Finale Kwijting
Partijen komen overeen, onder de opschortende voorwaarde van het voldoen door de Gemeente aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van artikel 2 en 4, dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben, van welke aard of omvang ook, ter zake van het domein van deze Overeenkomst zoals genoemd in artikel 1.2 en 1.3.
Partijen verlenen elkaar – behoudens voor wat betreft de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit deze overeenkomst – over en weer finale kwijting ter zake van het domein van deze Overeenkomst.
Niettegenstaande de hiervoor bedoelde finale kwijting, gelden voor Partijen onverkort alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de gronduitgifte-overeenkomst en de leveringsakte van de respectievelijke erfpachtpercelen. De Gemeente verklaart dat de percelen geschikt zijn voor het gebruik “wonen” zoals nader bepaald in de gronduitgifte-overeenkomst en de leveringsakte (c.q. vestigingsakte) van de respectieve erfpachtpercelen. (…)”
2.24.
Per brief van 22 maart 2022 heeft de Gemeente gereageerd op de in randnummer 2.22. genoemde brief en aangegeven niet te zullen voldoen aan de sommaties.
2.25.
De toenmalige gemachtigde van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] heeft vervolgens bij brief van 16 mei 2022 gereageerd op voornoemde reactie van de Gemeente. In die brief wordt aangegeven dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hun vorderingen handhaven en aanvullen met een nieuwe schadepost, namelijk inkomstenderving aan de zijde van [verzoeker 2] .
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Het verzoek strekt, zakelijk weergegeven, tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor teneinde de heer [naam 5] , voorheen wethouder van Financiën en Stadsontwikkeling te Den Haag, [naam 3] en [naam 4] kosten rechtens.
3.2.
Aan het verzoek hebben verzoekers het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekers stellen dat de Gemeente onrechtmachtig jegens hen heeft gehandeld door (a) het bij monde van de toenmalige wethouder valselijk en openlijk beschuldigen van verzoekers van het verzenden van een zogenaamde kogelbrief aan een ambtenaar van de Gemeente, (b) aan verzoekers zonder gegronde redenen een gebouw- en /of contactverbod op te leggen en (c) het opzettelijk benadelen van verzoekers in het traject tot het verkrijgen van onherroepelijke omgevingsvergunningen om hun woningen te kunnen bouwen en ter verkrijging van een schadevergoeding. Verzoekers zijn voornemens een bodemprocedure aanhangig te maken tegen de Gemeente vanwege voornoemd onrechtmatig handelen. Alvorens deze procedure aanhangig te maken, wensen verzoekers eerst opheldering te krijgen over bepaalde feiten en omstandigheden. Met betrekking tot het onder (a) gestelde onrechtmatige handelen wensen verzoekers bekend te worden met meer feiten en omstandigheden die aantonen dat de wethouder van de Gemeente hen bewust valselijk heeft beschuldigd. Verzoekers stellen een gegrond vermoeden te hebben dat er nooit een kogelbrief door een ambtenaar van de Gemeente is ontvangen die redelijkerwijs in verband gebracht kan worden met verzoekers, dan wel met het geschil tussen partijen. Verzoekers willen weten of de wethouder hierover gelogen heeft, of ambtenaren van de Gemeente hem al dan niet bewust verkeerde informatie hebben gegeven en/of zij opzettelijk zijn benadeeld door de Gemeente op dit punt. Wat betreft de onder (b) genoemde handeling willen verzoekers helderheid krijgen over de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de gebouw- en contactverboden om te kunnen bewijzen dat deze onrechtmatig waren. Tot slot willen verzoekers door middel van het voorlopig getuigenverhoor omtrent de gestelde onrechtmatige handeling onder (c) aantonen dat zij opzettelijk zijn benadeeld bij het verkrijgen van de omgevingsvergunningen en schadevergoedingen.
3.3.
De Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek, althans tot beperking van het probandum, kosten rechtens.
4De beoordeling
De conclusie
4.1.
Het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor zal worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Het beoordelingskader
4.2.
Omdat het verzoek is ingediend op 12 mei 2023 zal het verzoek worden beoordeeld aan de hand van de destijds geldende wetgeving, te weten artikel 186 Rv (oud). De op 1 januari 2025 in werking getreden wetgeving omtrent het nieuwe bewijsrecht is in deze procedure dan ook niet van toepassing.
4.3.
Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel de verzoeker in staat te stellen duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde feiten waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben. Daarnaast biedt het de verzoeker de mogelijkheid zijn proceskansen beter te kunnen inschatten.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden toegewezen in de gevallen waarin volgens de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. Uitgangspunt daarbij is dat de feiten die met het verhoor bewezen kunnen worden tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. Op grond van vaste jurisprudentie zal een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor alleen worden afgewezen als: (1) de rechtbank van oordeel is dat van de bevoegdheid tot het gebruiken van dit middel misbruik wordt gemaakt, (2) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, of (3) het verzoek moet afstuiten op een ander zwaarwichtig bezwaar. Ook geldt bij een verzoek als dit de regel uit artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek dat (4) zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt. Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle formele vereisten voldoet, wordt het verzoek toegewezen.
De onder (a) gestelde onrechtmatigheid
4.5.
Verzoekers stellen dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door de uitlatingen van de wethouder over het verzenden van een kogelbrief. De rechtbank stelt voorop dat bij partijen bekend is welke uitlatingen de wethouder heeft gedaan. Ook staat vast dat de uitlatingen zijn gedaan naar aanleiding van een door de Gemeente ontvangen brief terwijl niet duidelijk was/is door wie die brief is verstuurd. Verzoekers kunnen de (on)rechtmatigheid van de gedane uitlatingen hiermee door een rechter laten beoordelen. Een voorlopig getuigenverhoor kan daaraan niets bijdragen. De rechtbank overweegt hierbij volledigheidshalve dat verzoekers weliswaar als vaststaand feit presenteren dat zij de brief in ieder geval niet hebben gestuurd, maar dat kan door de rechtbank niet worden vastgesteld, evenmin als kan worden vastgesteld dat zij deze brief wél hebben verstuurd. Zoals gezegd, het is onduidelijk gebleven door wie deze brief is verstuurd.
4.6.
De rechtbank begrijpt dat verzoekers met een voorlopig getuigenverhoor boven tafel willen krijgen dat de uitlatingen door de wethouder zijn gedaan in het kader van een vooropgezet plan om verzoekers te benadelen. Verzoekers stellen gegronde vermoedens te hebben dat de Gemeente helemaal geen kogelbrief heeft ontvangen of dat de Gemeente wist dat een eventueel wel ontvangen kogelbrief in ieder geval niet door verzoekers was verstuurd, maar hen desondanks daarvan heeft beschuldigd. Voor die vergaande beschuldiging en gestelde gegronde vermoedens hebben verzoekers echter geen enkel concreet aanknopingspunt naar voren gebracht. Er is sprake van een suggestie/speculatie die geen enkele grondslag vindt in de feiten. Dat [naam 3] in gesprekken, waarin de gemoederen hoog opliepen tussen partijen, bepaalde uitspraken heeft gedaan, die volgens verzoekers de strekking hadden dat hij hen kapot wilde maken, is hiertoe onvoldoende. Gelet daarop ontbreekt bij verzoekers het vereiste belang bij toewijzing van het verzoek op deze grond.
4.7.
Gelet op het vooraanstaande kunnen de overige door de Gemeente gevoerde verweren op dit onderdeel onbesproken blijven.
De onder (b) gestelde onrechtmatigheid
4.8.
Verzoekers willen getuigen horen over de opgelegde gebouw- en/of contactverboden, aangezien deze volgens verzoekers zonder gegronde redenen zijn opgelegd. Zij voeren daartoe aan dat in de berichtgeving omtrent de verboden wordt verwezen naar de door verzoekers verstuurde WhatsApp-berichten, dan wel e-mail(s), terwijl de wethouder tijdens de vergadering van de Commissie Ruimte van 23 september 2020 heeft gezegd dat het gebouwverbod van [verzoeker 2] ook te maken heeft met een strafrechtelijk onderzoek vanwege de ontvangen kogelbrief.
4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de Gemeente terecht dat de feiten die aan de opgelegde verboden ten grondslag liggen al voldoende duidelijk zijn en dat de vraag of een bepaalde handeling onrechtmatig is, een juridische kwalificatie betreft. In de opgelegde verboden staat opgenomen wat er aan de verboden ten grondslag is gelegd. Die grondslag kan worden getoetst. Als bij die toetsing blijkt dat de betreffende gronden het opgelegde verbod niet kunnen dragen, zal daaraan in een eventuele bodemprocedure de gevolgtrekking moeten worden verbonden die de rechter geraden acht. Het uitgangspunt van een voorlopig getuigenverhoor is dat de feiten die met het verhoor bewezen kunnen worden tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. Nu de feiten al duidelijk zijn, hebben verzoekers geen belang bij het verzoek. Het verzoek tot het horen van getuigen over de onder (b) gestelde onrechtmatigheid zal dan ook worden afgewezen.
De onder (c) gestelde onrechtmatigheid
4.10.
Verzoekers willen ook getuigen horen over het opzettelijk benadelen van verzoekers in het traject tot het verkrijgen van omgevingsvergunningen en schadevergoedingen. Volgens de Gemeente hebben verzoekers hier geen belang bij. Hiertoe voert de Gemeente het volgende aan. Partijen hebben de VSO gesloten. Op grond van artikel 1 lid 2 en 3 van de VSO heeft de VSO betrekking op het geschil zoals omlijnd in onderdeel A tot en met C van de VSO en omvat de VSO dus ook vorderingen die daarmee samenhangen, maar niet expliciet worden benoemd. Volgens de Gemeente vallen zowel de vermeende benadeling met betrekking tot de omgevingsvergunning als de vermeende benadeling met betrekking tot de schadevergoeding daarmee onder het geschil zoals gedefinieerd in de VSO. Met betrekking tot de omgevingsvergunningen voert zij aan dat in punt B van de VSO is vermeld dat de bouw van de kavels door verscheidene omstandigheden vertraging heeft opgelopen. Aangezien volgens verzoekers het verkrijgen van de vergunningen één van deze omstandigheden betrof, valt deze vermeende benadeling volgens de Gemeente onder de VSO. Met betrekking tot de schadevergoeding verwijst de Gemeente ook naar punt B van de VSO, aangezien daarin staat opgemerkt dat partijen in overleg zijn getreden over de hoogte van een mogelijke tegemoetkoming en dat het niet is gelukt overeenstemming te bereiken. Volgens de Gemeente blijkt hieruit dat ook deze vermeende benadeling valt onder de VSO, waarin hiervoor alsnog een regeling wordt getroffen. Dit geldt temeer nu verzoekers er niet voor hebben gekozen om toekomstige vorderingen voor vertraging in het verkrijgen van schadevergoeding uit te sluiten, terwijl zij dit wel hebben gedaan met betrekking tot een eventuele vordering die ziet op de uitlatingen van de wethouder.
4.11.
De rechtbank volgt de Gemeente in haar verweer en is van oordeel dat verzoekers geen belang hebben bij dit verzoek aangezien partijen elkaar ter zake van het opzettelijk benadelen van verzoekers in het traject tot het verkrijgen van omgevingsvergunningen en schadevergoedingen finale kwijting hebben verleend bij het sluiten van de VSO. Ook het horen van getuigen op dit punt zal worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
4.12.
De Gemeente heeft verzocht om een proceskostenveroordeling. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding voor een hoofdelijke proceskostenveroordeling van verzoekers. De rechtbank begroot die kosten aan de kant van de Gemeente op een totaal bedrag van € 2.171. Dit bedrag is opgebouwd uit € 676 aan griffierecht, € 1.306 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 653) en € 189 aan nakosten.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
veroordeelt verzoekers hoofdelijk in de kosten van deze procedure aan de zijde van de Gemeente begroot op € 2.171, en bepaalt dat als verzoekers niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan deze veroordeling voldoen en de beschikking daarna moet worden betekend, verzoekers € 98 extra moeten betalen, plus de kosten van betekening.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.
3384 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|