|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:10167 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 25/4463 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | NO geen gronden. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4463
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres]
, uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P. Salim),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
1. Eiseres heeft op 27 augustus 2025 beroep ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 13 februari 2024. In die uitspraak staat dat verweerder binnen negen weken moet beslissen op het bezwaar van eiseres tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 13 maart 2023. Volgens eiseres heeft verweerder dat ten tijde van indiening van het beroepschrift niet gedaan.
1.1.
Verweerder heeft op 4 september 2025 op het bezwaar van eiseres beslist.
1.2.
Met de brief van 13 oktober 2025 heeft de rechtbank eiseres verzocht of zij het beroep naar aanleiding van het besluit op haar bezwaar wil intrekken of handhaven.
1.3.
Eiseres trekt het beroep niet in en geeft per brief van 16 oktober 2025 aan dat ze het niet eens is met het besluit op haar bezwaar.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat eiseres de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Toetsingskader
4. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt kan de rechtbank - na een herstelmogelijkheid - het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Heeft eiseres de gronden tijdig vermeld?
5. Bij brief van 13 oktober 2025 heeft de rechtbank eiseres, indien zij het niet eens is met het besluit op haar bezwaar, verzocht om binnen vier weken de beroepsgronden in te dienen. Eiseres heeft geen beroepsgronden vermeld in de brief van 16 oktober 2025, waarin zij kenbaar maakt het beroep te willen handhaven. De rechtbank heeft eiseres op 27 januari 2026 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Eiseres heeft op 23 februari 2026 om uitstel van twee weken verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek op 24 maart 2026 toegewezen. Eiseres heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Eiseres heeft de beroepsgronden dus niet tijdig vermeld.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verontschuldigbaar?
6. Eiseres heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 19 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:RBZWB:2024:823.
Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Dit staat in artikel 6:6 van de Awb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|