Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:CBB:2013:22 
 
Datum uitspraak:28-06-2013
Datum gepubliceerd:04-07-2013
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:AWB 11/1047
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:vliegveld bedrijfstoeslag 2010 subsidiabele oppervlakte art. 9 Vo. (EG) nr. 1120/2009 art. 34 en 35 Vo. (EG) nr. 73/2009
Trefwoorden:bedrijfstoeslag
gecombineerde opgave
gewassen
glb
inkomenssteun
landbouwgrond
perceel
toeslagrechten
Wetreferenties:Regeling GLB-inkomenssteun 2006 21a
Regeling GLB-inkomenssteun 2006 21a
 
Uitspraak
uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/1047
5101


Uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2013 in de zaak tussen
maatschap [A] en [B], te [woonplaats], appellante
(gemachtigde: P.J. Houtsma),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen).




Procesverloop

Voor een beschrijving van het procesverloop tot en met 3 december 2012 verwijst het College naar rubriek 1 van zijn tussenuitspraak van die datum (LJN: BY6017). Bij deze tussenuitspraak heeft het College verweerder opgedragen om binnen zes weken na 3 december 2012 het besluit van 14 december 2011 van een deugdelijke motivering te voorzien dan wel anders te beslissen op de aanvraag om bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2010 en het herstelde dan wel vervangende besluit aan het College toe te sturen.

Bij beslissing van 1 februari 2013 heeft het College, op verzoek van verweerder en na de reactie van appellante op dat verzoek, de in de tussenuitspraak gestelde termijn verlengd tot 1 maart 2013.

Bij brief van 28 februari 2013 heeft verweerder het College een aanvullende motivering doen toekomen van het bestreden besluit.

Bij brief van 27 maart 2013 heeft appellante haar zienswijze over de aanvullende motivering van het bestreden besluit naar voren gebracht.

Bij brief van 29 mei 2013 heeft het College aan partijen meegedeeld dat het College het onderzoek heeft gesloten.




Overwegingen


1.
Met betrekking tot de grondslag van het geschil, het bestreden besluit, de standpunten van partijen en de beoordeling van het beroep verwijst het College in de eerste plaats naar de tussenuitspraak van 3 december 2012.



2.
Het College heeft verweerder in de tussenuitspraak in rechtsoverweging 5.6 de opdracht gegeven om onder opgave van redenen vast te stellen of, en zo ja voor welke oppervlakte, de door appellante in de Gecombineerde opgave 2010 opgegeven percelen niet geacht kunnen worden in overwegende mate voor landbouwactiviteiten in gebruik te zijn geweest zoals bedoeld in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009, en te beslissen welke consequentie daaraan voor uitbetaling van de toeslagrechten over het jaar 2010 verbonden dient te worden.



3.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder zijn besluit van 14 december 2011 voorzien van een aanvullende motivering. Verweerder stelt in de eerste plaats dat de opgegeven oppervlakte niet subsidiabel is, omdat deze niet voldoet aan artikel 21b van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling). Hierin is bepaald dat voor de toepassing van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 landbouwgrond die niet meer dan 90 dagen per jaar voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, wordt aangemerkt als overwegend voor landbouwdoeleinden gebruikte landbouwgrond. Verweerder stelt dat de niet-landbouwactiviteiten op de betreffende percelen – te weten het gebruik hiervan als veiligheidszone ten behoeve van het landen en opstijgen van vliegverkeer op [C] – niet beperkt is tot 90 dagen per jaar, zodat reeds hierom de percelen niet als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt kunnen worden. Op [C] vond in 2010 per 5,41 minuten een vliegbeweging plaats. Dat is dusdanig belemmerend, dat niet volgehouden kan worden dat de percelen in overwegende mate als landbouwgrond in gebruik zijn. Het onderhoud van de percelen wordt daarom geacht plaats te vinden in het kader van de verkeerskundige functie van de percelen. Dat appellante de beperkingen niet als belemmering ervaart is niet van belang. Objectief is bepaalbaar dat de uitvoering van landbouwactiviteiten wel degelijk wordt belemmerd door de intensiteit, aard, duur en planning van de luchtvaartactiviteiten. Aldus is niet voldaan aan artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009.
Verweerder herhaalt daarnaast zijn betoog dat de percelen niet subsidiabel zijn, omdat appellante hiervan niet het beheer had ten tijde van belang. Appellante heeft weliswaar een gebruikstitel, maar zij heeft gelet op de veiligheidsvoorschriften van de luchthaven onvoldoende autonomie om van beheer te kunnen spreken. Bovendien is het appellante niet toegestaan om andere gewassen te telen op deze percelen.



4.
Appellante voert onder meer aan dat uit het rapport fysieke controles van het nadere onderzoek dat de NVWA op 16 januari 2013 in opdracht van verweerder heeft verricht naar het gebruik van de betreffende percelen blijkt dat de percelen overwegend voor landbouwactiviteiten in gebruik zijn. Verweerders stelling dat er iedere 5,41 minuten een vliegbeweging plaatsvindt op het vliegveld is onjuist. Verweerder heeft dit onjuist afgeleid uit het jaarverslag 2010 van [C]. De 64.066 door verweerder genoemde vliegbewegingen kunnen, gelet op het havengeld en het aantal vervoerde passagiers, onmogelijk evenzovele opstijgingen of landingen zijn. Het aantal ligt aanzienlijk lager. Dit wordt bevestigd in de verklaring van de havenmeester van [C] [D], dat ongeveer 80% van de vliegbewegingen op het vliegveld wordt gemaakt door lesvliegtuigen. Van dit aantal bewegingen bestaat ongeveer 70% uit het oefenen van landen en starten, waarbij dus twee bewegingen in één keer worden geteld. In werkelijkheid vertrekken er in de zomermaanden slechts enkele verkeersvliegtuigen per week. Appellante wijst erop dat de lesvliegtuigen het formaat hebben van een kleine auto of middenklasser, zodat de breedte van de start- en landingsbaan alleen al voldoet als veiligheidszone. Voor zover een veiligheidszone naast de start- en landingsbanen moet worden aangenomen gaat het om stroken van slechts 50 meter aan weerszijden van die banen volgens de door appellante overgelegde verklaring van [D]. Perceel 12 ligt niet langs start- of landingsbanen en de percelen 14, 8, 10 en 13 liggen niet of grotendeels niet aan start- of landingsbanen. Het overgrote deel van de percelen is dan ook nooit of slechts zeer zelden als veiligheidszone in gebruik. Verweerder heeft deze percelen dan ook ten onrechte als veiligheidsbuffer in gebruik voor de verkeersfunctie aangemerkt. Voor de veiligheidszone geldt bovendien dat deze zonder hinder door appellante kan worden gebruikt. Indien appellante op deze grond werkt, gebruikt [C] de andere van de twee beschikbare start- en landingsbanen. De verkeersfunctie is dan ook ondergeschikt aan de landbouwfunctie volgens appellante en van een belemmering van de landbouwactiviteiten door de verkeersfunctie is geen sprake. Ditzelfde geldt voor het beheer van haar percelen.



5.
Het College overweegt ten aanzien van de vraag of de door appellante in de Gecombineerde opgave 2010 opgegeven percelen geacht kunnen worden in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 in overwegende mate voor landbouwactiviteiten in gebruik te zijn als volgt. Het gaat om het feitelijk gebruik van de percelen ten tijde van belang. Niet in geschil is dat door of voor appellante op de betreffende percelen grasland gras is gemaaid en geoogst, dat de percelen zijn bemest met dierlijke mest en dat hierop weidesleep is uitgevoerd. De mest was afkomstig van de door appellante gehouden kalveren en het gras was bestemd voor deze kalveren. Verweerders betoog dat de percelen tevens volledig in gebruik waren als veiligheidszone voor de start- en landingsbanen van [C], acht het College onjuist. Verweerder heeft 56.26 ha afgekeurd omdat deze hoofdzakelijk voor een andere functie in gebruik zijn. De afgekeurde percelen bevinden zich slechts voor een deel langs de start- en landingsbanen van [C]. Voor zover een veiligheidszone dient te worden aangehouden, acht het College aannemelijk dat hiervoor dient te worden uitgegaan van stroken aan weerszijden van de start- en landingsbanen. Het College verwijst hiervoor naar de verklaring van de havenmeester van [C] van 27 maart 2013, waarin hij aangeeft dat alleen bij de start en landingen van vliegtuigen een strook van 50 meter aan weerszijden van de start- en landingsbanen als veiligheidszone noodzakelijk is. Ook de Regeling en verweerders beleidsregels gaan uit van stroken grasland langs verharde start- en landingsbanen en niet van volledige aangrenzende percelen. Uitgaande van een veiligheidszone die bestaat uit stroken langs de start- en landingsbanen van [C] moet een aanzienlijke oppervlakte van appellantes percelen resteren die daarbuiten is gelegen. Verweerder heeft ook in zijn nadere motivering niet onderbouwd of op [C] een veiligheidszone daadwerkelijk bij voortduring moest worden vrijgehouden en welke oppervlakte daarvoor dan feitelijk in gebruik was.Het College dient het ervoor te houden dat, nu verweerder heeft nagelaten te onderbouwen wat de niet-landbouwactiviteiten op de gehele oppervlakte zijn geweest in 2010, deze uitsluitend in gebruik is geweest voor appellantes landbouwactiviteiten. Verweerders weigering van bedrijfstoeslag op grond van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 en artikel 21b van de Regeling voor het jaar 2010 mist dan ook feitelijke grondslag.
Anders dan verweerder stelt kan appellantes bedrijfstoeslag voor 2010 evenmin worden geweigerd op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 35, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling. Niet in geschil is dat appellante beschikte over het feitelijk gebruik en een gebruikstitel ten aanzien van de percelen. De door verweerder aangevoerde omstandigheden leiden bovendien naar het oordeel van het College niet tot de conclusie dat appellante onvoldoende autonomie had om te kunnen spreken van beheer. Ook op dit punt ontbreekt een feitelijke onderbouwing van de door verweerder aangevoerde belemmeringen.



6.
Nu op basis van de thans ter beschikking staande gegevens ook van andere belemmeringen niet is gebleken, is de conclusie dat verweerders besluit tot weigering van appellantes bedrijfstoeslag voor 2010 onjuist is, omdat hiervoor geen grondslag bestond. Het beroep is daarom gegrond, en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal appellante alsnog de door haar gevraagde bedrijfstoeslag moeten toekennen. Omdat het bedrag daarvan niet zonder meer door het College kan worden vastgesteld, draagt het College verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken na de datum van deze uitspraak.
Het College veroordeelt verweerder tot slot in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.124,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze na de bestuurlijke lus tegen een waarde van € 472,- per punt en een wegingsfactor 1).



7.
Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op appellantes bezwaar is dit niet-ontvankelijk, aangezien verweerder bij besluit van 14 december 2011 alsnog op dit bezwaar heeft beslist en appellantes procesbelang hierdoor is komen te vervallen.





Beslissing

Het College:


verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar;


verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2011 gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 302,- aan appellante te vergoeden;


veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.124,- te vergoeden aan appellante.




Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. H.S.J. Albers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2013.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.M. Leliveld
Link naar deze uitspraak