Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:GHSHE:2019:3166 
 
Datum uitspraak:22-08-2019
Datum gepubliceerd:08-11-2019
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:18/00407
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende woonde in 2010 in Duitsland en werkte toen zowel in Nederland als Duitsland. Aan hem is een aanslag inkomstenbelasting 2010 opgelegd, waar hij tegen opkomt. Belanghebbende stelt een tariefnadeel te lijden door de nabetaling in 2010 van een Anw-uitkering uit 2008; belanghebbende bepleit daarom toepassing van een lager tarief. Belanghebbende stelt in Nederland recht te hebben op aftrek van kosten van de in Duitsland gelegen eigen woning. Belanghebbende stelt verder dat de Rechtbank de inhoudelijke procedure gelijktijdig had moeten behandelen met de procedure over de fictieve weigering van de Inspecteur om uitspraak op bezwaar te doen / de procedure over de dwangsombeschikking. Het Hof stelt belanghebbende voor wat betreft dit laatste punt in het gelijk, de overige punten worden verworpen met bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
eigenwoningforfait
heffingsrente
inkomstenbelasting
ondernemersaftrek
uitkering
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00407


Uitspraak op het hoger beroep van



de heer [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland), met gekozen domicilie in [domicilieplaats] ,
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 juli 2018, nummer BRE 15/6219, in het geding tussen


belanghebbende,


en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

inzake na te noemen aanslag.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting (hierna: IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.200 (met aanslagnummer [aanslagnummer] H.06) en gelijktijdig is aan hem bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 509. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.050 en de heffingsrente is verminderd naar € 215.



1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft (voor zover hier van belang) het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.479 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 840 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt.



1.3.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.4.
Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 augustus 2019 te ‘s-Hertogenbosch.



1.6.
Aldaar is toen verschenen en gehoord [inspecteur] , namens de Inspecteur. Belanghebbende is, zonder voorafgaande kennisgeving aan het Hof, niet ter zitting verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 2 juli 2019, met Track & Trace-code [code] , aangetekend naar het door belanghebbende zelf (bij zijn brief van 26 augustus 2018) opgegeven domicilieadres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende aangetekende verzendbewijs en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie. Hieruit volgt dat de uitnodiging op 4 juli 2019 is afgeleverd bij Bruna in [domicilieplaats] (als PostNL-locatie) en dat deze daar door belanghebbende is afgehaald.



1.7.
Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.



1.8.
Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.





2Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

‘2.1. Belanghebbende woonde in het gehele onderhavige jaar in Duitsland en dreef een
onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De ondernemingsactiviteiten bestonden uit
fiscaal advieswerk. De werkzaamheden van belanghebbende vonden in Duitsland en
Nederland plaats.


2.2.
Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar uit Nederland een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van € 34.062 (hierna: de Anw-uitkering) en een weduwnaarspensioen van [A] van € 7.563.



2.3.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2010 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende onder meer een belastbaar inkomen uit eigen woning aangegeven van negatief € 5.108 (eigenwoningforfait van € 495 minus aftrekbare kosten eigen woning van € 5.603). Belanghebbende heeft in de aangifte gekozen voor de toepassing van de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) voor binnenlandse belastingplichtigen.



2.4.
De inspecteur is bij de aanslagregeling van de aangifte afgeweken en heeft de aanslag aan belanghebbende opgelegd en gelijktijdig bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Daartegen heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 35.050 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. Zowel bij de aanslag als bij de uitspraak op bezwaar zijn op belanghebbende de regels van de Wet toegepast voor buitenlandse belastingplichtigen.



2.5.
Na de zittingen [toevoeging Hof: van de Rechtbank] zijn partijen het eens over de volgende aangelegenheden:
a. a) op belanghebbende zijn de regels van de Wet van toepassing voor buitenlandse belastingplichtigen;
b) belanghebbende beschikt over een vaste inrichting in Nederland;
c) een bedrag van € 5.000 aan afschrijvingskosten inventaris dient nog in mindering te worden gebracht op de nader bepaalde belastbare winst van negatief € 6.575;
d) de heffing over het weduwnaarspensioen van [A] is aan Duitsland toegewezen;
e) voor de beoordeling aan welke staat de heffing over de Anw-uitkering van de
Sociale Verzekeringsbank is toegewezen, is van belang artikel 12 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek
Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied van 1959 (geldend in 2010, hierna: het Verdrag);
f) belanghebbende is in Nederland niet verplicht verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen;
g) de aan Duitsland toe te rekenen winst bedraagt € 12.000.’

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting, de volgende feiten en omstandigheden vast:


Inhoudelijk bezwaar en beroep / beroep tegen fictieve weigering (BRE 15/6219)



2.6.
Belanghebbende heeft bij brief van 7 november 2013 bezwaar gemaakt tegen de onderhavige aanslag. Belanghebbende heeft bij brief van 15 september 2015 pro forma beroep ingesteld, waarin hij tegen de aanslag is opgekomen, maar ook tegen de fictieve weigering van de Inspecteur om uitspraak op bezwaar te doen/de uitspraak op bezwaar bekend te maken. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 27 oktober 2015. Het beroep van 15 september 2015 is door de Rechtbank geregistreerd onder kenmerk BRE 15/6219.


Ingebrekestelling en dwangsombeschikking



2.7.
In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende vermeld: ‘Ik verzoek u het bezwaar binnen zes weken na dagtekening af te handelen bij gebreke daarvan wordt een beroepschrift ingediend.’.
De Rechtbank heeft bij brief van 1 oktober 2015 belanghebbende bericht dat een aankondiging van een ingebrekestelling in een bezwaarschrift niet als rechtsgeldige ingebrekestelling wordt aangemerkt en dat om het beroepschrift van belanghebbende voor wat betreft de ingebrekestelling in behandeling te nemen, belanghebbende een kopie van een ingebrekestelling dient te overleggen van na het verstrijken van de beslistermijn op het bezwaar. Belanghebbende heeft daarop bij brief van 6 oktober 2015 de Inspecteur in gebreke gesteld. Op 18 november 2015 heeft de Inspecteur een beschikking gegeven naar aanleiding van belanghebbendes ingebrekestelling, waarin is beslist dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom (hierna: de dwangsombeschikking).


Beroep tegen dwangsombeschikking (BRE 15/7623)



2.8.
Op 30 november 2015 heeft belanghebbende nog een pro forma beroepschrift ingediend (BRE 15/7623), met als bijlage de dwangsombeschikking, met een verzoek om voeging van deze zaak met die met kenmerk BRE 15/6219. De Rechtbank heeft bij brief van 1 december 2015 het beroep van belanghebbende in zaak BRE 15/7623 aangemerkt als bezwaar (en doorgestuurd naar de Inspecteur), omdat in deze zaak geen bezwaarprocedure voorafgaand aan het beroep zou zijn gevolgd. De Inspecteur heeft in reactie hierop meegedeeld dat er (wel) een bezwaarprocedure is gevolgd en dat deze is afgerond, inclusief de bijbehorende procedure inzake de ingebrekestelling. Bij brief van 23 februari 2016 heeft de Rechtbank geconcludeerd dat zij dan ten onrechte de zaak heeft doorgezonden naar de Inspecteur en dat het beroepschrift met zaaknummer BRE 15/7623 (het tweede ingediende beroep) ten onrechte is geregistreerd en daarom komt te vervallen.





3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

I) Moet bij de belastingheffing rekening worden gehouden met de omstandigheid dat een deel van de in 2010 uitbetaalde Anw-uitkering van € 34.062 betrekking heeft op het jaar 2008? Belanghebbende heeft gesteld een tariefsnadeel te lijden door het volledig in aanmerking nemen van de Anw-uitkering in 2010. Belanghebbende bepleit toepassing van een lager tarief door middel van ‘de uitsmeerregeling voor nabetaalde inkomsten’ of door toepassing van de hardheidsclausule. De Inspecteur heeft daar tegen ingebracht dat de uitsmeerregeling niet van toepassing is, omdat belanghebbendes verzoek om toepassing daarvan prematuur is en belanghebbende geen binnenlands belastingplichtige is. De Inspecteur acht ook geen mogelijkheid voor toepassing van de hardheidsclausule aanwezig.

II) Heeft belanghebbende in 2010 nagenoeg zijn volledige belastbare inkomen in Nederland verworven, waardoor hij zijn negatieve inkomsten uit de in Duitsland gelegen eigen woning in Nederland in aftrek kan brengen?
Belanghebbende stelt 88,4% van zijn belastbare inkomen in Nederland te hebben verworven en dat hij daarmee recht heeft op genoemde aftrek. De Inspecteur stelt dat niet van belang is of de inkomsten uit Nederland afkomstig zijn, maar dat van belang is voor welk inkomen het heffingsrecht aan Nederland is toebedeeld (volgens de laatste berekening van de Inspecteur is dit 61,1%). De Inspecteur meent dat belanghebbende geen recht heeft op de aftrek.

III) Had de Rechtbank de procedures BRE 15/6219 (inhoudelijk beroep) en BRE 15/7623 (ingebrekestelling/dwangsombeschikking) gelijktijdig moeten behandelen?
Belanghebbende vindt het onterecht dat de dwangsombeschikking niet aan de orde is gesteld in de uitspraak van de Rechtbank; naast het inhoudelijke oordeel over de aanslag had ook een oordeel gegeven moeten worden over de afwijzing van belanghebbendes verzoek om een dwangsom. De Inspecteur heeft hier tegenover gesteld dat belanghebbende niet in bezwaar is opgekomen tegen de dwangsombeschikking, waardoor het (wel behandelde) beroep tegen deze beschikking niet-ontvankelijk zou zijn geweest.

IV) Heeft het aanwezig zijn van een vaste inrichting in Nederland gevolgen?
Belanghebbende stelt dat nu vaststaat dat hij een vaste inrichting in Nederland heeft, de gevolgen daarvan moeten gelden. De Inspecteur is het met belanghebbende eens dat sprake is van een vaste inrichting en geeft aan dat dit voor de IB leidt tot toerekening van een deel van de winst aan Nederland.



3.2.
Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn standpunten nader toegelicht.



3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning tot het bedrag van € 17.371 (€ 34.062 -/- 11.583 (winst uit onderneming inclusief ondernemersaftrek) -/- aftrek eigen woning van € 5.108), toepassing van het tarief van 2,1% op de helft van de Anw-uitkering, toekenning van een dwangsom van € 200 en vergoeding van zijn proceskosten. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





4Gronden


Ten aanzien van het geschil



4.1.
Ten aanzien van belanghebbendes eerste grief heeft de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof terecht, overwogen:

‘2.8.4. De rechtbank overweegt dat artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a in samenhang met artikel 3.146, eerste lid, van de Wet bepaalt - voor zover hier van belang - dat aangewezen periodieke uitkeringen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend of vorderbaar en inbaar geworden. Vast staat dat belanghebbende in 2010 een Anw-uitkering heeft ontvangen van € 34.062. De rechtbank acht aannemelijk dat een deel van de in 2010 ontvangen uitkering betrekking heeft op het jaar 2008. Dit betekent echter niet dat de nabetaling ook belast zou moeten worden in het jaar waarop die betrekking heeft en ook niet als zodanig tegen het tarief van de eerste belastingschijf uit 2008 in 2010 moet worden belast. Op grond van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen is het tijdstip waarop (de nabetaling van) de Anw-uitkering door belanghebbende is ontvangen bepalend voor het jaar waarin (de nabetaling van) de Anw-uitkering tot het belastbare inkomen uit werk en woning moet worden gerekend. Gesteld noch gebleken is dat de Anw-uitkering reeds in 2008 vorderbaar en inbaar was. Nu niet in geschil is dat belanghebbende (de nabetaling van) de Anw-uitkering in het jaar 2010 heeft ontvangen, is het volledige bedrag terecht en op de juiste wijze in het jaar 2010 begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de inspecteur de gehele Anw-uitkering van € 34.062 terecht in de Nederlandse belastingheffing heeft betrokken.’



4.2.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de uitsmeerregeling voor na 1 januari 2001 nabetaalde inkomsten (regeling van 12 januari 2006, nr. CPP2005/2878M). Naar het oordeel van het Hof slaagt dit beroep niet, nu een verzoek om toepassing van deze regeling moet worden gedaan bij de Inspecteur binnen 36 maanden nadat de aanslag van het jaar waarin de nabetaalde inkomsten zijn ontvangen, onherroepelijk is geworden (punt 6 van de regeling). Omdat de aanslag over 2010 nog niet onherroepelijk is geworden, is belanghebbendes beroep op de uitsmeerregeling prematuur en dient het daarom reeds verworpen te worden.



4.3.
Ook belanghebbendes beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. De in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) bedoelde bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen, komt niet toe aan de belastingrechter, maar is voorbehouden aan de Minister van Financiën. Gelet op het voorgaande ziet het Hof geen reden voor een tariefsverlaging voor de Anw-uitkering.



4.4.
Ten aanzien van belanghebbendes tweede grief overweegt het Hof het volgende. Belanghebbende heeft gesteld dat hij voldoet aan de Schumacker-norm (uit het arrest HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, ECLI:EU:C: 1995:31). Op basis van het Schumacker-arrest moet een buitenlands belastingplichtige aanspraak kunnen maken op dezelfde behandeling op het gebied van persoonlijke tegemoetkomingen als een binnenlands belastingplichtige, wanneer hij minstens 90 % van zijn (gezins)inkomen in Nederland door arbeid verwerft. In dat kader heeft belanghebbende gesteld dat zijn Duits inkomen in 2010 € 5.491 bedroeg, hetgeen betekent dat € 5.491/€ 47.116 = 11,6 % van zijn totale inkomen uit Duitse bron afkomstig is en 88,4 % uit Nederlandse bron. Belanghebbende heeft hieruit geconcludeerd dat hij (afgerond) heeft voldaan aan de Schumacker-norm van 90 %.



4.5.
Daargelaten of belanghebbendes berekening conform het Schumacker-arrest is, stelt het Hof vast dat belanghebbende zelfs met deze gunstigste berekening niet aan de Schumacker-norm voldoet. Belanghebbende heeft daarom, naar het oordeel van het Hof, geen recht op aftrek van negatieve inkomsten in Nederland in verband met zijn in Duitsland gelegen woning. Belanghebbendes tweede grief wordt verworpen.



4.6.
Belanghebbendes derde grief betreft de klacht dat de Rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de dwangsombeschikking. In zijn arrest van 6 januari 2017, nr. 16/02740, ECLI:NL:HR:2017:1, heeft de Hoge Raad daarover het volgende overwogen:

‘2.4.1. Op grond van artikel 4:19, lid 1, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een beschikking op aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom die wordt verbeurd indien die beschikking niet tijdig wordt gegeven, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Deze bepaling is tijdens de parlementaire behandeling daarvan als volgt toegelicht:

‘Dit artikel bewerkstelligt dat de aanvrager, in het geval hij bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen de beschikking op de aanvraag, zijn eventuele bezwaren tegen de beschikking ter vaststelling van de hoogte van de dwangsom in die procedure kan inbrengen. Hij hoeft daarvoor dan dus niet een afzonderlijke procedure te starten. Deze bepaling dient de proceseconomie.’ (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 3, p. 10).


2.4.2.
Indien het bestuursorgaan hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog volledig aan het bezwaar van de belanghebbende tegemoetkomt en daarnaast de hoogte van een dwangsom bij beschikking vaststelt, is de proceseconomie, die mede aan artikel 4:19 van de Awb ten grondslag ligt, ermee gediend dat de rechter in de procedure over het niet tijdig nemen van het besluit ook een oordeel geeft over de beschikking met betrekking tot de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Hetzelfde heeft te gelden in een geval als het onderhavige, waarin het bestuursorgaan bij beschikking beslist dat de belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom.



2.4.3.
Gelet op het bovenstaande heeft de Rechtbank het beroep voor zover dat betrekking heeft op de dwangsombeschikking ten onrechte niet in behandeling genomen.(…)’.




4.7.
Gelet op hetgeen in dit arrest is bepaald, heeft belanghebbende terecht opgeworpen dat de Rechtbank ook een oordeel had moeten geven over de dwangsombeschikking. In de beroepszaak met kenmerk BRE 15/6219 kwam belanghebbende tegen de aanslag op, maar ook tegen de fictieve weigering van de Inspecteur om op het bezwaar te beslissen. Hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van de uitspraak op bezwaar, is deze uitspraak alsnog gedaan. Ook is bij beschikking afwijzend beslist over het toekennen van een dwangsom. De Rechtbank had in de procedure over het niet tijdig nemen van de uitspraak op bezwaar daarom ook een oordeel moeten geven over de beschikking met betrekking tot de dwangsom, nu belanghebbende deze betwistte. In zoverre is het hoger beroep gegrond.



4.8.
Het Hof zal in plaats van de Rechtbank alsnog een oordeel geven over de dwangsombeschikking en overweegt daartoe als volgt. De ingebrekestelling dateert van 6 oktober 2015 en is daarmee ruim anderhalf jaar na afloop van de beslistermijn ingediend. Daarmee is de ingebrekestelling, naar het oordeel van het Hof, onredelijk laat ingediend en heeft de Inspecteur geen dwangsom verbeurd (vgl. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2316 op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van Hof ’s- Hertogenbosch van 19 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1686).



4.9.
Het voorgaande betekent dat de Inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom - wat ook zij van de door hem gebruikte redenen daartoe - terecht heeft afgewezen. De derde grief van belanghebbende leidt daarom niet tot het alsnog toekennen van een dwangsom, maar leidt er wel toe dat het hoger beroep gegrond is vanwege het ten onrechte niet oordelen over de dwangsombeschikking door de Rechtbank.



4.10.
De vierde grief, over de vaste inrichting, is door belanghebbende niet onderbouwd. Voor het Hof is de relevantie van deze grief daarom niet duidelijk geworden, zodat deze grief geen doel treft.


Slotsom




4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep, vanwege hetgeen in 4.7 tot en met 4.9 is overwogen, gegrond is.


Ten aanzien van het griffierecht




4.12.
Omdat het hoger beroep gegrond is, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 126 te vergoeden.


Ten aanzien van de proceskosten




4.13.
Niet gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.





5Beslissing

Het Hof:




vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover de Rechtbank heeft nagelaten te beslissen over de dwangsombeschikking;



verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de dwangsombeschikking alsnog ongegrond;



bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;



gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 126 vergoedt.



Aldus gedaan op 22 augustus 2019 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P. Fortuin, W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.


Het aanwenden van een rechtsmiddel:


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


een dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak