Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBAMS:2019:8715 
 
Datum uitspraak:07-11-2019
Datum gepubliceerd:19-11-2020
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:AWB - 18 _ 5121 en AWB - AWB - 18 _ 5121 en AWB -
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wabo: metaalbewerkingsbedrijf mag naar (voormalig) tuinbouwgebied Kudelstaart worden verplaatst. B&W heeft hiertoe in redelijkheid besloten. 1 grond slaagt: onterecht geen hoorverslag gemaakt: 6:22 Awb toegepast: ongegrond, wel proceskostenveroordeling
Trefwoorden:activiteitenbesluit
agrarisch
bestemmingsplan
fijnstof
herstructurering
omgevingsvergunning
perceel
vrijstelling
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/5121 en AMS 18/5181

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 november 2019 in de zaak tussen


[eiser 1] , te [plaatsnaam] , eiser,
(gemachtigde: [naam] ) en


[eiser 2]
, te [plaatsnaam] , eiser,


[eiser 3]
, te [plaatsnaam] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).

Aan het geding heeft [naam], te [plaatsnaam] , als partij deelgenomen, hierna: vergunninghouder,
(gemachtigde: [naam] ).



Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van een bestaand bedrijfsgebouw ten behoeve van een bedrijf in metaalbewerking en het wijzigen van twee gevels.

Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


[eiser 1] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 9 oktober 2018 afgewezen.

De zaken van eisers zijn gevoegd behandeld op de zitting van 9 juli 2019. [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [eiser 2] is verschenen. [eiser 3] is niet verschenen. Verweerder en vergunninghouder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.



Overwegingen


Wat voorafging aan deze procedure


1. De vergunninghouder is een [soort bedrijf] dat is gevestigd aan de [adres 1] in [plaatsnaam] . De gemeente [plaatsnaam] wil ter plaatse een woonwijk ontwikkelen. Het bedrijf van vergunninghouder dient daarom te worden verplaatst. De vergunninghouder heeft om die reden het bedrijfspand gekocht aan de [adres 2] te [plaatsnaam] .

2. Het bestaande bedrijfspand aan de [adres 2] heeft volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan [plaatsnaam] 2006 de bestemming ‘ [omschrijving] (artikel 10)’. De gronden zijn bestemd voor onder andere glastuinbouwbedrijven en agrarische verwerkingsbedrijven. De bedrijfsactiviteiten die vergunninghouder in dit pand wil uitvoeren zijn niet toegestaan.

3. Verweerder heeft de vergunning verleend op grond van artikel 2.1, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), juncto artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

4. Eisers zijn omwonenden. [eiser 1] woont aan de [adres 3] en heeft daar een cactuskwekerij. [eiser 2] is eigenaar en bewoner van [adres 4] en [eiser 3] is eigenaar van het (onbebouwde) perceel [adres 5] .

5. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de commissie voor de bezwaarschriften (de commissie) een advies uitgebracht aan verweerder. De inhoud van het advies is om de bezwaren gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Verweerder heeft in afwijking van het advies de bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet geconcludeerd kan worden dat vergunninghouder een agrarisch aanverwant bedrijf is. Het perceel [adres 2] is gelegen in een gebied dat in de Ruimtelijke Visie [omschrijving] 2015-2025 (de Ruimtelijke Visie) is aangeduid als “ [omschrijving] ”. Gezien de trends, de kwaliteit van het aanbod en het te veel aan (verouderd) teeltareaal in de regio, zijn deze gebieden minder kansrijk als toekomstig vitaal teeltareaal. Vanwege verkaveling en weginfrastructuur en vaak matige bodemgesteldheid (veengrond) en ligging ten opzichte van burgerwoningen zijn deze gebieden minder geschikt voor modernisering en infrastructuur voor duurzaamheid van de [omschrijving] . Bovenlokale overheidsinvesteringen in energie, grootschalige herstructurering of bereikbaarheid, ten behoeve van de [omschrijving] , liggen in deze gebieden niet voor de hand. Binnen deze categorie is veel variatie en voor de eventueel vrijkomende ruimte wordt gezocht naar een combinatie met andere functies om daarmee de vitaliteit van het gebied te dienen. Ontwikkelingskansen voor andere functies kunnen worden verkend en kansrijke lokale ontwikkelingen van goede bedrijven worden zeker niet tegengehouden. De aangevraagde activiteiten zijn ruimtelijk inpasbaar in de omgeving en objectief staat vast dat voor de omwonenden geen overlast wordt gecreëerd, omdat voldaan wordt aan de van toepassing zijnde normen.


Standpunt van eisers


6. Eisers voeren aan dat er vele formele en materiële gebreken kleven aan het bestreden besluit. Zo heeft verweerder onder andere de verkeerde procedure gevolgd gelet op het karakter van het bedrijf. Ook betwisten eisers dat de Ruimtelijke Visie dit plan mogelijk maakt en is er onvoldoende rekening gehouden met hun belangen betreffende overlast (woon- en leefklimaat). De gronden dat niet alle bezwaren in het bestreden besluit zijn besproken en dat het inzagerecht met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing is geschonden, zijn ter zitting ingetrokken. Duidelijk is geworden dat er geen ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag is ingediend en deze dus ook niet in de behandeling van de aanvraag is beoordeeld.


Beoordelingskader van de rechtbank


7. De beslissing om voor de afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder beslissingsruimte heeft. De rechtbank toetst of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om de omgevingsvergunning te verlenen heeft kunnen komen. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure geen eigen oordeel geeft over de vraag of er op de plaats van het bedrijfspand op de [adres 2] een metaalverwerkingsbedrijf zou moeten komen. De rechtbank beoordeelt of verweerder het besluit voldoende heeft gemotiveerd en de omgevingsvergunning ‘in redelijkheid’ heeft kunnen verlenen.

8. Hieronder zal de rechtbank per onderdeel ingaan op de beroepsgronden van eisers.


Beoordeling



Bezwaarprocedure



Standpunt partijen


9. Eisers voeren aan dat verweerder onterecht de reguliere bezwaarprocedure en niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft gevolgd. Eisers vinden namelijk dat er sprake is van een vergunningplichtige inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, omdat het bedrijf een [soort bedrijf] is dat vergunningplichtig is op grond van de categorieën 1, 2, 12 en 13 in onderdeel C van bijlage I bij het Bor. Daarnaast wordt niet aan de voorwaarden van artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor voldaan, omdat [adres 2] buiten de bebouwde kom ligt.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de door vergunninghouder ingevulde vragenlijst ‘Activiteitenbesluit Internet Module’ (hierna: vragenlijst) blijkt dat de activiteiten van vergunninghouder niet vergunningplichtig zijn. De activiteiten vallen wel onder de genoemde categorieën, maar niet onder de subcategorieën die vergunningplichtig zijn. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het vervaardigen en poedercoaten van de landbouwmachines wel onder de in onderdeel C van bijlage I bij het Bor genoemde categorie 12 en 13 valt, want de activiteiten voldoen aan de omschrijvingen in 12.1 en 13.1, maar niet onder de subcategorie 12.3, 12.4 of 13.3. Deze laatste gevallen zijn wel vergunningplichtige activiteiten. Uit de vragenlijst bij de aanvraag en eigen onderzoek van verweerder blijkt niet dat het metaalverwerkingsbedrijf daaronder valt. Op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wabo, zijn in onderdeel C van bijlage I bij het Bor uitzonderingen gemaakt voor de vergunningplicht genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Omdat het bedrijf niet vergunningplichtig is op grond van de categorieën in onderdeel C, is artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo (de uitgebreide procedure) niet van toepassing en kan de reguliere procedure gevolgd worden.


Juridisch kader


11. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo.

12. Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt:
"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
e. 1°. het oprichten,
2°. het veranderen of veranderen van de werking of
3°. het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk, (…)."

13. Artikel 2.1, derde lid, van de Wabo luidt:
“Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.”

14. Artikel 2.1, tweede lid, van het Bor luidt:
"Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen worden aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C."


Oordeel


15. Niet in geschil is dat sprake is van een inrichting. In geschil is of sprake is van een vergunningplichtige inrichting waardoor de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. De rechtbank overweegt als volgt.

16. Anders dan eisers stellen is de uitgebreide voorbereidingsprocedure slechts dan van toepassing als het gaat om een vergunningplichtige inrichting. In bijlage I, onderdeel C, bij het Bor staat opgesomd wanneer dit het geval is. In beginsel mag verweerder uitgaan van de opgave van de aanvrager. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder inconsistenties ontdekt en nadien eigen onderzoek gedaan. Uit de aanvraag voor een omgevingsvergunnin van 30 maart 2017, uit de door vergunninghouder ingevulde vragenlijst en de door vergunninghouder gedane melding Activiteitenbesluit van 19 mei 2017 blijkt niet dat de activiteiten in de inrichting van vergunninghouder vergunningplichtig zijn, als bedoeld in onderdeel C van bijlage I bij het Bor. Ook in beroep is niet gebleken dat de weergave van deze activiteiten bij de vergunningverlening onjuist zijn vastgesteld en wél vallen onder de in dit onderdeel bedoelde categorieën 1.4, 2.7, 12.3, 12.4 óf 13.4. Verweerder heeft daarom terecht de omgevingsvergunningaanvraag opgevat als een vergunningaanvraag voor bouwen (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo) en voor afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo) en niet als een aanvraag voor het veranderen of oprichten van een (vergunningplichtige) inrichting (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo).

17. Eisers betoog dat de afwijkingsvergunning niet mogelijk is op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, aanhef en sub 2, van de Wabo juncto artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor, omdat de [adres 2] buiten de bebouwde kom zou staan, slaagt niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 januari 2018. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat het perceel aan de [adres 2] , is gelegen binnen de bebouwde kom. De rechtbank ziet geen reden of gewijzigde omstandigheden om hier anders over te oordelen. Verweerder heeft in het bestreden besluit mogen volstaan met de simpele verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling.

18. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder terecht de bezwaarprocedure heeft gevolgd.


Inzagerecht


19. Eisers voeren aan dat hun inzagerecht is geschonden omdat niet alle stukken zijn verstrekt en de kans is ontnomen om op deze stukken te reageren. Pas na de eerste hoorzitting van 20 november 2017 zijn vier documenten overgelegd. Drie stukken zijn pas op de tweede hoorzitting op 6 maart 2018 genoemd. En één stuk, de ‘rapportage van een [soort bedrijf] ’, is op 21 juni 2018 aan verweerder verstrekt die het stuk geheim heeft verklaard, ‘op uitdrukkelijk verzoek van vergunninghouder’. Dit laatste is géén criterium op grond van artikel 7:4, zesde lid, van de Awb. Er is geen gewichtige redenen genoemd én er is geen mededeling van gedaan.

20. De rechtbank stelt vast dat eisers de vier documenten vóór de tweede hoorzitting op 6 maart 2018 hebben kunnen inzien en hierop hebben kunnen reageren. Verweerder heeft de andere drie stukken en het laatste stuk van de accountant niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dit zijn dus geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Het inzagerecht is daardoor naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Daarom is er ook geen sprake van schending van artikel 7:9 van de Awb. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek af om de genoemde stukken alsnog in procedure te brengen.


Verslaglegging hoorzittingen


21. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte geen verslagen van beide hoorzittingen heeft gemaakt. Dit is een schending van de artikelen 7:7 en 7:13 van de Awb. De gemaakte geluidsopname is slecht hoorbaar.

22. Het advies van de bezwaarschriftencommissie dient op grond van artikel 7:7 van de Awb juncto artikel 7:13, zesde lid, van de Awb een verslag van het horen te bevatten. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:7 van de Awb blijkt dat met een verslag een schriftelijk verslag wordt bedoeld. De plicht tot schriftelijke verslaglegging kan op verschillende wijzen worden vormgegeven. Zo kan ook uit de beslissing op bezwaar blijken wat op de hoorzitting is verhandeld.

23. In dit geval ontbreken verslagen en ook uit het bestreden besluit blijkt niet wat er op de hoorzitting is gezegd. Er zijn geluidsopnames gemaakt. Dit zijn geen schriftelijke verslagen. Hiermee is niet voldaan aan de eis van artikel 7:7 van de Awb. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een gebrek. Het is echter aannemelijk dat eisers hierdoor niet zijn benadeeld. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat alle door eisers in de beroepschriften verwoorde stellingen op de hoorzitting naar voren zijn gebracht. Dit is volgens verweerder te beluisteren op de bandopname. Eisers hebben niet duidelijk gemaakt waarom het ontbreken van verslagen van de hoorzittingen hen heeft benadeeld. De enkele vermelding dat deze stellingen aanvullend bewijs zijn voor de juistheid van hun standpunten is daarvoor onvoldoende. Er bestaat daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Dit kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.


Onjuiste gegevens en niet-naleving vergunning


24. Eisers voeren aan dat de vergunning is gebaseerd op door de vergunninghouder verstrekte onjuiste gegevens en dat de vergunninghouder de vergunning niet kan en niet wil naleven. Verweerder dient de vergunning in te trekken als er onjuiste of onvolledige informatie is verschaft of niet overeenkomstig de vergunning wordt gehandeld. Vergunninghouder is niet in overwegende mate agrarisch. Dit is op beide hoorzittingen door vergunninghouder zelf verklaard, staat op de website en is door eigenaar [naam] gezegd tegen [eiser 3] . Ook de rapportage van een [soort bedrijf] zegt volgens verweerder dat vergunninghouder ‘een agrarisch aanverwant karakter’ heeft. In de vergunning is op pagina drie van de onderdelen behorende bij de omgevingsvergunning overwogen dat ‘slechts het gebruik van de bestaande bebouwing verandert van agrarisch verwerkingsbedrijf (vrijstelling) naar agrarisch aanverwant bedrijf’ en dat ‘bedrijven die niet agrarisch aanverwant zijn bij voorbaat zijn uitgesloten’.

25. Verweerder stelt zich op het standpunt dat vergunninghouder geen onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat het uit mag gaan van de door vergunninghouder gegeven verklaringen dat zij in grote mate afhankelijk is van de tuinbouwsector. Verder vindt verweerder deze discussie achterhaald, omdat de agrarische aanverwantschap niet meer relevant werd geacht in het bestreden besluit.

26. De rechtbank stelt vast dat vergunninghouder een [soort bedrijf] is. Niet gezegd kan worden dat zij in overwegende mate een agrarisch aanverwant karakter heeft. Wel levert zij aan de agrarische sector. In het bestreden besluit is daar ook van uitgegaan. Ter zitting heeft verweerder erkend in eerste instantie het bedrijf gezien te hebben als een agrarisch aanverwant bedrijf. Die benadering van het bedrijf is in het bestreden besluit gewijzigd. Niet gezegd kan worden dat het bestreden besluit daarmee onrechtmatig is. Verweerder heeft de mogelijkheid om in de beslissing op het bezwaar na de heroverweging een andere motivering aan de vergunningverlening ten grondslag te leggen. Het niet naleven van de vergunning is geen onderdeel van deze procedure. Het afwijken van de voorschriften van een verleende vergunning is een kwestie van handhaving. Indien eisers vinden dat de vergunninghouder afwijkt van deze voorschriften kunnen zij verweerder verzoeken om handhavend op te treden.


Rechtszekerheid, verbod van willekeur en verzwaarde motiveringsplicht


27. Eisers voeren aan dat verweerder in strijd handelt met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Ook heeft verweerder een extra verzwaarde motiveringsplicht wegens het ontbreken van beleid bij de toepassing van artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het bor. In eerdere procedures voor de rechtbank heeft verweerder met succes betoogd dat het eerder op het perceel gevestigde [soort bedrijf] bestempeld kan worden als [soort bedrijf] . Nu komt er een industrieel metaalbedrijf. Met het oog op de rechtszekerheid had verweerder dezelfde criteria als destijds moeten aanleggen bij de beoordeling van deze aanvraag. Volgens eisers moet verweerder aansluiting zoeken bij het bestemmingsplan [omschrijving] . Verweerder doorbreekt daarmee een bestendige gedragslijn.

28. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur niet geschonden zijn. In 2015 is de Ruimtelijke Visie vastgesteld en een visie verwoord over het gebruik van onder meer het perceel aan de [adres 2] . Dit beleid maakt het mogelijk om niet-agrarische functies toe te staan in dit gebied. Reeds om die reden kan niet gezegd worden dat er een bestendige gedragslijn wordt doorbroken.


Ruimtelijke Visie, precedentwerking en provinciale belangen


29. Eisers voeren aan dat door de bestemmingswijziging precedentwerking ontstaat en dat daardoor de deur wordt opengezet naar andere industrieën. De agrarische aanverwantbaarheid wordt daardoor verlaagd. Zij vinden dat de Ruimtelijke Visie geen ruimte biedt voor deze verandering. Verder stellen eisers dat onterecht de provinciale belangen zijn genegeerd en dat er ten onrechte niet de op grond van de Ruimtelijke Visie vereiste afstemming met de provincie heeft plaatsgevonden. Ook menen zij dat er op basis van de Ruimtelijke Visie een ruimtelijke onderbouwing moet zijn ingediend bij de vergunningaanvraag.

30. In de Ruimtelijke Visie staat dat in tuinbouwgebieden met maatwerkopgave kansrijke lokale ontwikkelingen van goede bedrijven zeker niet tegengehouden zullen worden. Het gebied waarin [adres 2] ligt is aangewezen als maatwerkopgavegebied.

31. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de Ruimtelijke Visie geen grondslag kan bieden voor het project. Anders dan eisers stellen blijkt uit de Ruimtelijke Visie dat andere ontwikkelingen dan [omschrijving] wel mogelijk zijn. Hiervoor is niet vereist dat belangengroepen, omwonenden of andere overheden worden betrokken bij de besluitvorming. Niet is gebleken dat er al concrete andere plannen voor dit gebied zijn die beter passen in dit maatwerkgebied. De rechtbank is van oordeel dat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in strijd is met de Ruimtelijke Visie. Gelet op de door verweerder gegeven toelichting in het bestreden besluit is er geen sprake van een motiveringsgebrek.

32. De rechtbank kan verweerders redenering volgen dat de verandering van de bestemming een kansrijke lokale ontwikkeling is die geen invloed heeft op de regionale glastuinbouwsector en dat de provinciale belangen ook niet in het geding zijn. De vorige bestemming van het perceel was al geen [omschrijving] meer, aangezien er een [soort bedrijf] gevestigd was. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de provincie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen vergunningverlening zonder overleg. Omdat het in dit geval kleinschalig is, is regionale afstemming met de provincie niet vereist.

33. Dat er in de Ruimtelijke Visie ook staat dat ‘indien financieel en ruimtelijk goed onderbouwde plannen voorliggen, er regionaal kan worden afgesproken om planologische ruimte te bieden voor uitvoering’, staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan vergunningverlening in de weg. Een verplichting van verweerder om met de provincie hieromtrent af te stemmen blijkt hier niet uit. Anders dan eisers stellen, blijkt hier ook niet uit dat een ruimtelijke onderbouwing is vereist voor alle projecten die in de aangewezen gebieden vallen onder de maatwerkopgave. Ook op grond van de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, aanhef en sub 2, van de Wabo is een ruimtelijke onderbouwing niet vereist.

34. De rechtbank is van oordeel dat met de vergunningverlening geen ongewenst precedent is geschapen. Het precedent strekt zich uit over slechts vier percelen met dezelfde bestemming in dat gebied waar eveneens agrarische verwerkingsbedrijven zijn toegestaan.


Strijd met de goede ruimtelijke ordening



Akoestisch rapport


35. Aan het primaire besluit heeft een door vergunninghouder ingebracht akoestisch onderzoek van [naam] ( [naam] ) van 6 januari 2016 ten grondslag gelegen.

36. Eisers hebben in beroep een akoestisch rapport van [naam] van 22 januari 2019 overgelegd. Hierin is met name gereageerd op het akoestisch onderzoek van [naam] van 6 januari 2016.

37. Naar aanleiding van het rapport van [naam] heeft [naam] zijn rapport van 6 januari 2016 aangepast in een nieuw rapport van 20 juni 2019. In het begeleidende schrijven van 20 juni 2019 is gereageerd op welke punten het rapport is aangepast.

38. Eisers voeren aan dat het akoestische rapport van [naam] waar verweerder zich in bezwaar op heeft gebaseerd ten onrechte doorslaggevend is geacht. Eisers verzoeken de rechtbank een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb te benoemen.

39. De rechtbank is niet gebleken dat het akoestisch rapport van [naam] onzorgvuldig tot stand is gekomen, waardoor verweerder dit buiten beschouwing moest laten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de meetgegevens niet bruikbaar zijn. Dat vergunninghouder heeft verklaard een verwachte groei van 30-40% te hebben is een verwachting en is niet nader onderbouwd. In het rapport is wel rekening gehouden met de groei van het bedrijf. Verder hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de indelingssituatie waarvan in het rapport is uitgegaan cruciaal anders is dan de werkelijkheid.

40. De rechtbank ziet geen aanleiding een deskundige in te schakelen. Er wordt duidelijk uitgelegd hoe is gemeten, de conclusies volgen logisch uit de resultaten en het rapport is niet innerlijk tegenstrijdig. Voor zover er onduidelijkheden zaten in het rapport van 6 januari 2016 zijn die naar het oordeel van de rechtbank weggenomen met het rapport van 20 juni 2019.


Geluid


41. Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de toename van de overlast door geluid. Verweerder heeft de gevolgen van de toename van vrachtwagen- en verkeersbewegingen onderschat en gebaseerd op een verkeerde aanname van het aantal verkeersbewegingen. Verweerder is ten onterechte niet ingegaan op de bezwaargrond dat door het aanbrengen van twee extra grote deuren voor laden en lossen van vrachtauto’s het vrachtverkeer toeneemt.

42. In het rapport van 20 juni 2019 van [naam] staat in hoofdstuk 3 over de toekomstige situatie van voertuigbewegingen dat de groei van het bedrijf geen consequenties zal hebben voor de geluidsbelasting in de omgeving. Het aantal voertuigen dat per dag de inrichting aandoet zal niet toenemen. De verhoging van de jaarproductie wordt bereikt door meer dagen gebruik te maken van de reeds aanwezige productiemogelijkheden. De geluidsbron van de elektrische heftruck is in het rapport meegenomen als bron 45. Het aantal personenwagens was volgens [naam] al juist in het rapport van 6 januari 2016 opgenomen. De geluidsbelasting van alle overheaddeuren is beschreven in hoofdstuk 3 en bijlage b en in de berekening opgenomen.

43. De rechtbank stelt vast dat de vastgestelde maximale geluidsniveaus, zoals blijkt uit het rapport, niet worden overschreden. Niet is aannemelijk gemaakt dat de geluidswaardes worden onderschat of voor overlast zorgt die onaanvaardbaar zou zijn. Dat eisers in bezwaar stukken hebben overgelegd waaruit de geluidsniveaus van vormen van metaalbewerking blijkt, wil niet zeggen dat die geluidsniveaus bij vergunninghouder gelijk zijn. Zo kunnen er maatregelen genomen worden om de geluidsbelasting te beperken.


Poedercoaten en luchtkwaliteit


44. Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het gevaar door werken met poedercoating en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Poedercoating heeft explosiegevaar en verspreidt fijnstof.

45. Uit de vragenlijst blijkt dat vergunninghouder een type B-inrichting is en melding moet doen. Ook heeft verweerder al de nodige kennis van de activiteiten door vergunninghouder, omdat zij nu ook al in dezelfde gemeente gevestigd zit. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat poedercoating een explosiegevaarlijke activiteit is. Een artikel daarover dat ziet op bepaalde gevallen, is daarvoor onvoldoende. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat poedercoating een negatief effect heeft op de luchtkwaliteit.
Parkeren

46. Eisers voeren aan dat verweerder de toename van overlast door extra parkeerbehoefte onvoldoende heeft meegewogen. Door de gestelde groei van 30-40% komt er extra parkeeroverlast, waar geen afdoende onderzoek naar is gedaan. Daarnaast stellen eisers dat verweerder een onjuiste parkeernorm heeft gehanteerd.

47. Voor het perceel is een onherroepelijke vergunning verleend voor 12 parkeerplaatsen. Ter zitting heeft de vergunninghouder verklaard al een aantal jaar 14 werknemers te hebben en dat een aantal van hen dichtbij woont en op de fiets komt. Vergunninghouder heeft de vergunning aangevraagd inclusief 20 parkeerplaatsen.

48. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden, gegeven het aantal medewerkers (14) afgezet tegen de grootte van het bedrijf (3500 m²), het bedrijf heeft geduid als een arbeidsextensief bedrijf en dat met 20 parkeerplaatsen een juiste inschatting van de parkeerbehoefte is gemaakt.


Impact voor omwonenden onvoldoende meegewogen


49. Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de impact voor omwonenden. Verweerder heeft niets gedaan met het argument dat het karakter van het gebied zal veranderen naar industriële omgeving, dat andere industriële activiteit zal aantrekken.

50. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende de impact van dit project voor eisers en andere omwonenden heeft meegewogen in zijn besluitvorming. Daarbij tekent de rechtbank aan dat [eiser 1] verder weg woont dan [eiser 2] en dat [eiser 3] (nog) geen bebouwd perceel bezit. Auto’s en vrachtwagens zullen geen van deze percelen passeren. Ook andere hinder door trillingen en stank is op deze afstand niet aannemelijk.


Motiveringsgebreken


51. Eisers voeren aan dat verweerder de afwijking van het advies van de commissie onvoldoende heeft gemotiveerd in het bestreden besluit. Zij wijzen op de artikelen 7:12 en 7:13, zevende lid, van de Awb. Daarnaast voeren eisers aan dat het advies van de commissie de ongegrondverklaring van de overige bezwaren van eisers niet kan dragen. Zij vinden dat ze recht hebben op proceskosten in bezwaar.

52. Verweerder heeft in het bestreden besluit de eis van agrarische aanverwantschap losgelaten en de ruimtelijke inpasbaarheid van vergunninghouder op het perceel aan de [adres 2] beoordeeld.

53. De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit voldoende is verwoord waarom er wordt afgeweken van het advies van de commissie. Aan artikel 7:13, zevende lid, van de Awb wordt zodoende voldaan. De rechtbank ziet geen grond om verweerder te veroordelen voor de proceskosten in bezwaar, omdat in het bestreden besluit het primaire besluit niet is herroepen.


Redelijke termijn


54. De rechtbank heeft ambtshalve de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ter zitting ter sprake gebracht. Het eerste bezwaar tegen het primaire besluit is ingediend op 25 juli 2017. Omdat de rechtbank voorzag niet vóór 25 juli 2019 uitspraak te zullen doen, heeft zij partijen ter zitting om hun visie gevraagd.

55. Verweerder heeft verklaard dat het nemen van het bestreden besluit op verzoek van eisers is uitgesteld, omdat ze de uitspraak van de Afdeling wilden afwachten over het onderwerp of de [adres 2] wel of niet binnen de bebouwde kom ligt. De behandeling van het bezwaar is daardoor vier á vijf maanden vertraagd. De Afdeling heeft op 10 januari 2018 uitspraak gedaan. Daarna is de behandeling voortgezet. Verweerder vindt daarom dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

56. Eisers hebben ter zitting verklaard dat zij het in hun belang vonden die uitspraak van de Afdeling af te wachten. Zij weten niet goed meer wat exact is afgesproken.

57. De rechtbank overweegt dat in het aanvullende bezwaarschrift van [eiser 3] , door verweerder ontvangen op 4 september 2017, wordt geschreven dat de uitspraak van de Afdeling op dit punt dient te worden afgewacht.

58. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu de rechtbank uitspraak doet binnen twee jaar en vier maanden na indiening van het bezwaar.


Conclusie


59. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verweerder in redelijkheid een vergunning heeft kunnen verlenen voor een [soort bedrijf] van vergunninghouder aan de [adres 2] . De rechtbank zal daarom de beroepen ongegrond verklaren. Eisers krijgen geen gelijk.

60. In verband met het toepassen van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de door [eiser 1] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Voor een proceskostenveroordeling ten gunste van [eiser 2] en [eiser 3] bestaat geen aanleiding. De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoedt.





Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170 aan [eiser 1] en het betaalde griffierecht van € 170 aan [eiser 2] te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiser 1] tot een bedrag van € 1.024.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.J. Harten, voorzitter, en mr. E. de Rooij en mr. J.H.M. van de Ven, leden, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2019.

griffier
voorzitter


De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.




Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden aan partijen op:



Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 januari 2018, ELCI:NL:RVS:2018:47.



Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 151.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:679.


Zie de omschrijving onder Categorie 4 op pagina 21 van de Ruimtelijke Visie [naam] [plaatsnaam] 2015-2025.
Link naar deze uitspraak