Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBDHA:2019:14616 
 
Datum uitspraak:25-11-2019
Datum gepubliceerd:14-02-2020
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:AWB - 17 _ 6077
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingsvergunning gaswinningszaak Diever
Trefwoorden:geluidhinder
geluidshinder
landbouw
natuurbeschermingswet
omgevingsvergunning
perceel
stikstofdepositie
wabo
waterschap
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

Zaaknummers: SGR 17/6079 en SGR 17/6102

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 november 2019 in de zaak tussen


1. het college van burgemeester en wethouders van Westerveldeiser 1)
(gemachtigde: mr. W.R. van der Velde),


2. Vereniging Milieudefensie Amsterdam, afdeling Westerveld, te Havelte (eiseres 2)
(gemachtigde: mr. J.J.H. Mineur)

en


de minister van Economische Zaken (thans: Economische Zaken en Klimaat), verweerder
(gemachtigde: mr. L. Brand).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vermilion Energy Netherlands B.V. (hierna: Vermilion), te Harlingen
(gemachtigde: mr. H.M. Israëls).



Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Vermilion een omgevingsvergunning verleend voor het verhogen van de productiecapaciteit van de inrichting in Wapse naar 1.500.000 Nm³ ruw aardgas per dag.

Eiser 1 en eiseres 2 hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, respectievelijk geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/6079 en SGR 17/6102.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (de STAB), te benoemen. Op 5 april 2018 heeft de STAB een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren en hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De STAB heeft bij rapport van 14 februari 2019 op verzoek van de rechtbank een nader bericht uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2019. Namens eiser 1 is verschenen W. de Jong (wethouder), bijgestaan door de gemachtigde. Namens eiseres 2 is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Voorts is aan de zijde van eiseres 2 als deskundige verschenen ing. G.B.M. Wigger. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde bijgestaan door [B] en [C] . Tevens is verschenen [D] , namens het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Vermilion heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. R. Olivier. Namens Vermilion was als deskundige aanwezig H. Martens, reservoir ingenieur. Als deskundigen van de STAB zijn verschenen drs. I.J. van der Wal en drs. J.F. Schuurman. De zaken zijn ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen tegen het instemmingsbesluit, geregistreerd onder de zaaknummers SGR 17/6077 en SGR 17/6101. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken met betrekking tot de omgevingsvergunning en het instemmingsbesluit gesplitst.



Overwegingen


1.1.
Vermilion heeft sinds 2004 aardgas-producerende velden in Nederland in bezit, waaronder het Diever aardgasveld. Dit aardgasveld is in augustus 2014 aangeboord (proefboring) middels aardgasput Diever 2 (DIV-02), vanaf de mijnbouwlocatie Wapse, perceel, kadastraal bekend, gemeente Diever, sectie H, nummer 167, aan de Noordenveldweg.



1.2.
Bij besluiten van 15 juni 2015 heeft verweerder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan Vermilion omgevingsvergunningen eerste en tweede fase verleend voor het oprichten en in werking hebben van de mijnbouwlocatie Wapse (perceel, kadastraal bekend, gemeente Diever, sectie H, nummer 167). Deze gefaseerde vergunning maakt een maximale aardgasproductie van 480.000 Nm³ aardgas per dag mogelijk.



1.3.
Op 2 juni 2016 heeft Vermilion op grond van de Wabo voor de mijnbouwlocatie Wapse een aanvraag voor een veranderingsvergunning ingediend. De aanvraag betreft het verhogen van het productieplafond van 480.000 Nm³ aardgas per dag naar 1.500.000 Nm³ aardgas per dag.



1.4.
De ontwerp omgevingsvergunning heeft van 30 november 2016 tot en met 10 januari 2017 ter inzage gelegen. Eiser 1 en eiseres 2 hebben zienswijzen ingediend. Verweerder heeft in de "Nota van Beantwoording Zienswijzen Gaswinning Diever & Wapse" gereageerd op de tegen de ontwerp-omgevingsvergunning ingediende zienswijzen.



2.1.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan Vermilion een omgevingsver-gunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2° en 3° van de Wabo, voor het verhogen van de productiecapaciteit van de inrichting in Wapse naar 1.500.000 Nm³ ruw aardgas per dag.



2.2.
Het bestreden besluit is op grond van artikel 34, zevende lid, van de Mbw gecoördineerd voorbereid met het besluit van 21 juli 2017 tot instemming met het winningsplan. Daarbij heeft verweerder afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast.


Deskundigenbericht van de STAB



3.1.
Op 5 april 2018 heeft de STAB een deskundigenbericht uitgebracht en op 14 februari 2019 een nader deskundigenbericht.



3.2.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van
16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3819) mag de bestuursrechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.



3.3.
In hetgeen eiser 1 en eiseres 2 hebben aangevoerd, hetgeen grotendeels neerkomt op het handhaven van eerder ingenomen standpunten in de zienswijzen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het deskundigenbericht met de nadere aanvulling niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Indien en voor zover de rechtbank het deskundigenbericht niet volgt, zal zij dit uitdrukkelijk en gemotiveerd overwegen.


Goede procesorde



4.1.
Verweerder en Vermilion hebben bezwaar gemaakt tegen de twee door eiseres 2 ingediende rapporten van ing. G.B.M. Wigger van respectievelijk 6 en 7 februari 2019. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank deze rapporten wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te laten.



4.2.
Eiseres 2 heeft op 7 februari 2019 een reactie gegeven op de door verweerder en Vermilion respectievelijk op 15 mei 2018 en 10 mei 2018 ingediende reacties op het deskundigenbericht van de STAB van 5 april 2018. Bij deze reactie zijn twee rapportages gevoegd. Na binnenkomst van de beroepschriften heeft de rechtbank bij brief van 10 januari 2018 aan eisers medegedeeld dat de rechtbank in deze procedure de STAB als deskundige heeft benoemd. In de brief is vermeld dat nieuwe beroepsgronden die later zijn ingediend dan drie weken nadat de STAB is verzocht een deskundigenbericht uit te brengen wegens strijd met de goede procesorde niet zullen worden meegenomen. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van andere partijen, kan niet worden aanvaard dat eiseres 2 in haar nadere reactie niet eerder aangevoerde gronden en in dat kader ingebrachte rapportages inbrengt. Dit betekent dat de door Wigger opgestelde rapportages over “condensatie in gasreservoirs” en “mijnbouwschade als gevolg van lekkage langs de putten” wegens strijd met de goede procesorde buiten inhoudelijke bespreking blijven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat eiseres 2 deze stukken niet tijdig naar voren heeft kunnen brengen. Tot slot overweegt de rechtbank dat voor zover eiseres 2 in haar correspondentie na 31 januari 2018 nieuwe gronden naar voren heeft gebracht, deze eveneens als in strijd met een goede procesorde buiten beschouwing zullen worden gelaten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2928.



4.3.
De rechtbank heeft op 17 januari 2019 aan de STAB schriftelijk verzocht om nader te adviseren over de door de gemachtigde van eiser 1 ingebrachte reactie. De STAB heeft op 14 februari 2019, bij de rechtbank binnengekomen op 15 februari 2019, het nadere deskundigenbericht ingebracht. De rechtbank heeft dit nadere deskundigenbericht diezelfde dag per e-mail dan wel per fax aan partijen doen toekomen. Dit nadere deskundigenbericht is niet van een zodanige inhoud of omvang dat partijen daarop niet meer adequaat konden reageren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen de deskundigen van de STAB ter zitting nader hebben kunnen bevragen. Aldus zijn partijen niet in hun belangen geschaad. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldaan is aan de goede procesorde.


Beoordelingskader

5. Tegen de onder rechtsoverweging 1.2. vermelde besluiten van 15 juni 2015, voor het oprichten en in werking hebben van de mijnbouwlocatie, hebben eiseres 2 en Vermilion beroep ingesteld. Tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 januari 2017 in dat beroep zijn de besluiten van 15 juni 2015 vernietigd. Tegen deze uitspraak hebben verweerder en Vermilion hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft op 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, in hoger beroep uitspraak gedaan en daarbij de vernietiging ongedaan gemaakt. De besluiten van 15 juni 2015 zijn thans onherroepelijk. Dit betekent dat onder meer de keuze voor de mijnbouwlocatie in planologisch opzicht een gegeven is en dat al hetgeen door eiseres 2 is aangevoerd over de onwenselijkheid van de aanwezigheid en gevolgen van de mijnbouwinrichting ter plaatse in deze procedure niet langer ter discussie kan staan. In het kader van deze procedure staat de vraag centraal wat de (milieu)gevolgen zijn van de verhoging van de maximum dagproductie van 480.000 Nm³ tot 1.500.000 Nm³.



5.2.
Voor de wet- en regelgeving die op deze zaak van toepassing is, verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.


Milieueffectrapportage (m.e.r.) en Milieueffectrapport (MER)

6. Ten aanzien van de in categorie C17.2 van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) genoemde drempelwaarde van een hoeveelheid van 500.000 m³ aardgas per dag overweegt de rechtbank dat de Afdeling in haar uitspraak van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, in het kader van de besluitvorming ten aanzien van het oprichten en in werking hebben van de mijnbouwlocatie Wapse, heeft geoordeeld dat Vermilion en verweerder bij de uitleg van de volume eenheid “m³” terecht zijn uitgegaan van de aanduiding Nm³ (normaal kubieke meter), zijnde het volume gas in kubieke meter bij een temperatuur van 0˚C en een druk van 1 atmosfeer. De destijds door Vermilion aangevraagde omgevingsvergunning ten behoeve van de aardgasproductie van 480.000 Nm³ aardgas per dag, viel aldus beneden de drempelwaarde van categorie C17.2, zodat in het licht van die procedure geen MER behoefde te worden opgesteld. In de onderhavige zaak wordt de drempelwaarde met 1.000.000 Nm³ overschreden, zodat hiervoor een mer-plicht geldt. In deze zaak is dan ook een MER opgesteld.


M.e.r.-procedure



7.1.
Op 19 februari 2016 heeft Vermilion verweerder in kennis gesteld van zijn voornemen een m.e.r.-procedure te doorlopen in het kader van een aanvraag om een veranderingsvergunning op grond van de Wabo voor de inrichting Wapse. Bij brief van 2 mei 2016 heeft verweerder Vermilion medegedeeld dat - gelet op de kenmerken van de voorgenomen activiteit - voor het op te stellen MER een beperkte m.e.r.-procedure kan worden gevolgd.



7.2.
Eiser 1 heeft zich onder verwijzing naar artikel 7.24, vierde lid, sub c, van de Wet milieubeheer op het standpunt gesteld dat de uitgebreide m.e.r.-procedure gevolgd had moeten worden, nu het MER is opgesteld ten behoeve van zowel de omgevingsvergunning, als de instemming met het winningsplan. Eiseres 2 heeft betoogd dat verweerder niet voldoende heeft onderbouwd waarom in dit geval met de beperkte m.e.r.-procedure kon worden volstaan.



7.3.
De rechtbank overweegt dat het voornemen om de dagproductie van de inrichting in Wapse naar 1.500.000 Nm³ aardgas te verhogen, onder activiteit C 17.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. valt, nu het winnen van aardgas in een hoeveelheid van meer dan 500.000 m³ per dag m.e.r.-plichtig is. Het besluit tot veranderen of het veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo valt in de categorie besluiten als bedoeld in kolom 4 van bijlage C 17.2. Tevens zijn afdeling 3.4 van de Awb en één of meer bepalingen van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing.



7.4.
Gelet op het vorenstaande, is ingevolge artikel 7.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer in beginsel de beperkte m.e.r.-procedure van toepassing. In het vierde lid van dit artikel zijn uitzonderingen op dit uitgangspunt opgenomen. Artikel 7.24, vierde lid, sub c, waar eiser 1 naar verwijst, bepaalt dat de uitgebreide m.e.r.-procedure van toepassing is indien een plan is vereist als bedoeld in artikel 14.4b van de Wet milieubeheer. Een winningsplan waar eiser 1 aan refereert is echter geen plan als bedoeld in artikel 14.4b van de Wet milieubeheer. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578. Hierin is onder meer geoordeeld dat besluiten over verlening van een winningsvergunning, alsmede over instemming met een winningsplan niet als m.e.r-plichtige besluiten zijn aan te merken, nu een winningsplan geen plan is dat door een bestuursorgaan wordt vastgesteld. Daarnaast is het winningsplan geen plan dat wordt vastgesteld om de omgevingsvergunning in te passen en tot slot zijn het winningsplan noch het instemmingsbesluit genoemd bij activiteit C 17.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op goede gronden de beperkte m.e.r.-procedure als bedoeld in paragraaf 7.8 van de Wet milieubeheer heeft toegepast.


Referentiesituatie MER



8.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag tot het verhogen van het productieplafond naar 1.500.000 Nm³ aardgas per dag onder activiteit C 17.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. valt en op grond hiervan m.e.r.-plichtig is. Partijen zijn hierbij wel verdeeld over de vraag welke referentiesituatie als uitgangspunt moet dienen voor het MER.



8.2.
Eiseres 2 heeft aangevoerd dat de effecten van de eerder vergunde situatie (de proefboorlocatie met maximale aardgasproductie van 480.000 Nm³ aardgas per dag) ten onrechte niet zijn meegenomen in het MER. Nu in het MER voor de referentiesituatie is uitgegaan van 480.000 gas Nm³ per dag en aldus uitsluitend de toename tot 1.500.000 Nm³ gas per dag is beoordeeld, is geen sprake van een integraal beeld van de milieueffecten. De effecten van de eerder vergunde situatie - dus tot 480.000 Nm³ aardgas per dag - hadden volgens eiseres 2, mede vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid, ook in het MER moeten worden beoordeeld.



8.3.
De rechtbank overweegt dat de regelgeving omtrent het opstellen van een MER is neergelegd in de Wet milieubeheer, onder meer in artikel 7.23. In 2014 is de mer-richtlijn (2011/92/EU) gewijzigd met Richtlijn 2014/52/EU (hierna: de herziene mer-richtlijn). Nederland had tot mei 2017 de tijd om het Nederlandse recht in lijn te brengen met de herziene mer-richtlijn. Op 16 mei 2017 is de implementatiewet in werking getreden, waarbij onder meer de Wet milieubeheer is gewijzigd, waaronder artikel 7.23 betreffende de te stellen eisen aan een MER. In artikel 3 van de herziene mer-richtlijn is vastgelegd dat het oude recht geldt voor projecten die vóór implementatie, te weten 16 mei 2017, zijn gestart. Dit geldt onder meer voor projecten waarbij het MER al ter inzage is gelegd.



8.4.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak het MER van 30 november 2016 tot en met 10 januari 2017 ter inzage heeft gelegen. Dit betekent dat in deze procedure het recht zoals dat gold vóór 16 mei 2017 van toepassing is. De rechtbank zal daar in haar overwegingen daarom van uitgaan.



8.5.
Ingevolge artikel 7.23 dient het MER een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu te bevatten en de autonome ontwikkelingen daarvan. Op grond hiervan dient het MER de bestaande situatie als uitgangspunt te nemen, zijnde de situatie die in de toekomst zal ontstaan als het project niet doorgaat. In dit geval is dat de situatie waarin aan Vermilion vergunning is verleend voor de oprichting en het in werking hebben van de inrichting met een dagproductie tot 480.000 Nm³. In het MER dienen de milieueffecten van het project dan ook te worden afgezet tegen de situatie waarin reeds 480.000 Nm³/dag gas is vergund. Daarbij is het op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2210 en 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4198) toegestaan om bij het bepalen van de referentiesituatie aansluiting te zoeken bij de feitelijke situatie. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat bij het opstellen van het MER terecht is uitgegaan van de huidige vergunde situatie als referentiesituatie.



8.6.
Voor zover is betoogd dat uit het oogpunt van zorgvuldigheid de effecten van de aardgasproductie tot de drempelwaarde van 500.000 Nm³ per dag, ook in het MER diende te worden bezien, overweegt de rechtbank dat dit betoog niet op enige rechtsregel valt terug te voeren. De beroepsgrond voor zover gericht tegen de in de bijlage bij het Besluit m.e.r. opgenomen drempelwaarde van 500.000 Nm³ treft evenmin doel. Het is aan de wetgever om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Besluit m.e.r. neergelegde drempelwaarde teniet te doen.


Volledigheid MER



9.1.
Eiseres 2 heeft aangevoerd dat het MER leemtes vertoont en geen volledige beschrijving bevat van de milieueffecten. Zij wijst onder meer op het ontbreken van informatie over bodemdaling en hydrologie. Eiseres 2 citeert daarbij uit de brief van verweerder van 2 mei 2016 aan Vermilion, waarbij Vermilion is medegedeeld dat voor de aanvraag van de veranderingsvergunning de beperkte m.e.r.-procedure gevolgd kan worden.



9.2.
Artikel 7.24, tweede lid van de Wet milieubeheer luidt:
Voor zover een advies over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 7.24, tweede of derde lid, is uitgebracht, is het milieueffectrapport gebaseerd op dat advies. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie te komen over de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden.



9.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij brief van 2 mei 2016 een advies heeft uitgebracht, zoals bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, van de Wet milieubeheer, nu in deze brief het ingewonnen advies van de Directie Natuur en Biodiversiteit (N&D), alsmede de Inspecteur-Generaal der Mijnen (van het SodM) ten aanzien van de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER is verwerkt. Ten aanzien van twee onderwerpen wordt Vermilion geadviseerd extra aandacht te besteden in het MER. Het betreft enerzijds het onderwerp “bodem-, grond- en oppervlaktewater” en anderzijds het onderwerp “natuur en ecologie”. Over het laatstgenoemde onderwerp is vermeld dat een drietal vragen in het MER aan de orde dienen te komen. In het deskundigenbericht heeft de STAB over de vraag of in het MER aandacht is besteed aan deze specifiek genoemde onderwerpen en of antwoord is gegeven op bijbehorende geformuleerde vragen positief geconcludeerd. De genoemde onderwerpen zijn beschreven in de paragrafen 5.3. (bodembeweging), 5.4. (waterhuishouding), 5.5. (geluid), 5.7 (risico’s en maatregelen met betrekking tot verontreiniging van bodem en oppervlaktewater), 5.13 (effecten op natuur en ecologie en gevolgen voor de instandhoudingsdoelen op de Natura 2000-gebieden) en 5.14 (de locatie ten opzichte van grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden). De rechtbank is in lijn hiermee van oordeel dat het MER de benodigde informatie bevat over de vooraf benoemde onderwerpen en vragen, en dat deze informatie kenbaar bij de beoordeling is betrokken. Voor zover eiseres 2 heeft betoogd dat er gebreken kleven aan (de totstandkoming van) het MER, kan dit betoog daarom niet slagen.



10.1.
Eiseres 2 heeft voorts naar voren gebracht dat het onderzoek naar de (directe en indirecte) gevolgen voor de natuur in de Natuurtoets en het MER niet actueel en onvolledig is. Er is volgens haar onvoldoende (veld)onderzoek verricht naar de aanwezigheid van soorten, alsmede naar de effecten op beschermde natuurgebieden en soorten en eiseres wijst daarbij op het deskundigenbericht van de STAB van 19 mei 2016 (aangevuld op 18 juli 2016), alsmede op een door EcoNatura opgestelde contraexpertise van 23 juni 2016. Beide stukken zijn opgemaakt in het kader van de procedure van de gefaseerde vergunningverlening, zoals genoemd in rechtsoverweging 1.2.



10.2.
Verweerder stelt zich -kort weergegeven- op het standpunt dat in de onderhavige procedure enkel de gevolgen van de wijziging van de inrichting ten behoeve van een maximale dagproductie van 1.500.000 Nm³ dienen te worden bezien. Ten aanzien van gevolgen als ruimtebeslag of andere directe effecten op de omgeving wijst verweerder op paragraaf 5.13 van het MER, waarin staat vermeld dat verhoging van de gasproductie niet leidt tot een fysieke ingreep, dan wel fysieke werkzaamheden. Directe gevolgen, zoals ruimtebeslag of directe verstoring, op het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld (het Natura 2000-gebied) van de verhoging van de maximale dagproductie voor de natuur en de ecologie kunnen op voorhand worden uitgesloten. Gelet op het ontbreken van een fysieke ingreep aan de installatie, acht verweerder een nieuw veldonderzoek niet nodig; de eerder uitgevoerde onderzoeken acht hij afdoende voor de toetsing van de verhoging van de dagproductie.



10.3.
De rechtbank stelt vast dat destijds in het kader van de op 4 februari 2014 verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een proefboorlocatie in Wapse door Oranjewoud in mei 2013 een “Natuurtoets en Voortoets Natuurbeschermingswet 1998” (hierna: de Natuurtoets) is opgesteld. Hierbij zijn de mogelijke effecten op de beschermde diersoorten onderzocht en is geconcludeerd dat negatieve effecten van het oprichten van een proefboorlocatie voor de Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155 geoordeeld dat de Natuurtoets van Oranjewoud aan de besluitvorming ten grondslag kon worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat deze Natuurtoets ook ten grondslag is gelegd aan de eerder genoemde gefaseerde omgevingsvergunning voor de winningsfase. Hierover is in de uitspraak van 7 maart 2018 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2018:758) geoordeeld dat geen reden is om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De STAB heeft in het deskundigenbericht vermeld dat voor algemeen (wetenschappelijk) onderzoek een termijn van 5 tot 7 jaar geen afbreuk hoeft te doen aan de waarde of bruikbaarheid van dat onderzoek, tenzij er nieuw onderzoek beschikbaar is gekomen met gewijzigde inzichten of duidelijke aanwijzingen dat gegevens verouderd zijn. Volgens de STAB hebben in het gebied in kwestie niet of nauwelijks ontwikkelingen plaatsgevonden. De rechtbank volgt de STAB hierin. Daarbij neemt zij in aanmerking dat ten tijde van de daadwerkelijke oprichting (aanleg) van de mijnbouwlocatie sprake is geweest van de meest belastende milieueffecten op de omgeving en dat in die zin de effecten van het verhogen van de gasproductie per dag, hetgeen feitelijk inhoudt dat middels een choke of knijpstuk meer gas kan worden verwerkt, veel minder ingrijpend zijn. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de verhoging van de maximum dagproductie tot 1.500.000 Nm³ geen nieuw, dan wel aanvullend veldonderzoek behoefde plaats te vinden naar aanwezige beschermde natuurwaarden.


Directe gevolgen voor de natuur

11. Ten aanzien van de directe gevolgen van de verhoging van de maximale gasproductie per dag voor de natuur en ecologie overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat een verhoging van de gasproductie niet leidt tot een fysieke ingreep (verbouwing) ten aanzien van de mijnbouwinrichting. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van directe gevolgen als ruimtebeslag of andere directe effecten.
Het optreden van mogelijke indirecte effecten voor de natuur met betrekking tot geluid, stikstofdepositie en hydrologie zal hiernavolgend worden beoordeeld.


Indirect milieueffect: geluid



12.1.
Eiseres 2 heeft aangevoerd dat in het MER in verband met de beoordeling van de mogelijke verstoring van vogels in het Natura 2000-gebied door het geluid van gaswinning naar een verouderd rapport is verwezen, te weten Reijnen & Foppen uit 1991. Ook is volgens haar ten onrechte geen onderzoek gedaan naar mogelijke effecten van geluid voor andere vogels dan voor die vogels die zijn aangewezen voor het Natura 2000-gebied. Naast negatieve effecten voor vogelsoorten vreest eiseres tevens voor verstoring van andere diersoorten door de geluidsemissie van de winning. Zij betoogt dat niet is onderbouwd dat geen (geluids)effecten zullen optreden voor dieren als dassen en vleermuizen. Eiseres benoemt hierbij tevens het verstorende effect van aan-en-af-rijdend zwaar verkeer (bovenop zwaar landbouwverkeer) in een open landschap. Volgens eiseres is namelijk sprake van een toename van het aantal transportbewegingen per week voor de afvoer van productiewater.



12.2.
Verweerder stelt zich -kort weergegeven- op het standpunt dat negatieve effecten op het Natura 2000-gebied op voorhand zijn uit te sluiten, omdat de geluidsniveaus op die afstand met zekerheid niet hoger liggen dan 40 dB(A). Verweerder wijst hierbij op paragraaf 5.13.2 van het MER met bijbehorende notitie van 18 mei 2016 van Royal Haskoning DHV “Ecologische effectbeoordeling ten aanzien van geluid ten behoeve van de Natuurbeschermingswet”. Evenmin zal verstoring van de das, vleermuissoorten, de hazelworm en in de nabijheid broedende vogels optreden. Verweerder stelt dat geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (voorheen: Flora- en faunawet) worden overtreden, zodat geen ontheffing benodigd is.



12.3.
De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat de gaswinning in Wapse zorgt voor een constante geluidproductie rondom de mijnbouwlocatie. Wat betreft de normstelling voor het geluid heeft verweerder in het bestreden besluit verwezen naar de voorschriften behorend bij de op 15 juni 2015 verleende omgevingsvergunning voor de mijnbouwinrichting Wapse. Het Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 550 meter afstand van de mijnbouwlocatie. Uit de geluidsberekeningen verricht voor deze vergunning volgt dat de 40 dB(A) geluidscontour tot op 300 meter van de mijnbouwlocatie ligt. Royal Haskoning DHV heeft naar aanleiding van de ingediende zienswijzen op 26 april 2017 een notitie opgesteld: “Onderbouwing effecten (broed)vogels ten behoeve van zienswijze MER locatie Wapse”. Hierin staat onder meer vermeld dat als gevolg van de beoogde uitbreiding van de gaswinning sprake zal zijn van een hogere doorvoer van het aardgas door de aanwezige leidingen en dientengevolge van een verhoging van de geluidsproductie (van de leidingen) met 3 dB(A). Het vorenstaande is tussen partijen niet in geschil.



12.4.
De rechtbank overweegt dat de verhoging van de geluidsproductie (van de leidingen) van invloed kan zijn op de aanwezige -beschermde- natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming. In de eerdergenoemde notitie van 18 mei 2016 van Royal Haskoning DHV zijn de gevolgen van geluid voor vogels beoordeeld aan de hand van een publicatie van Reijnen en Foppen uit 1991. Uit dit onderzoek naar de afname van de dichtheid van broedvogels en niet-broedvogels volgt dat sprake kan zijn van een afname van de dichtheid bij een geluidproductie van boven de 42 dB(A). Gelet op het feit dat dat de 40 dB(A) geluidscontour op 300 meter van de mijnbouwlocatie ligt, bedraagt de geluidproductie ter hoogte van het op ongeveer 550 meter gelegen Natura 2000-gebied (veel) minder dan 40 dB(A) en ligt de geluidsproductie onder de genoemde ondergrens voor verstoring van broedvogels. Het optreden van negatieve effecten voor broedvogels en niet-broedvogels in het Natura 2000-gebied is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Ten aanzien van de stelling van eiseres 2 dat het onderzoek van Reijnen en Foppen een verouderd onderzoek betreft, sluit de rechtbank zich aan bij het deskundigenbericht. Hierin staat vermeld dat hoewel het onderzoek uit 1991 als oud is aan te merken, nadien geen nieuw onderzoek beschikbaar is gekomen met gewijzigde inzichten of duidelijke aanwijzingen dat de gegevens uit dat onderzoek verouderd zijn. Eiseres 2 heeft een dergelijk onderzoek ook niet aangedragen. Voorts heeft verweerder terecht gewezen op jurisprudentie van de Afdeling, te weten de uitspraken van 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:B47002 en 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3863, waarin de Afdeling op basis van een advies van de STAB heeft geoordeeld dat de methode van Reijnen en Foppen een algemeen geaccepteerde methode is om effecten van geluid op broedvogels te beoordelen en dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze methode niet kan worden toegepast.



12.5.
Naast de gevolgen van geluid voor broedvogels en niet-broedvogels, heeft eiseres 2 gewezen op het negatieve effect van geluid op andere relevante soorten zoals vleermuizen en dassen. In de genoemde notitie van 26 april 2017 (rechtsoverweging 12.3) is ook voor vleermuizen, reeën, de das en hazelworm een ecologische effectbeoordeling uitgewerkt. In het deskundigenbericht onderschrijft de STAB de juistheid van de conclusies van deze notitie, te weten dat de verhoging van de gasproductie niet zal leiden tot negatieve effecten op de (beschermde) soorten in het nabijgelegen gebied. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres 2 aanvoert geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van de STAB te twijfelen.



12.6.
De rechtbank overweegt voorts dat eiseres specifiek heeft gewezen op de negatieve effecten -met name voor vleermuizen- van het hoog frequente geluid dat met gaswinning gepaard gaat. Volgens eiseres 2 is op dit punt in het deskundigenbericht ten onrechte geconcludeerd dat negatieve effecten op het Natura 2000-gebied op voorhand zijn uit te sluiten, omdat de geluidsniveaus niet hoger liggen dan 40dB(A). Zij voert daartoe aan dat sinds de productie-uitbreiding het geluid van de locatie sterk is toegenomen en dat Vermilion in april 2018 (tijdelijk) zeecontainers heeft geplaatst om het geluid te beperken, en dit verband ook een nader onderzoek heeft laten uitvoeren door LPB Sight. Ter zitting is door Vermilion toegelicht dat naar aanleiding van klachten inderdaad onderzoek is gedaan en dat vervolgens (permanente) maatregelen zijn getroffen. LPB Sight heeft op 22 juli 2018 een rapport uitgebracht. Daarin wordt geconcludeerd dat -gedurende de representatieve bedrijfssituatie van 12 tot en met 22 juli 2018- de geluidsemissie van de installatie op locatie Wapse voldeed aan de in de milieuvergunning gestelde grenswaarden. LPB Sight heeft op de vaste referentie afstand van 300 meter, waar het maximaal toelaatbaar geluidsniveau van <39dB(A) geldt, circa 32-33dB(A) gemeten. Eiseres 2 heeft de bevindingen uit voornoemd rapport niet betwist. Ook dit rapport geeft de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat de verhoging van de gasproductie zal leiden tot negatieve effecten op de (beschermde) soorten in het nabijgelegen gebied. Voor zover desondanks sprake is van een overschrijding van de grenswaarde, kunnen eisers verweerder verzoeken over te gaan tot handhaving. Wat betreft de vleermuizen neemt de rechtbank nog in aanmerking dat in de notitie van 26 april 2017 is beschreven dat voor vleermuizen het geluidsniveau in dB(A) niet direct relevant is, maar dat veeleer van belang is te weten in welke bandbreedte van Hertz de geluidsproductie is gelegen. Voor het geluid van gaswinning (industriegeluid) is dit gelegen in het frequentiegebied van 16 tot 8.000 Hertz (Hz), terwijl de bandbreedte waarin vleermuizen (die gebruik maken van echo locatie) hun prooi waarnemen is gelegen van 25.000 tot 120.000 Hz. Negatieve effecten voor vleermuizen vanwege het geluid van de mijnbouwlocatie worden dan ook niet aannemelijk geacht. Deze conclusie wordt door de STAB in het deskundigenbericht onderschreven. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres aanvoert ook hier geen reden om aan de juistheid van voormelde bevindingen te twijfelen.



12.7.
Ten aanzien van de gestelde geluidshinder ten gevolge van een toename van het aantal transportbewegingen, overweegt de rechtbank dat -voor zover er kwantitatief al sprake zou zijn van een toename (zie hiervoor ook rechtsoverwegingen 13.1 e.v.)- niet aannemelijk is gemaakt dat dit zal resulteren in een toename van de geluidhinder vanwege de inrichting.


Indirect milieueffect: stikstofdepositie



13.1.
Eiseres 2 heeft aangevoerd dat de verhoging van de aardgaswinning per dag leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, die groter is dan door verweerder is berekend. Gesteld wordt dat het aantal transportbewegingen voor de afvoer van productiewater niet de berekende driemaal per week zal bedragen, maar minimaal vijftienmaal per week. Verder stelt eiseres 2 dat de stikstofdepositie veroorzaakt door de mobiele installatie voor de verwerking van het productiewater en/of het uitvoeren van zuurbehandelingen ten onrechte niet is berekend. Daarnaast is volgens eiseres 2 de stikstofemissie niet meegerekend van voertuigen die de installatie bezoeken voor het uitvoeren van onderhoud. Niet is verzekerd dat hiervoor in de stikstofbudgetten van de Programmatische Aanpak stikstof (hierna: PAS) voldoende ruimte zal zijn.



13.2.
De rechtbank overweegt dat tijdens reguliere gasproductie op de locatie geen emissie van stikstof plaats vindt. De enige stikstofemissies die optreden zijn uitlaatgassen van de voertuigen die worden ingezet voor bezoek aan de locatie door de operator (eenmaal per week), voor transport en verlading van het productiewater (tweemaal per week), alsmede levering van de mijnbouwhulpstoffen (tweemaal in de maand). Voornoemde transportbewegingen zijn als uitgangspunt genomen bij de berekening van de stikstofemissie en gelden volgens verweerder in een worst-case situatie. Gelet op de betwisting daarvan door eiseres 2 heeft de STAB dit nader beschouwd. In het deskundigenbericht is dienaangaande gemotiveerd uiteengezet dat het huidige aantal vrachtwagentransporten voor de afvoer van productiewater van eenmaal per twee weken kan oplopen tot twee per week in de eindfase van de winning (worst-case situatie). De rechtbank ziet geen reden om de STAB niet te volgen in de conclusie dat niet te verwachten valt dat deze afvoerfrequentie ontoereikend is. Overigens ondersteunen de -nota bene door eiseres 2 zelf verstrekte- productiecijfers van de Diever-02 gasput de voornoemde afvoerfrequentie. Uit de cijfers valt af te leiden dat in 2018 het mee geproduceerde (formatie)water op zijn hoogst 102 m³ per maand is geweest. Dit betekent omgerekend dat er maximaal vier transporten per maand hebben plaatsgevonden (rekening houdend met een afvoer van 30 m³ water per vrachtwagen). Over de inzet van een mobiele installatie voor de verwerking van het productiewater is door verweerder toegelicht dat die op locatie Wapse niet wordt ingezet en dat hier in de voorliggende vergunningen ook niet in is voorzien. De rechtbank ziet geen reden om dit voor onjuist te houden. Voor zover eiseres betoogt dat zuurbehandelingen ten onrechte niet zijn betrokken bij de beoordeling van de stikstofemissie, overweegt de rechtbank dat blijkens de stukken verhoging van de productie niet toeziet op de zuurbehandeling. Deze grond slaagt dus niet.


Indirect milieueffect: hydrologie



14.1
Eiseres 2 heeft voorts aangevoerd dat in het MER onvoldoende aandacht is besteed aan mogelijk verlies van biodiversiteit, afname van waterbergend vermogen en het voorkomen van bodemverontreiniging. Dit punt is volgens haar evenmin in de Nota beantwoording zienswijzen besproken. Eiseres 2 wijst in dit verband nog op het advies van het waterschap. Ook een geringe bodemdaling kan volgens het waterschap effecten hebben in de vorm van waterbergingsverlies en gevolgen voor de landbouw.



14.2.
Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de effecten van eventuele bodemdaling op de waterhuishouding vooral spelen in het kader van het instemmingsbesluit (afname van waterbergend vermogen en het voorkomen van bodemverontreiniging). Voor zover het de omgevingsvergunning betreft heeft verweerder onder verwijzing naar het MER (paragraaf 5.4 en 5.7) gemotiveerd uiteengezet dat geen grote effecten op de hydrologie zijn te verwachten. Hij wijst hierbij onder meer op bijlage 8 bij het MER (memo van 26 mei 2016 “Ecologische beoordeling bodemdaling Wapse ten aanzien van aangewezen habitattypen Natura 2000-gebied”), waarin de effecten van de bodemdaling op de waterhuishouding en ecologie in beeld zijn gebracht. De conclusie luidt dat geen negatieve effecten zullen optreden op de betrokken habitattypen.



14.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat gaswinning kan leiden tot (geringe) bodemdaling, hetgeen gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Veranderingen in de waterhuishouding kunnen vervolgens van invloed zijn op het ecologisch systeem. Voor zover eiseres 2 betoogt dat onvoldoende aandacht is besteed aan de effecten op het ecologisch systeem, volgt de rechtbank dit niet. De effecten van de winning op de bodemdaling en daarmee op de waterhuishouding en ecologie zijn beschreven in paragraaf 5.4 en bijlage 8 van het MER. In het deskundigenbericht onderschrijft de STAB de juistheid van de conclusie dat geen effecten op het aspect waterhuishouding en natuur te verwachten zijn. De rechtbank is van oordeel dat in het MER voldoende aandacht is besteed aan de ecologische effectbeoordeling ten aanzien van de waterhuishouding.


Cumulatie met winningen in de omgeving



15.1.
Eiseres 2 stelt dat cumulatieve beoordeling van de effecten zijn van winning van delfstoffen in de omgeving van het voorkomen Diever ten onrechte ontbreekt.



15.2.
Verweerder heeft aangevoerd dat ten tijde van opstellen van het MER, alsmede ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, er geen plannen of ontwikkelingen bekend waren in de omgeving van de mijnbouwlocatie Wapse die van invloed zouden kunnen zijn op de beoordeelde effecten.



15.3.
De rechtbank stelt vast dat ten westen van het Diever aardgasveld diverse andere in productie zijnde aardgasvelden liggen, te weten Eesveen, Vinkega/De Hoeve en Noordwolde. In Nijensleek en Weststellingwerf bevinden zich thans uitgeproduceerde velden. Door eiseres 2 is niet onderbouwd dat sprake is van overlap van de bij deze velden behorende invloedsgebieden (of ook bodemdalingscontour) met het invloedsgebied van het Diever aardgasveld. In het deskundigenbericht is hierover nog opgemerkt dat in de analyse bodemdaling meetplan Diever van 23 februari 2017 (het meetplan) de invloed van de bodemdaling van de voornoemde nabijgelegen velden in meer detail, te weten als contour van 1 mm-daling in kaart is gebracht. De conclusie luidt dat de 1 mm-dalingscontouren van het Diever gasveld en de overige velden elkaar niet overlappen. In het meetplan staat vermeld dat de cumulatie van de bodemdaling een fractie van millimeters bedraagt. De STAB sluit zich hierbij aan en concludeert dat de extra bodemdaling van het voorkomen Diever als gevolg van cumulatie te verwaarlozen is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet hierop, dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen cumulatieve effecten met gaswinning uit andere velden zijn te verwachten. De grond slaagt niet.


Wet Bevordering integriteitsbeoordeling door bestuursorganen (hierna: Wet bibob)



16.1.
Eiser 1 heeft aangevoerd dat Vermilion in het verleden bij herhaling méér gas heeft gewonnen dan haar op basis van het (voorheen) geldende winningsplan en de (voorheen) geldende omgevingsvergunning was toegestaan. Daarnaast is Vermilion een last onder dwangsom opgelegd door de Inspecteur-Generaal der Mijnen in verband met illegale gaswinning in Heerenveen. Volgens eiseres 2 blijkt uit deze omstandigheden dat er ernstig gevaar bestond dat Vermilion de vergunning zou gebruiken om strafbare feiten te plegen. Gelet op deze gedragingen had verweerder op grond van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 3 van de Wet Bibob de thans voorliggende omgevingsvergunning moeten weigeren, dan wel nader onderzoek moeten verrichten.



16.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat ernstig gevaar bestaat dat Vermilion, als houdster van de vergunningen deze mede zal gebruiken om strafbare feiten te plegen.



16.3.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Wet bibob (Kamerstukken II 1999/2000, 26 883, nr. 3, blz. 2) blijkt dat met dit artikel is beoogd te voorkomen dat de overheid door middel van bestuurlijke besluitvorming, zoals vergunningverlening, ongewild criminele activiteiten faciliteert. Criminele organisaties zijn in bepaalde gevallen afhankelijk van bestuurlijke besluitvorming voor de continuering en afscherming van criminele activiteiten. Zo kunnen met behulp van vergunningen dekmantelbedrijven worden opgezet en illegale transporten worden uitgevoerd. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie, het opbouwen van machtsposities met witgewassen geld en verwevenheid van de onder- en bovenwereld. Tevens komen openbare belangen zoals dat van het milieu, de verkeersveiligheid en de volksgezondheid in het geding.



16.4.
Uit het voorgaande volgt dat artikel 3 van de Wet bibob strekt tot bescherming van het algemene belang bij het voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. De rechtbank overweegt dat hetgeen eisers 1 en 2 hebben aangevoerd geen aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat er criminele activiteiten plaatsvinden, dan wel zullen vinden bij de exploitatie van de mijnbouwinrichting Wapse. Van “ernstig gevaar” in de zin van de Wet bibob dat de omgevingsvergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake, zodat verweerder hierin geen reden heeft hoeven zien om de vergunning te weigeren.


Voorschrift evaluatie en monitoring



17.1.
Eiser 1 heeft tot slot nog aangevoerd dat in de omgevingsvergunning ten onrechte een voorschrift ontbreekt over een evaluatie- en monitoringsprogramma. In het MER wordt immers in de samenvatting vermeld dat een concrete evaluatie en monitoringsprogramma van (mogelijke) effecten onderdeel zal uitmaken van de vergunningverlening.



17.2
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het evaluatie- en monitoringsprogramma, waar eiseres aan refereert, ziet op de monitoring van de bodemdaling en dat het niet noodzakelijk is hiertoe in de omgevingsvergunning een voorschrift op te nemen. Daarbij is het volgens verweerder onjuist dat in de omgevingsvergunning geen enkel voorschrift over monitoring is opgenomen. Immers op grond van voorschrift A.1 (bijlage 1) bij het bestreden besluit zijn de voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning van 15 juni 2015 onverminderd van kracht en gelden deze, voor zover van belang, ook voor de productieverhoging. Onder andere monitoring van grondwater, oppervlaktewater en de waterbodem is in deze voorschriften opgenomen.



17.3.
De rechtbank stelt vast dat de volledige passage waarnaar eiseres heeft verwezen als volgt luidt: “Uit de toetsing van de milieueffecten (…). Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen aanvullende mitigerende maatregelen aan de orde zijn die eventueel in de vergunningverlening zouden moeten worden meegenomen. (…) De beperkte onzekerheid in de voorspelling van de verwachte effecten of de leemten in kennis ten aanzien van de modellering van de ondergrond staan deze conclusie niet in de weg. Een concrete evaluatie en monitoring programma van (mogelijke) effecten zal onderdeel uitmaken van de vergunningverlening”. De rechtbank overweegt dat deze passage in samenhang dient te worden bezien met hoofdstuk 5 (paragraaf 5.3) van het MER, waarin de milieueffecten uitgebreider staan beschreven, en hoofdstuk 8 (paragraaf 8.1). Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat met een evaluatie- en monitoringsprogramma niet is gedoeld op alle beschreven milieueffecten, maar dat dit zich specifiek richt op het aspect van de bodemdaling. Gelet hierop is een voorschrift betreffende een evaluatie- en monitoringsprogramma dan ook terecht niet opgenomen bij de omgevingsvergunning.


Productieperiode



18.1.
Eiseres 2 ziet een discrepantie tussen de in het winningsplan genoemde verwachte productieperiode, te weten tot het jaar 2025, en de genoemde productieperiode zoals die is benoemd in het kader van de omgevingsvergunning. Zij wijst er in dit verband op dat in bijlage I behorende bij de aanvraag van de omgevingsvergunning staat vermeld dat de verwachting is dat gedurende dertig jaar aardgas wordt geproduceerd.



18.2.
De rechtbank overweegt dat het Vermilion op grond van artikel 34, derde lid, van de Mbw is toegestaan gas te winnen overeenkomstig het winningsplan. De duur van de winning wordt aldus bepaald in het winningsplan. Nu in het winningsplan het jaar 2025 als verwachte productie periode staat vermeld, betekent dit dat Vermilion na 2025 op basis van het winningsplan geen toestemming meer heeft om gas te winnen op mijnbouwlocatie Wapse. Dat in de omgevingsvergunning een andere periode wordt genoemd, maakt dit niet anders.

19. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kon worden verleend. In wat overigens nog door eisers 1 en 2 is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

20. De beroepen van respectievelijk eiser 1 en eiseres 2 gericht tegen het bestreden besluit zijn ongegrond.






Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep van eiser 1 en dat van eiseres 2 tegen het bestreden besluit ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzitter, en mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in aanwezigheid van mr. N. Breda en mr. A. Pol, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2019.




griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.



Bijlage wettelijk kader

1. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo luidt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een mijnbouwwerk.

2. Artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet. Ingevolge het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Dit betekent dat verweerder een zekere beoordelingsruimte heeft of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, moet worden geweigerd.


Milieueffectrapportage (m.e.r.) en Milieueffectrapport (MER)

3. In een milieueffectrapportage (afkorting m.e.r.) worden de milieugevolgen van een besluit in kaart gebracht voordat het besluit wordt genomen. De onderzoeksresultaten worden gepubliceerd in het milieueffectrapport (MER). Doel van een m.e.r. is het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten die (uiteindelijk) kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De Europese Unie (EU) heeft in de richtlijn 2011/92/EU (hierna: mer-richtlijn) reeds aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. De richtlijn heeft onder meer betrekking op projecten bestaande uit ingrepen voor de ontginning van bodemschatten. Gaswinning is een dergelijke ingreep.

4. In artikel 4, eerste lid, mer-richtlijn, samen met bijlage I, categorie 14, is commerciële winning van aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500.000 m³ aardgas per dag bedraagt, aangewezen als een project waarvoor een MER moet worden opgesteld (hierna: mer-plicht).

5. Ter implementatie van deze verplichting is in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), onderdeel C, categorie 17.2, vastgelegd dat een mer-plicht geldt voor het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet (Mbw) dan wel andere besluiten waarop afdeling 3.4 van de Awb en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn ter zake van de winning van aardgas, of de wijziging of uitbreiding ervan, met een hoeveelheid van meer dan 500.000 m³ per dag (de drempelwaarde).

6. De Wet milieubeheer kent zowel een uitgebreide als een beperkte m.e.r.-procedure voor besluiten. De beperkte procedure wordt geregeld in paragraaf 7.8 van voornoemde wet (artikel 7.24 e.v.) en geldt in het geval op een besluit afdeling 3.4 van de Awb en één of meer artikelen van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn. In paragraaf 7.9 van de wet (artikel 7.29 e.v.) wordt de uitgebreide procedure geregeld.


Wet Bibob

7. In artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob is bepaald dat voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, zij kunnen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.

In het tweede lid is bepaald dat, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

In het derde lid is bepaald dat, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

In het vijfde lid is bepaald dat de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
Link naar deze uitspraak