Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBGEL:2017:4700 
 
Datum uitspraak:06-09-2017
Datum gepubliceerd:20-05-2020
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:C/05/304655 / HZ ZA 16-27 C/05/304655 / HZ ZA 16-27
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Algemene volmacht. Onverschuldigde betaling. Rechtsverwerking. Verjaring.
Trefwoorden:aow
box 3
burgerlijk wetboek
paarden
schenkbelasting
schenking
wettelijke rente
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/304655 / HZ ZA 16-273


Vonnis van 6 september 2017


in de zaak van



[bewindvoerder] ,

verbonden aan Rappórt Doetinchem e.o.,
gevestigd te Wehl,
handelend in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van


[eiseres]
,
eiser,
advocaat mr. N.P.H. Borm te Deventer,

tegen




1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [gedaagde sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. P.S. Jonkers te Amsterdam.

Eiser en gedaagde sub 1 zullen hierna respectievelijk de bewindvoerder en [gedaagde sub 1] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk als [gedaagden] worden aangeduid en gedaagden sub 2 en 3 afzonderlijk mede als de ouders.




1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 7 september 2016;


het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2016;


de akte overlegging producties van de bewindvoerder van 28 december 2016;


de antwoordakte uitlating producties van [gedaagden] van 25 januari 2017.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten

2.1.
Mevrouw [eiseres] (hierna: [eiseres] ) heeft op 25 mei 2010 een herseninfarct gehad ten gevolge waarvan zij halfzijdig verlamd is geraakt. Na verblijf in het ziekenhuis is zij opgenomen in een verpleegtehuis in [woonplaats] , waar zij nu nog steeds woont. Zij is beperkt in haar mobiliteit en aan een rolstoel gebonden.



2.2.
Bij notariële akte van 1 juli 2010 (productie 2 bij dagvaarding) heeft [eiseres] aan [gedaagde sub 1] een algemene volmacht verleend. In de akte is - voor zover van belang - bepaald:“OMVANG VOLMACHTDeze volmacht is een algemene volmacht in de zin van artikel 3:62 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en strekt zich uit tot alle handelingen op ieder rechtsgebied, waaronder uitdrukkelijk begrepen daden van beschikking.

RECHTSHANDELINGEN MET GEVOLMACHTIGDE

De gevolmachtigde is bevoegd als wederpartij van de volmachtgever op te treden.”




2.3.
Het saldo op de rekeningen van [eiseres] bedroeg per 1 januari 2010 € 491.363,22 (productie 3 bij dagvaarding).



2.4.
Bij aan [eiseres] en [gedaagde sub 1] gerichte brief van 24 maart 2011 (productie 5 bij dagvaarding), verzonden naar het adres van [gedaagde sub 1] , heeft [naam accountantskantoor]
- voor zover hier van belang - het volgende geschreven:

“(…) In aanmerking nemende dat wij hebben begrepen:


-dat mevrouw [eiseres] in 2010 is opgenomen in verpleeghuis [naam verpleeghuis] te [woonplaats] ;


-dat mevrouw [gedaagden] (…) een volmacht heeft gekregen om de zaken van mevrouw [eiseres] af te handelen;


(…)


Naar aanleiding van het samenstellen van die aangifte [inkomstenbelasting 2010, toevoeging rb] hebben wij de volgende opmerkingen. Uit de aangeleverde gegevens blijkt ons dat het fiscaal vermogen in box 3 van mevr. [eiseres] per 31 december 2010 ten opzichte van 1 januari 2010 is gedaald met € 279.000.


Uit de aangeleverde gegevens blijkt dat mevr. [eiseres] op 17 november 2010 € 120.000 heeft geschonken aan mevrouw [gedaagden] . Wij hebben mevrouw [gedaagden] geadviseerd zo spoedig mogelijk contact op te nemen met het notariskantoor Tap Tromp van Hoff dan wel met de belastingdienst en van deze schenking aangifte te doen. De aangifte had nl. al bij de belastingdienst op 1 maart jl. binnen moeten zijn. Volgens mondelinge toelichting van mevrouw [gedaagden] zou dit een “morele” schenking betreffen. Ook van een schenking vanwege morele verplichting moet echter aangifte worden gedaan.


De daling van het box 3 vermogen is dan voor wat betreft die € 120.000 “verklaard”. Wij hebben mevrouw [gedaagden] gevraagd wat de reden kan zijn van het restant van de daling ad € 159.000.


Volgens mondelinge toelichting van mevrouw [gedaagden] heeft mevrouw [eiseres] dit geld in 2010 zelf in de privé sfeer opgemaakt aan o.a. uitgaven voor paard(en) en de daarvoor benodigde toebehoren. (…)”




2.5.
In of omstreeks september 2014 zijn door een verzorgende van het verpleeghuis voor en namens [eiseres] bij de Rabobank bankafschriften opgevraagd van de rekening van [eiseres] .



2.6.
Per 1 oktober 2014 heeft [eiseres] de algehele volmacht aan [gedaagde sub 1] via de notaris ingetrokken.



2.7.
Per 31 december 2014 bedroeg het saldo op de rekeningen van [eiseres] € 31.098,82 (productie 6 bij dagvaarding).



2.8.
Bij beschikking van 27 juli 2015 (productie 1 bij dagvaarding) heeft de kantonrechter te Zutphen de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiseres] onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand, met benoeming van de bewindvoerder als zodanig. Tevens is per gelijke datum een mentor aangesteld.



2.9.
Bij e-mailbericht van 1 december 2016 (productie 10 bij akte overlegging producties) heeft de notaris - voor zover van belang - het volgende aan de raadsman van de bewindvoerder geschreven:

“(…) Wel kan ik melden dat ten aanzien van het intrekken van de volmacht in 2014 de Rabobank zich op enig moment bij mij heeft gemeld en dat de betreffende medewerker mij verzocht heeft contact met mevrouw [eiseres] op te nemen. Dit is ook gebeurd, de notaris is naar haar toe geweest en heeft op verzoek van mevrouw [eiseres] duplicaten van de bankafschriften bij de bank opgevraagd. Na ontvangst van de duplicaten heeft hij opnieuw een gesprek met haar gehad. In dit gesprek heeft mevrouw [eiseres] aangegeven dat zij de volmacht voor mevrouw [gedaagden] per direct wilde intrekken. Van deze intrekking hebben wij melding gemaakt aan de betrokkenen.(…)”




2.10.

[gedaagde sub 1] woont samen met haar ouders in een vrijstaande woning die volledig eigendom is van de ouders.


2.11.
Uit kracht van een op 17 juni 2016 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank gegeven beschikking heeft de bewindvoerder op 20 juni 2016 conservatoir beslag op de aan de ouders in eigendom toebehorende woning, alsmede conservatoir derdenbeslag onder Rabobank ten laste van [gedaagde sub 1] en haar ouders doen leggen.




3De vordering

3.1.
De bewindvoerder vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. [gedaagde sub 1] zal veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag groot
€ 460.000,- dan wel € 435.000,- dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2014 dan wel vanaf datum dagvaarding;
II. subsidiair, voor zover [gedaagde sub 1] zich op het standpunt zou stellen dat zij krachtens de volmacht bevoegd zou zijn tot het doen van schenkingen aan zichzelf, de notariële volmacht en/of de schenkingsovereenkomst zal vernietigen;
III. de ouders zal veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag groot
€ 31.000,- dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
IV. subsidiair, voor zover de ouders zich op het standpunt zouden stellen dat er sprake zou zijn van een schenkingsovereenkomst tussen hen en [gedaagde sub 1] , deze schenkingsovereenkomst zal vernietigen.
V. [gedaagde sub 1] en haar ouders hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van het geding, inclusief beslagkosten en daarbij op voorhand het nasalaris begroot op een bedrag van
€ 131,- zonder betekening en € 205,- met betekening van dit vonnis, het totale bedrag aan proceskosten vermeerderd met de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dit vonnis indien en voor zover deze niet binnen deze termijn zijn voldaan.



3.2.
De bewindvoerder legt aan deze vorderingen in het licht van de vaststaande feiten het volgende ten grondslag.


Ten aanzien van [gedaagde sub 1]


Primair is [gedaagde sub 1] jegens [eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten in de uitvoering van de beheersovereenkomst ex artikel 7:141 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij heeft niet als een goed opdrachtnemer gehandeld door gelden aan het vermogen van [eiseres] te onttrekken ten behoeve van zichzelf en familieleden. Zij had [eiseres] op grond van artikel 7:418 BW dienen te informeren over deze betalingen, maar heeft dit nagelaten. De vermogensafname van circa € 460.000,- is het rechtstreekse gevolg van de onttrekkingen en de betalingen door [gedaagde sub 1] en daarmee het tekortschieten van [gedaagde sub 1] , nu [eiseres] door haar verblijf in het verpleegtehuis nauwelijks kosten heeft en geen uitgaven voor haarzelf heeft gedaan die haar maandelijkse inkomen overstegen.
Subsidiair geldt dat de betalingen die [gedaagde sub 1] in naam van [eiseres] aan zichzelf en/of ten behoeve van zichzelf heeft besteed zonder rechtsgrond en daarmee onverschuldigd zijn betaald. [eiseres] heeft de volmacht aan [gedaagde sub 1] verstrekt om namens haar en in haar belang rechtshandelingen te verrichten en haar vermogen te beheren. Zij heeft [gedaagde sub 1] hiermee geen toestemming gegeven om ten laste van haar vermogen aan zichzelf of ten behoeve van zichzelf betalingen te doen, zonder dat daar een prestatie tegenover stond. [gedaagde sub 1] heeft ten minste € 435.000,00 rechtstreeks en zonder rechtsgrond aan zichzelf betaald.Meer subsidiair, voor zover [gedaagde sub 1] zich op het standpunt stelt dat zij krachtens de volmacht bevoegd zou zijn tot het doen van de betalingen aan zichzelf, vernietigt de bewindvoerder de volmacht omdat deze door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Als gevolg van een hersenbloeding verkeerde [eiseres] in of omstreeks juni 2010 in een afhankelijke positie, waarvan [gedaagde sub 1] misbruik heeft gemaakt door [eiseres] te bewegen een algehele volmacht te verstrekken.
Meer subsidiair, voor zover [gedaagde sub 1] zich op het standpunt stelt dat zij krachtens de volmacht bevoegd zou zijn aan zichzelf te schenken, vernietigt de bewindvoerder de schenkingsovereenkomst(en) op grond van misbruik van omstandigheden in de zin van 7:184 BW dan wel artikel 3:44 BW. [eiseres] heeft vanuit een heftige emotionele, mentale en afhankelijke situatie een algehele volmacht verstrekt om haar bankzaken te regelen. [gedaagde sub 1] heeft misbruik gemaakt van de volmacht door gelden aan het vermogen van [eiseres] te onttrekken en zich deze bedragen toe te eigenen. [eiseres] heeft hiervoor geen toestemming gegeven. [gedaagde sub 1] heeft haar geen inzage in haar bankzaken gegeven. Op grond van artikel 7:176 BW dient [gedaagde sub 1] te bewijzen dat de schenkingen niet door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen.


Ten aanzien van de ouders


Primair geldt dat de ouders ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van [eiseres] . Een deel van het onttrokken vermogen is besteed aan de verfraaiing van de opstal van de ouders. Verder zijn aan hen schenkingen gedaan. De ouders zijn tot een bedrag van tenminste € 31.000,00 verrijkt ten koste van [eiseres] , die hierdoor is verarmd.
Subsidiair, voor zover de ouders zich op het standpunt stellen dat sprake is van een schenkingsovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en hen, wordt deze overeenkomst vernietigd met een beroep op de pauliana in de zin van artikel 3:45 BW, omdat [gedaagde sub 1] wist dat zij geen verhaal zou kunnen bieden voor de (onverplichte) betalingen als [eiseres] de onttrokken gelden zou terugvorderen.Voor zover sprake is van een schenkingsovereenkomst tussen [eiseres] en de ouders, dient deze overeenkomst te worden vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden. De betalingen die uit het vermogen van [eiseres] aan de ouders zijn verricht, zijn zonder rechtsgrond verricht en dienen als onverschuldigd terugbetaald te worden.




4Het verweer4.1. [gedaagden] concludeert dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de dagvaarding nietig wordt verklaard, althans de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten van beslaglegging.


4.2.

[gedaagden] voert ten verwere het navolgende aan.De dagvaarding is nietig omdat grote bedragen worden gevorderd die niet worden gedragen door de gestelde feiten. [gedaagden] wordt door dit gebrek in de dagvaarding onredelijk in haar belangen geschaad in de zin van artikel 122 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).Subsidiair geldt dat de vordering dient te worden afgewezen omdat sprake is van rechtsverwerking. Er is sprake van omstandigheden waardoor bij [gedaagden] het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat [eiseres] haar eventuele aanspraak niet meer geldend zal maken, althans waardoor de positie van [gedaagden] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard. Dit blijkt onder andere uit het tijdsverloop. De cadeaus, schenkingen en aanpassingen aan de paardenstalling en bestrating zijn in 2009 en 2010 verricht. [eiseres] is altijd op de hoogte geweest van haar financiële situatie en waaraan het geld is besteed. Zij heeft nimmer geprotesteerd.Meer subsidiair geldt dat de vorderingen zijn verjaard, omdat de dagvaarding is betekend op 28 juni 2016 en de gevorderde bedragen dateren van vóór 28 juni 2011. Voor zover de bedragen niet zijn gespecificeerd en enkel geschat dient de vordering in elk geval afgewezen In elk geval is sprake van rechtsverwerking, omdat [eiseres] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij haar eventuele aanspraak niet meer geldend zal maken, althans omdat de positie van [gedaagden] door het alsnog geldend maken van die aanspraak onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard. Dit blijkt onder meer uit het tijdsverloop.
De verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente wordt betwist, nu [gedaagden] rauwelijks is gedagvaard. Op deze grond wordt ook verweer gevoerd tegen de proceskostenveroordeling. Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

Betwist wordt dat sprake is van een beheersovereenkomst ex artikel 7:414 BW. Er was sprake van een volmacht. In haar taakvervulling als gevolmachtigde is [gedaagde sub 1] niet tekortgeschoten. De volmacht strekte zich ook uit tot daden van beschikking en [gedaagde sub 1] was ook bevoegd als wederpartij van [eiseres] op te treden. De overboekingen, kasopnames en pintransacties zijn in overleg en met instemming van [eiseres] verricht en waren voor [eiseres] controleerbaar. De vordering van € 460.000,00 is bovendien niet gespecificeerd. Het enkele feit dat het vermogen met dit bedrag is afgenomen, brengt met zich dat dit bedrag door [gedaagde sub 1] is onttrokken. Ook het bedrag van € 435.000,00 dat als onverschuldigd betaald wordt teruggevorderd, is niet nader gespecificeerd. Er is geen sprake van onverschuldigde betaling. Een deel van de betalingen betrof schenkingen aan [gedaagde sub 1] en familieleden. Daarnaast zijn aankopen gedaan ten behoeve van [eiseres] . De tankkosten, verzekeringspolis en reparatiekosten hadden betrekking op de auto van [eiseres] . De andere aankopen zijn eveneens met toestemming van [eiseres] verricht en bestonden onder andere uit cadeautjes voor verjaardagen en gelegenheden.Van misbruik van omstandigheden is evenmin sprake. Op het moment dat de volmacht is gegeven en de schenkingen zijn gedaan, verkeerde [eiseres] niet in een afhankelijke positie. De notaris heeft haar uitgelegd wat een volmacht inhoudt. [eiseres] was goed in staat haar wil te bepalen en haar standpunten kenbaar te maken. Het verlenen van de volmacht is op haar initiatief gebeurd.

Ten aanzien van de ouders


Het gevorderde bedrag is niet gespecificeerd. Er is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking, nu de aanpassingen aan de woning ten behoeve van [eiseres] waren en zij zelf heeft aangeboden de aanpassingen te financieren teneinde de woning met een rolstoel te kunnen betreden en bij de paarden te kunnen komen. Bovendien was de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking ten tijde van de dagvaarding van 28 juni 2016 verjaard, nu de aanpassing van de woning en de schenkingen in oktober 2010 plaatsvonden en [eiseres] hiervan op de hoogte was.De gevorderde vernietiging van de schenkingsovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en haar ouders moet worden afgewezen omdat van een dergelijke overeenkomst geen sprake is. Wel is sprake van een schenkingsovereenkomst tussen [eiseres] en de ouders.




5De beoordeling
nietigheid dagvaarding


5.1.
Het primaire beroep van [gedaagden] op nietigheid van de dagvaarding wordt verworpen. Anders dan [gedaagden] in dit verband aanvoert, zijn de feiten en omstandigheden waarop de vorderingen zien en de vorderingen zelf in de dagvaarding voldoende duidelijk omschreven. Er is derhalve voldaan aan de vereisten zoals omschreven in artikel 111 lid 2 sub d Rv.


Ten aanzien van [gedaagde sub 1]



tekortgeschoten in de uitvoering van de beheersovereenkomst




5.2.
De bewindvoerder heeft de vorderingen primair gebaseerd op de stelling dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de (tussen [gedaagde sub 1] en [eiseres] gesloten) beheersovereenkomst. Gelet op de verwijzing naar artikel 7:414 BW moet worden aangenomen dat hij hiermee doelt op de in dit artikel geregelde lastgeving. Volgens artikel 7:414 lid 1 BW is lastgeving een overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten. De lastgever is derhalve verplicht ten behoeve van de lastgever rechtshandelingen te verrichten. De bewindvoerder heeft onvoldoende onderbouwd dat hiervan in de relatie tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] sprake was. De door [eiseres] verstrekte algemene volmacht verschafte [gedaagde sub 1] niet meer dan een bevoegdheid voor rekening van [eiseres] rechtshandelingen aan te gaan. De vorderingen kunnen derhalve niet worden gebaseerd op (een tekortschieten in de nakoming van) een beheersovereenkomst/lastgeving.

onverschuldigde betaling




5.3.
De bewindvoerder heeft de vorderingen subsidiair gebaseerd op onverschuldigde betaling. Bij de beoordeling van deze grondslag gelden de volgende uitgangspunten.Uit de hoofdregel van artikel 150 Rv in verband met het bepaalde in artikel 6:203 lid 1 BW volgt dat op degene die een vordering uit onverschuldigde betaling tegen een ander instelt, de stelplicht en de bewijslast rust van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij die ander een goed heeft gegeven zonder dat daarvoor een rechtsgrond is.In het onderhavige geval is tevens van belang dat [eiseres] aan [gedaagde sub 1] een algemene volmacht heeft verstrekt op grond waarvan [gedaagde sub 1] bevoegd was in naam van [eiseres] rechtshandelingen, waaronder daden van beschikking, te verrichten. Een gevolmachtigde zal zich bij het gebruik van een volmacht moeten laten leiden door de belangen van de volmachtgever. Hij zal met zorgvuldigheid te werk moeten gaan en zal geen gebruik mogen maken van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid in strijd met de instructies van de volmachtgever. Wanneer iemand als gevolmachtigde in naam van een ander een rechtshandeling verricht zonder daartoe bevoegd te zijn, komt in het geheel geen rechtshandeling tot stand en raakt de (pseudo)volmachtgever niet gebonden op grond van artikel 3:66 lid 1 BW (behoudens in geval van schijn van volmachtverlening (artikel 3:61 lid 2 BW) of bekrachtiging (artikel 3:69 BW)).5.4. De bewindvoerder heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van onverschuldigde betaling gesteld dat [gedaagde sub 1] in de periode dat zij beschikte over de algemene volmacht in totaal ruim € 450.000,00 aan het door [eiseres] bij Rabobank aangehouden vermogen heeft onttrokken voor of ten behoeve van zichzelf, zonder dat daar een prestatie tegenover stond, en dat [eiseres] hiervoor geen toestemming heeft gegeven.Ter toelichting heeft hij bij dagvaarding bankafschriften overgelegd over de periode van 10 juli 2010 tot en met 31 december 2014 (productie 4). De transacties die daarbij volgens de bewindvoerder het meest in het oog springen, zijn de volgende:- op 2 juli 2010: overboeking van een bedrag van € 5.000,00 naar de rekening van [gedaagde sub 1] met de omschrijving: ‘ [gedaagde sub 1] zoals afgesproken’, - op 22 juli 2010, 4 augustus 2010 en 1 oktober 2010: kasopnames van € 17.500,00, € 17.500,00 en € 14.5000,00 met als omschrijving ‘Rabobank Bestelling Eurobiljetten’,


op 3 oktober 2010: overboeking van een bedrag van € 8.500,00 naar de rekening van [gedaagde sub 1] met als omschrijving: “aanpassing bestrating achterhuis in verband met rolstoel”,- op 8 oktober 2010: overboeking van een bedrag van € 8.500,00 naar de rekening van [gedaagde sub 1] met als omschrijving: ‘schuurman omheining’,


13 oktober 2010: overboeking van een bedrag van € 10.000,00 naar de rekening van [gedaagde sub 1] met als omschrijving ‘grondwerk’,


op 28 en 29 oktober 2010: acht maal een overboeking van telkens een bedrag van € 2.000,- naar rekeningen van [gedaagde sub 1] , de ouders en andere familieleden,- op 17 november 2010: overboeking van een bedrag van € 120.000,00 naar de rekening van [gedaagde sub 1] met als omschrijving ‘schenking mokeel’,- op 12 februari 2011: drie maal een overboeking van een bedrag van € 2.000,00 naar de rekening van [gedaagde sub 1] , de rekening van haar moeder en de rekening van haar vader, - op 16 juli 2012: overboeking van een bedrag van € 2.000,- naar de rekening van [gedaagde sub 1] met als omschrijving: ‘schenking voor de goede zorgen’.De bewindvoerder heeft bij dagvaarding verder - onder verwijzing naar de overgelegde bankafschriften - gesteld dat [gedaagde sub 1] doorlopend van de bankrekening van [eiseres] gebruik heeft gemaakt voor de betaling van allerhande zaken zoals tanken, verzekeringspolis auto, reparatiekosten Opel Omega, de aanschaf van een quad, de aanschaf van miniwerktuigen en aankopen bij Welkoop, de Tuinwereld en Obelink. Bij akte overlegging producties van 28 december 2016 is door de bewindvoerder een nadere toelichting gegeven op de transacties waarop zijn vordering betrekking heeft. Hij heeft een overzicht van transacties in het geding gebracht (productie 14 bij akte overlegging producties 28 december 2016) waarvoor [eiseres] volgens hem geen toestemming heeft gegeven en waarvan hij betwist dat deze in het belang van [eiseres] zijn verricht. Het overzicht telt 20 pagina’s en betreft ruim duizend transacties in de periode 10 juli 2010 tot en met 9 september 2014. Daaronder bevinden zich de hiervoor genoemde transacties die volgens de bewindvoerder het meest in het oog springen (met uitzondering van de overboeking van 4 juli 2010), maar onder meer ook 39 geldopnames met behulp van de pinpas van telkens € 1.250,00 en geldopnames van bedragen van € 100,00 tot € 750,00. Daarnaast gaat het om transacties voor onder meer boodschappen, benzine, kleding en sieraden. Het totaalbedrag is door de bewindvoerder becijferd op een bedrag van € 403.339,05. 5.5. De bewindvoerder heeft ter toelichting verder het volgende aangevoerd. De bankzaken voor [eiseres] werden door [gedaagde sub 1] geregeld, zodat alle rekeningen en financiële stukken rechtstreeks naar het adres van [gedaagde sub 1] werden gestuurd. Hierdoor zijn haar bankzaken vanaf het moment dat [eiseres] de volmacht aan [gedaagde sub 1] heeft verstrekt aan haar waarneming onttrokken geweest. Omdat [eiseres] zelf niet meer beschikte over een pinpas, was zij voor haar financiën volledig afhankelijk van [gedaagde sub 1] . Zij ontving van [gedaagde sub 1] ‘zakgeld’ voor de kleine uitgaven, aldus de bewindvoerder. [eiseres] leefde zuinig en door haar verblijf in het verpleegtehuis maakte zij nauwelijks kosten, waardoor zij genoeg had aan haar pensioen en AOW. Met uitzondering van de aankoop van een veulen heeft [eiseres] volgens de bewindvoerder geen toestemming aan [gedaagde sub 1] gegeven tot het doen van uitgaven, laat staan voor de forse schenkingen aan [gedaagde sub 1] zelf en haar familieleden. De betalingen die [gedaagde sub 1] in naam van [eiseres] aan zichzelf en/of ten behoeve van zichzelf heeft besteed, zijn zonder rechtsgrond verricht. Ondanks herhaaldelijk verzoek heeft [gedaagde sub 1] geen inzicht willen verstrekken in haar bankafschriften. Pas nadat [eiseres] in of omstreeks september 2014 afschriften van de bankafschriften heeft ontvangen, heeft zij volgens de bewindvoerder geconstateerd dat [gedaagde sub 1] grote sommen geld aan haar vermogen had onttrokken. Kort daarna heeft [eiseres] de volmacht ingetrokken.


De bewindvoerder heeft - onder overlegging van een e-mailbericht van de bank van 6 december 2016 (productie 8 bij akte overlegging producties) - er nog op gewezen dat van de in het oog springende betalingen bij de bank alleen een boekingsstuk voorhanden was voor een van de kasopnames van € 17.500,00, dat dit boekingsstuk is ondertekend door [gedaagde sub 1] en dat het er volgens de bank voor gehouden moet worden dat [gedaagde sub 1] de andere betalingen middels internetbankieren heeft verricht. Hij heeft verder - onder overlegging van facturen van de notaris van [eiseres] (productie 11 bij akte overlegging producties) - opgemerkt dat de notaris niet heeft gefactureerd voor werkzaamheden in verband met het opmaken van een notariële schenkingsakte.



5.6.

[gedaagde sub 1] heeft niet gemotiveerd weersproken dat de transacties die in het overzicht van de bewindvoerder zijn vermeld, inderdaad hebben plaatsgevonden, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Uitgangspunt dient te zijn dat deze transacties zijn uitgevoerd door [gedaagde sub 1] , nu [gedaagde sub 1] niet gemotiveerd heeft betwist dat de volledige bankzaken van [eiseres] sinds het verlenen van de volmacht door haar werden verzorgd. Zij was degene die over een pinpas beschikte en betalingen uitvoerde met internetbankieren. Rekeningen ten behoeve van [eiseres] werden volgens [gedaagde sub 1] rechtstreeks naar haar gestuurd ter betaling.



5.7.

[gedaagde sub 1] heeft bij antwoordakte uitlating producties (bijlage 1) op de door de bewindvoerder overgelegde lijst van transacties met gebruik van letters (A tot en met G, L, M, O, P, V, X en Z) aangegeven ten behoeve waarvan de betreffende transacties volgens haar zijn verricht. Zij heeft met de letter ‘A’ aangetekend welke betalingen voor [eiseres] zijn gedaan voor kleding, toiletspullen, schoenen en haarverfspullen. Optelling van de met ‘A’ aangeduide betalingen leidt evenwel tot een zodanig hoog bedrag, dat dit niet kan passen bij het bestedingspatroon van [eiseres] . [eiseres] heeft immers gesteld - en dit is onbetwist gebleven - dat zij een zuinig leven leidt en vanwege haar verblijf in het verpleegtehuis weinig kosten had. Optelling van de met ‘A’ aanmerkte transacties in de periode van 10 juli 2010 tot en met 31 december 2010 resulteert bijvoorbeeld in een totaalbedrag van omstreeks € 5.000,00, derhalve een bedrag van bijna € 850,00 per maand. Wat opvalt is bovendien dat enkele bestedingen die volgens [gedaagde sub 1] ten behoeve van [eiseres] voor kleding en dergelijke zijn gedaan meer dan € 1.000,00 bedragen. Het had, gelet op de zuinige levensstijl van [eiseres] , op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen haar standpunt nader toe te lichten, maar dit heeft zij niet gedaan. Dat de door haar met ‘A’ aangeduide bedragen zonder rechtsgrond zijn betaald, heeft zij dus onvoldoende gemotiveerd betwist.



5.8.

[gedaagde sub 1] heeft in de door de bewindvoerder overgelegde lijst een ‘B’ geplaatst bij transacties die volgens haar zien op kosten van het veulen dat [eiseres] voor haar had gekocht. Haar stelling bij antwoordakte uitlating producties dat [eiseres] heeft aangegeven dat deze kosten voor rekening van [eiseres] zouden komen, is een nieuwe stelling. Het had op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen deze nieuwe stelling nader te onderbouwen, temeer nu de kosten waar het om gaat reeds bleken uit de bij dagvaarding overgelegde bankafschriften. Nu dit niet is gebeurd, wordt voorbijgegaan aan de stelling van [gedaagde sub 1] dat de betreffende kosten voor rekening van [eiseres] komen. Met deze stelling is onvoldoende weersproken dat de met een ‘B’ aangeduide transacties zonder rechtsgrond zijn betaald.



5.9.

[gedaagde sub 1] heeft in het overzicht van de bewindvoerder met de letter ‘C’ aangemerkt welke transacties volgens haar ‘in opdracht van [eiseres] (voor de hersenbloeding)’ en met de letter ‘D’ transacties die ‘in overleg met [eiseres] ’ zijn geschied. Het is echter onverklaarbaar waarom zij ervan uitgaat dat de lijst transacties bevat van vóór de hersenbloeding van [eiseres] op 25 mei 2010, nu de lijst betrekking heeft op de periode van 10 juli 2010 tot en met 9 september 2014. Voorts is niet duidelijk gemaakt wat het verschil is tussen transacties die in opdracht en transacties die in overleg met [eiseres] zijn verricht. De lijst bevat met name talrijke transacties in verband met boodschappen bij de supermarkt, kleding, bestedingen in woonwinkels en dergelijke. Als deze transacties volgens [gedaagde sub 1] in het belang van [eiseres] zijn geschied, valt niet in te zien hoe de betreffende bestedingen passen in de zuinige levensstijl van [eiseres] , die bovendien in een verpleeghuis woont en dus weinig tot geen dagelijkse boodschappen nodig heeft. Als de transacties niet ten behoeve van [eiseres] zijn geschied, dan geldt dat [gedaagde sub 1] niet dan wel onvoldoende heeft toegelicht dat en waarom [eiseres] zo veelvuldig dagelijkse boodschappen, kleding, etc. voor haar zou hebben betaald. Vraag is dan bovendien waarom [gedaagde sub 1] deze transacties niet heeft aangemerkt met de letter ‘F’, waarmee zij ‘cadeaus’ heeft aangeduid.Opgemerkt wordt verder dat [gedaagde sub 1] (die beschikte over de pinpas van de rekening van [eiseres] ) op geen enkele wijze heeft toegelicht waaraan de 39 geldopnames van telkens € 1.250,00 (in totaal € 48.750,00 over een periode van viereneenhalf jaar) zijn besteed. Dat de bedragen in het belang van [eiseres] zijn aangewend, blijkt nergens uit. [gedaagde sub 1] heeft de meeste geldopnames aangeduid met een ‘C’, maar deze uitleg volstaat niet. Uit de lijst blijkt dat heel veel geld is gepind. Zo werd bijvoorbeeld in oktober 2013 een bedrag van in totaal € 2.000,00 gepind, in november 2013 € 1.750,00, in december 2013 € 1.250,00 en in februari 2014 € 2.100,00. Twee van de drie bestellingen van eurobiljetten heeft [gedaagde sub 1] in het geheel niet van een letter voorzien. Dit geldt overigens voor meer transacties die op de lijst van de bewindvoerder zijn genoemd. Ook over de besteding van deze bedragen heeft zij geen (afdoende) verklaring gegeven. Het had op haar weg gelegen een nadere toelichting gegeven nu, zoals reeds is overwogen, [gedaagde sub 1] degene was die de volledige bankzaken van [eiseres] verzorgde. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde sub 1] onvoldoende gemotiveerd betwist dat de door haar met ‘C’ en ‘D’ aangeduide transacties én de transacties die zij niet nader heeft aangeduid met een letter, zonder rechtsgrond zijn betaald.



5.10.
De met ‘E’(instanties) aangeduide betalingen van € 217,77 en € 148,75 op 26 april 2011 en 10 mei 2012 hebben betrekking op de accountant van [eiseres] , zodat deze betalingen niet als onverschuldigd betaald kunnen worden aangemerkt. Deze bedragen kunnen dus niet van [gedaagde sub 1] worden (terug)gevorderd.5.11. [gedaagde sub 1] heeft een aantal transacties aangeduid met een ‘F’ (cadeaus). Het betreft onder meer veelvuldige betalingen bij tuincentra, maar ook betalingen bij juweliers en een kampeerwinkel. Gelet op de hiervoor geschetste levenswijze van [eiseres] , de grote hoeveelheid van transacties en de daarbij gespendeerde bedragen, kon [gedaagde sub 1] niet volstaan met de enkele aanduiding dat het om schenkingen gaat, maar had zij meer uitleg moeten geven. De enkele stelling dat [eiseres] een erg vrijgevige vrouw was, is in dit verband onvoldoende. Relevant is in dit verband dat uit het feit dat [eiseres] in of omstreeks september 2014 bankafschriften heeft laten opvragen bij de bank en spoedig na ontvangst van de bankafschriften de volmacht heeft ingetrokken, moet worden afgeleid dat [eiseres] niet op de hoogte was van haar financiële situatie en dat zij het niet eens was met de transacties die op haar rekening hadden plaatsgevonden. [gedaagde sub 1] heeft voor deze gang van zaken geen (genoegzame) verklaring gegeven.Opgemerkt wordt bovendien dat [gedaagde sub 1] tegenover de accountant over de daling van het vermogen van [eiseres] met € 279.000,00 in het jaar 2010 heeft gezegd dat [eiseres] een bedrag van € 120.000,00 aan haar had geschonken en dat de daling voor het overige was te verklaren doordat [eiseres] het geld zelf in de privésfeer had opgemaakt aan onder andere uitgaven voor paard(en) en toebehoren (brief van de accountant van 24 maart 2011, productie 5 bij dagvaarding). In strijd met deze verklaring heeft [gedaagde sub 1] thans wel posten uit 2010 opgevoerd die schenkingen zouden betreffen. Met betrekking tot de (vermeende) schenking van € 120.000,00 is van belang dat [gedaagde sub 1] haar stelling dat [eiseres] besloot een deel van haar vermogen aan haar te schenken nadat zij bericht van het CAK had ontvangen dat zij een hogere eigen bijdrage diende te betalen, niet nader heeft onderbouwd nadat de bewindvoerder gemotiveerd heeft betoogd dat een vermindering van het vermogen van [eiseres] met € 120.000,00 geen enkele invloed had op de hoogte van haar eigen bijdrage. [gedaagde sub 1] heeft op geen enkele andere wijze onderbouwd dat [eiseres] dit (aanzienlijke) bedrag aan haar heeft geschonken. Het ligt voor de hand dat bij een schenking van een dergelijk bedrag een notariële akte van schenking wordt opgemaakt. Het lijkt er echter op dat dit niet is gebeurd, nu uit de overgelegde declaraties van de notaris (productie 11 bij akte overlegging producties) blijkt dat niet is gedeclareerd voor werkzaamheden met betrekking tot een schenkingsovereenkomst. [gedaagde sub 1] had haar betoog bijvoorbeeld nader kunnen onderbouwen door stukken over te leggen waaruit blijkt dat ze schenkbelasting heeft betaald, maar ook dit is niet gebeurd.Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de met een ‘F’ aangeduide transacties zonder rechtsgrond zijn geschied.


5.12.

[gedaagde sub 1] heeft de transacties op de lijst die betrekking hebben op ‘auto van [eiseres] (tanken en reparatie)' met een ‘G’ aangemerkt. Het gaat voornamelijk om benzinekosten. Verder is met een ‘G’ aangeduid een overschrijving aan [naam a] op 11 september 2010 van € 1.298,05 (volgens [gedaagde sub 1] betreft een reparatie van de auto) en een betaling van ANWB-contributie op 14 december 2010 van € 83,00.Voor wat betreft deze transacties is van belang dat tussen partijen - als onbetwist - vast staat dat de auto van [eiseres] door [gedaagde sub 1] werd gebruikt. [gedaagde sub 1] heeft bij conclusie van antwoord toegelicht dat dit gebeurde naar aanleiding van een advies van de garage aan [eiseres] om meer met het voertuig te rijden. [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] vervolgens gevraagd of zij dit wilde doen, omdat zij zelf niet zoveel zou kunnen rijden en heeft vervolgens zelfs aangeboden om het benzineverbruik van het voertuig voor [gedaagde sub 1] te betalen, aldus [gedaagde sub 1] . Bij antwoordakte uitlating producties heeft [gedaagde sub 1] aanvullend hierop gesteld dat [eiseres] heeft aangegeven de tankkosten voor het gebruik van haar auto op zich te nemen.Hiermee heeft [gedaagde sub 1] niet (gemotiveerd) weersproken dat de reparatiekosten en ANWB-kosten voor de auto, die door haar werd gebruikt, onverschuldigd zijn betaald. De stelling dat [eiseres] heeft aangegeven de tankkosten voor het gebruik van haar auto op zich te nemen, is nieuw en niet nader onderbouwd. [gedaagde sub 1] had deze nieuwe stelling nader dienen te motiveren, temeer nu de benzinekosten reeds bleken uit de bankafschriften die bij dagvaarding door de bewindvoerder zijn overgelegd. Dit is evenwel niet gebeurd, zodat aan de stelling van [gedaagde sub 1] wordt voorbijgegaan. Hiermee is dus (ook) onvoldoende weersproken dat de met een ‘G’ aangemerkte transacties op de lijst die betrekking hebben op benzinekosten door [eiseres] zonder rechtsgrond zijn betaald.



5.13.
De letter ‘L’ is door [gedaagde sub 1] geplaatst bij transacties waarbij het volgens haar gaat om de bril van [eiseres] . De enige transactie die met ‘L’ is aangeduid heeft evenwel als omschrijving: ‘Protestantse Gem. Klokgeluiden’. Uit die omschrijving is niet af te leiden dat het zou gaan om de bril van [eiseres] , zodat [gedaagde sub 1] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het hier om een betaling zonder rechtsgrond gaat.



5.14.
Met de letter ‘M’ heeft [gedaagde sub 1] transacties aangeduid die volgens haar betrekking hebben op een onkostenvergoeding. Nu de betreffende transacties alleen afschrijvingen bij benzinestations en bouwmarkten betreffen kan zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet worden meegegaan met het betoog dat deze betalingen een onkostenvergoeding aan [gedaagde sub 1] betreffen. Ook op dit punt heeft [gedaagde sub 1] dus onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de betreffende betalingen zonder rechtsgrond zijn geschied.



5.15.
De enige met ‘O’ aangemerkte transactie heeft betrekking op een cashopname en kan zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet worden aangemerkt als een uitgave ten behoeve van de pedicure [naam verpleeghuis] , zoals [gedaagde sub 1] heeft gesteld. Het verweer van [gedaagde sub 1] treft dus geen doel.



5.16.
De door [gedaagde sub 1] genoemde letter ‘P’ is bij geen enkele transactie van het overzicht geplaatst.



5.17.
Met de letter ‘V’ heeft [gedaagde sub 1] de transacties aangemerkt die volgens haar betrekking hebben op ‘vaste kosten woning’. Een aantal van de met ‘V’ aangeduide transacties heeft echter betrekking op betalingen bij bouwmarkten. Zonder nadere concretisering (die ontbreekt) kan niet worden ingezien dat deze bedragen betrekking hebben op vaste kosten van de woning van [eiseres] . Dit is anders ten aanzien van transacties ‘Stichting Markenheem alarmering’ op 8 november 2010 en 17 mei 2011 (€ 30,60 en € 31,50). Het is duidelijk dat dit vaste kosten van de woning van [eiseres] zijn. Deze bedragen zijn dus niet onverschuldigd betaald en kunnen niet van [gedaagde sub 1] worden (terug)gevorderd.



5.18.
Met ‘X’ zijn aangeduid ‘kosten voor het leeghalen van de woning in Zelhem’. Het gaat hierbij om twee opnames bij een geldautomaat in Bocholt, Duitsland, van € 300,00 en € 250,00. Nu niet nader is geconcretiseerd waaraan deze bedragen zijn besteed, heeft [gedaagde sub 1] onvoldoende betwist dat deze bedragen zonder rechtsgrond zijn betaald.



5.19.

[gedaagde sub 1] heeft haar stelling dat de door haar met de letter ‘Z’ aangemerkte transacties dienen te worden aangemerkt als zakgeld en taxikosten, niet nader toegelicht. Dit had wel op haar weg gelegen, nu het gaat om geldopnames die ook reeds waren opgenomen in de bij dagvaarding overgelegde bankafschriften. Het is in dit verband van belang dat in de geldopnames geen enkele regelmaat is te ontdekken, terwijl bovendien op één dag (27 april 2011) in totaal een bedrag van € 1.250,00 is opgenomen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat een bedrag van deze omvang kan worden aangemerkt als zakgeld, waaronder naar normaal taalgebruik moet worden verstaan geld dat je op zak hebt voor kleine uitgaven. Dat het opgenomen geld is besteed aan taxikosten die [eiseres] heeft gemaakt, blijkt niet uit de bankafschriften en is door [gedaagde sub 1] ook niet nader toegelicht. Dit alles leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de met een ‘Z’ aangemerkte transacties zonder rechtsgrond zijn verricht.


5.20.
Samengevat komt hetgeen hiervoor is overwogen erop neer dat:a. de bewindvoerder genoegzaam heeft onderbouwd en [gedaagde sub 1] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zonder rechtsgrond zijn verricht de transacties die door [gedaagde sub 1] op de lijst zijn aangeduid met de letters A, B, C, D, F, G, L, M, O, V en Z (met uitzondering van de in rechtsoverweging 5.17 genoemde posten van € 30,60 en € 31,50), alsmede de transacties op de lijst die door [gedaagde sub 1] niet van een letter zijn voorzien; in zoverre ligt de vordering van de bewindvoerder jegens [gedaagde sub 1] in beginsel voor toewijzing gereed,
b. de bewindvoerder onvoldoende heeft gesteld voor toewijzing van de met ‘E’ aangeduide bedragen van € 217,77 en € 148,75 (rechtsoverweging 5.10) en de met ‘V’ aangeduide bedragen van € 30,60 en € 31,50 (rechtsoverweging 5.17).


5.21.
Op het door de curator becijferde bedrag van € 403.339,05 dienen derhalve de hiervoor onder b genoemde bedragen (in totaal € 428,62) in mindering te worden gebracht. Bovendien zijn niet toewijsbaar de bedragen die verband houden met (vermeende) schenkingen aan anderen dan [gedaagde sub 1] (9 x € 2.000,00) en de bedragen die zijn besteed aan de aanpassing van de woning van de ouders (2 x € 8.500,00 en € 10.000,00). Deze bedragen kunnen niet als onverschuldigd betaald van [gedaagde sub 1] worden (terug)gevorderd. Dit betekent dat de vordering jegens [gedaagde sub 1] in beginsel voor toewijzing gereed ligt tot een bedrag van € 357.910,43 (€ 403.339,05 - € 428,62 - € 45.000,00).

Ten aanzien van de ouders



ongerechtvaardigde verrijking




5.22.
De bewindvoerder baseert zijn vordering jegens de ouders primair op ongerechtvaardigde verrijking. Op grond van artikel 6:212 lid 1 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Een verrijking is ongerechtvaardigd als voor de verrijking geen redelijke grond bestaat. In ieder geval is niet ongerechtvaardigd een verrijking die haar grondslag vindt in een rechtshandeling.



5.23.
Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de bewindvoerder gesteld dat uit de door hem overgelegde rekeningafschriften duidelijk blijkt dat een deel van het door [gedaagde sub 1] onttrokken vermogen is besteed aan de verfraaiing (grondwerk, bestrating, omheining) van de opstal van de ouders en dat aan hen bedragen (schenkingen) zijn betaald. Hiermee zijn de ouders volgens de bewindvoerder voor een bedrag van € 31.000,00 verrijkt ten koste van [eiseres] , die hierdoor is verarmd. Voor deze uitgaven heeft [eiseres] geen toestemming gegeven, aldus de bewindvoerder.



5.24.
In tegenstelling tot hetgeen de ouders hebben gesteld, is deze vordering voldoende gespecificeerd. Duidelijk is dat de bewindvoerder doelt op de overschrijvingen met de vermelding ‘aanpassing bestrating achterhuis in verband met rolstoel’(€ 8.500,00), ‘schuurman omheining’ (€ 8.500,00) en ‘grondwerk’ (€ 10.000,00), alsmede de twee overschrijvingen van 28 oktober 2010 van € 2.000,00 naar de rekening van ieder van de ouders van [gedaagde sub 1] .



5.25.
De ouders hebben bij conclusie van antwoord betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Met betrekking tot de eerste drie transacties hebben zij - zo begrijpt de rechtbank - aangevoerd dat aanpassingen in de bestrating achter hun huis, maar ook aanpassingen in de toegang tot en de omheining van hun woning nodig waren om het voor [eiseres] mogelijk te maken met haar rolstoel bij de woning en de paarden te komen. [eiseres] heeft volgens de ouders aangeboden de aanpassingen te financieren en is met [gedaagde sub 1] naar de bank gegaan om het geld voor de verbouwing te verkrijgen. Gelet op de door de ouders aangevoerde feitelijke stellingen op dit punt, had het op de weg van de bewindvoerder gelegen om hierop inhoudelijk te reageren en zijn stelling dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking op dit punt nader te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Hij heeft dit echter nagelaten, waardoor hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Dit deel van de vordering kan derhalve niet worden toegewezen.



5.26.
Ten aanzien van de schenkingen hebben de ouders onvoldoende gemotiveerd betwist dat deze bedragen zonder redelijke grond aan hen zijn betaald. Hun betoog dat [gedaagde sub 1] deze bedragen op verzoek van [eiseres] aan hen heeft geschonken, is onvoldoende onderbouwd. Hierbij is van belang dat, zoals reeds is overwogen in rechtsoverweging 5.11, uit het feit dat [eiseres] in of omstreeks september 2014 bankafschriften heeft laten opvragen en spoedig na ontvangst van die afschriften de volmacht heeft ingetrokken, moet worden afgeleid dat [eiseres] niet wist van haar financiële situatie en dat zij het niet eens was met de transacties die op haar rekening hadden plaatsgevonden. Voor deze gang van zaken is door de ouders geen (genoegzame) verklaring gegeven.



5.27.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden geconcludeerd dat de schenkingen aan de ouders zonder redelijke grond zijn gedaan en dat de ouders hierdoor ieder ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van [eiseres] . De vordering tot schadevergoeding jegens de ouders is derhalve in beginsel toewijsbaar tot een bedrag van € 2.000,00 voor ieder van de ouders.


Ten aanzien van [gedaagde sub 1] en de ouders



verjaring




5.28.

[gedaagden] heeft tevens ten verwere aangevoerd dat zowel de vordering op grond van onverschuldigde betaling (ten aanzien van [gedaagde sub 1] ) als de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking (ten aanzien van de ouders) is verjaard. De bewindvoerder heeft gemotiveerd betwist dat de vorderingen zijn verjaard.



5.29.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3:309 BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Voor een rechtsvordering uit ongerechtvaardigde verrijking geldt op grond van artikel 3:310 lid 1 BW dat verjaring plaatsvindt door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het criterium ‘bekend is geworden’ in beide artikelen subjectief worden opgevat, in die zin dat voor het aanvangen van de verjaringstermijn vereist is dat de schuldeiser/benadeelde daadwerkelijk bekend was met het bestaan van zijn vordering en de persoon van de ontvanger (onder andere Hoge Raad 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900, Hoge Raad 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3696). Degene die zich op verjaring beroept dient voldoende feiten en omstandigheden te stellen
- en zo nodig te bewijzen - waaruit kan volgen op welk moment de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met zowel het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger.5.30. [gedaagden] heeft ter onderbouwing van het beroep op verjaring onder meer aangevoerd dat [eiseres] altijd het overzicht in haar financiële situatie heeft gehad en dat de betalingen, schenkingen en cashopnames altijd met haar zijn besproken. [eiseres] was volgens [gedaagden] van alle transacties op de hoogte, omdat zij inzage in haar bankgegevens had. Voor wat betreft [gedaagde sub 1] is er verder op gewezen dat de gevorderde bedragen voor zover daterend van vóór 28 juni 2011 zijn verjaard, omdat de dagvaarding op 28 juni 2016 is betekend. Voor wat betreft de ouders is nog aangevoerd dat [eiseres] wist dat de aanpassing van de woning en de schenkingen in oktober 2010 plaatsvonden, zodat de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking ten tijde van de betekening van de dagvaarding verjaard was. De bewindvoerder heeft betwist dat sprake is van verjaring en heeft aangevoerd dat [eiseres] pas in of september 2014 inzage kreeg in haar bankrekeningen.Hieromtrent wordt het volgende overwogen.



5.31.

[gedaagden] heeft haar stelling dat [eiseres] altijd op de hoogte was van haar financiële situatie en dat de betalingen, schenkingen en cashopnames altijd met haar zijn besproken, niet nader geconcretiseerd. Niet weersproken is dat [eiseres] in of omstreeks september 2014 bankafschriften heeft laten opvragen bij de bank. Het ligt niet voor de hand dat men hiertoe overgaat indien men inzage heeft in de financiële situatie. Spoedig na ontvangst van de bankafschriften heeft [eiseres] de volmacht ingetrokken. Deze gang van zaken wordt overigens bevestigd door de inhoud van het e-mailbericht van de notaris van 1 december 2016 (zie randnummer 2.8 van dit vonnis). Van belang is voorts dat onbetwist is gebleven dat rekeningafschriften en andere financiële stukken rechtstreeks naar het adres van [gedaagde sub 1] werden gestuurd. Ook is onweersproken gebleven dat de volledige bankzaken door [gedaagde sub 1] werden verzorgd en dat de belastingaangifte plaatsvond via een tussenpersoon. De stelling dat [eiseres] uit de aan haar toegezonden belastingaanslagen heeft kunnen opmaken dat haar vermogen (aanzienlijk) was afgenomen kan [gedaagden] niet baten, nu voor het ingaan van de verjaringstermijn slechts relevant is of [eiseres] op de hoogte was en niet of zij op de hoogte had kunnen zijn. Er is door [gedaagden] nog gewezen op de brief van de accountant van 24 maart 2011 (productie 5 bij dagvaarding), maar deze brief is gericht aan [eiseres] en [gedaagde sub 1] op het adres van [eiseres] . Nergens blijkt uit dat de inhoud van deze brief met [eiseres] is besproken. Op grond van dit alles geldt dat [gedaagden] onvoldoende heeft aangevoerd om aan te kunnen nemen dat [eiseres] op een eerder moment dan in september 2014 op de hoogte is geraakt van haar financiële situatie en de transacties die hadden plaatsgevonden.



5.32.
Conclusie dient derhalve te zijn dat [gedaagden] het beroep op verjaring onvoldoende heeft onderbouwd, zodat dit beroep faalt.


rechtsverwerking




5.33.

[gedaagden] heeft verder nog een beroep gedaan op rechtsverwerking. Een beroep op rechtsverwerking wordt slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond geoordeeld. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zal maken. Degene die zich op rechtsverwerking beroept, dient hiervoor concrete feiten en omstandigheden aan te voeren. Enkel tijdsverloop is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen



5.34.
Ter onderbouwing van het beroep op rechtsverwerking heeft [gedaagden] aangevoerd dat door [eiseres] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij haar eventuele aanspraak niet meer geldend zal maken en dat de positie van [gedaagden] door het alsnog geldend maken van die aanspraak onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard. Hierbij is gewezen op het tijdsverloop. Gesteld is dat de cadeaus, de schenkingen en de aanpassingen aan de paardenstalling en de bestrating in de jaren 2009 en 2010 zijn verricht en dat [eiseres] nimmer heeft aangegeven dat zij de uitgaven wenste terug te draaien. Volgens [gedaagden] wist [eiseres] van de besteding van het geld en van haar financiële situatie. [gedaagden] wordt onredelijk benadeeld nu [eiseres] het betaalde bedrag wenst terug te ontvangen omdat de verbouwing nooit zou hebben plaatsgevonden als [eiseres] die verbouwing niet had gewenst of nodig had gevonden voor de doorgang met haar rolstoel, aldus [gedaagden] .



5.35.
Het beroep op rechtsverwerking faalt, nu uit de stellingen van [gedaagden] niet kan worden afgeleid dat sprake is van de voor rechtsverwerking vereiste bijzondere omstandigheden. Hiervoor is met name van belang dat [gedaagden] onvoldoende heeft aangevoerd om aan te kunnen nemen dat [eiseres] op een eerder moment dan in september 2014 op de hoogte is geraakt van haar financiële situatie en de transacties die hadden plaatsgevonden. Verwezen wordt naar hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging 5.31 is overwogen. Het enkele verloop van tijd is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen.


wettelijke rente
5.36. De wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van de dag waarop de dagvaarding is betekend (dit is 28 juni 2016), nu onweersproken is gesteld dat het verzuim niet eerder is ingetreden.


de beslagkosten




5.37.
De vordering tot betaling van de beslagkosten is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op:- explootkosten € 1.154,80
- griffierecht 288,00
- salaris advocaat 2.580,00 (1 punt × tarief € 2.580,00)
Totaal € 4.022,80de proceskosten5.38. [gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij (hoofdelijk) in de proceskosten worden veroordeeld. Voorbijgegaan wordt aan het betoog dat de proceskosten voor rekening van de bewindvoerder dienen te komen omdat [gedaagden] rauwelijks zou zijn gedagvaard. Hiervoor is van belang dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van proceskosten die door de bewindvoerder nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt. De kosten aan de zijde van de bewindvoerder worden begroot op:
- dagvaarding € 99,89
- griffierecht 1.548,00
- salaris advocaat 6.450,00 (2½ punt × tarief € 2.580,00)
Totaal € 8.097,89



5.39.
De gevorderde vergoeding in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.





6De beslissing
De rechtbank


6.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan de bewindvoerder te betalen een bedrag van € 357.910,43, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 28 juni 2016 tot de dag van volledige betaling,



6.2.
veroordeelt gedaagde sub 2 om aan de bewindvoerder te betalen een bedrag van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 28 juni 2016 tot de dag van volledige betaling,


6.3.
veroordeelt gedaagde sub 3 om aan de bewindvoerder te betalen een bedrag van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 28 juni 2016 tot de dag van volledige betaling,



6.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander is bevrijd, in de beslagkosten, tot op heden begroot op een bedrag van € 4.022,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na dit vonnis indien en voor zover deze kosten niet binnen de termijn zijn voldaan,



6.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander is bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van de bewindvoerder tot op heden begroot op € 8.097,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,



6.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander is bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,



6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.

GR/DB
Link naar deze uitspraak