Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RVS:2021:33 
 
Datum uitspraak:13-01-2021
Datum gepubliceerd:13-01-2021
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202002713/1/R1
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Bij besluit van 29 januari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan geweigerd om [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een beschoeiing op het perceel [locatie] te Oostzaan. [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [locatie] te Oostzaan. Bij besluit van 6 oktober 2016 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier een watervergunning verleend aan [appellant] om een gedeelte van 59 m2 van het perceel te ontgraven en vervolgens een stuk van 29 meter bij 2 meter aan de slootzijde te dempen. Vervolgens heeft [appellant] op 6 december 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning met overschrijding van het bouwvlak en de daarbij behorende inrichting van het perceel. Op 10 april 2018 heeft het college, na positief advies van de welstandscommissie, met toepassing van een zogenoemde binnenplanse afwijking, die vergunning verleend.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
hoogheemraadschap
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
202002713/1/R1.
Datum uitspraak: 13 januari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Oostzaan,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 maart 2020 in zaak nr. 19/3902 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan.
Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2019 heeft het college geweigerd om [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een beschoeiing op het perceel [locatie] te Oostzaan.
Bij besluit van 16 juli 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 maart 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J.F. Voss, advocaat te Zaandam, en het college, vertegenwoordigd door M. Cornelisse en E. Ruppert, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.     [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [locatie] te Oostzaan. Bij besluit van 6 oktober 2016 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: HHNK) een watervergunning verleend aan [appellant] om een gedeelte van 59 m2 van het perceel te ontgraven en vervolgens een stuk van 29 meter bij 2 meter aan de slootzijde te dempen. Vervolgens heeft [appellant] op 6 december 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning met overschrijding van het bouwvlak en de daarbij behorende inrichting van het perceel. Op 10 april 2018 heeft het college, na positief advies van de welstandscommissie, met toepassing van een zogenoemde binnenplanse afwijking, die vergunning verleend.
Op 5 juni 2018 heeft [appellant] een omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) aangevraagd ter legalisatie van de inmiddels aangelegde walbeschoeiing. Volgens de tekeningen bij de aanvraag loopt de beschoeiing, over een lengte van 23,6 meter, op 1,10 meter afstand vanaf de oorspronkelijk oeverlijn tot 0 meter in de noordoostelijke richting. Daarbij heeft [appellant] aangegeven dat hij in plaats van de door het HHNK toegestane 59 m2 slechts 13,81 m2 aan de slootkant gedempt. Bij het besluit van 16 juli 2019 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard en de weigering om de omgevingsvergunning voor de walbeschoeiing te verlenen, in stand gelaten.
Gronden van het hoger beroep
Beschoeiing is reeds vergund
2.    [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er niet eerder een aanvraag is gedaan voor en een besluit is genomen over het plaatsen van de beschoeiing. Het perceel van [appellant] maakt deel uit van een nieuwbouwwijk waarin alle kavels aan de waterzijde zijn voorzien van een beschoeiing die op 31 mei 2016 aan de projectontwikkelaar Giesbers is vergund. [appellant] heeft gevraagd om die beschoeiing voor een betere ruimtelijke situering te mogen opschuiven. Uit tekeningen bij de aanvraag van 6 december 2017 blijkt volgens [appellant] dat met het opschuiven van de woning in de richting van de sloot impliciet toestemming is gevraagd voor het verplaatsen van de oeverlijn en de daarin aanwezige beschoeiing. Het ene verzoek is onlosmakelijk verbonden met het andere, aldus [appellant]. De geplaatste beschoeiing is daarmee volgens hem vergund bij de op 10 april 2018 aan [appellant] verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning.
2.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de aanvraag van 6 december 2017 noch uit het besluit van het college van 10 april 2018 blijkt dat mede is verzocht om een vergunning voor het plaatsen van een beschoeiing en dat ook daarvoor een vergunning is verleend. De luchtfoto van het perceel met de situatieschets die door [appellant] is ingediend bij de aanvraag van 6 december 2017 met daarop witte lijnen ter verplaatsing van de oeverlijn, kan niet worden beschouwd als een eenduidige en ondubbelzinnig kenbaar gemaakte aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van beschoeiing. Het voorgaande betekent dat [appellant] geen aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van beschoeiing heeft ingediend. Daarnaast zijn de aanvraag om een omgevingsvergunning om de woning in de richting van de sloot op te schuiven en de aanvraag om een omgevingsvergunning om beschoeiing te plaatsen geen onlosmakelijke activiteiten in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. Woning en beschoeiing kunnen blijkens de aanvragen los van elkaar worden gerealiseerd.
2.2.    De hoger beroepsgrond dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beschoeiing al is vergund aan projectontwikkelaar Giesbers op 31 mei 2016 slaagt ook niet. De Afdeling volgt het college in zijn standpunt dat die vergunning gold voor een beschoeiing op een andere plek dan waarvoor [appellant] nu vergunning heeft gevraagd.
Vergunning kon niet worden geweigerd vanwege toestemming voor samenhangende projecten
3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning voor het plaatsen van beschoeiing door het college in redelijkheid niet geweigerd kon worden omdat [appellant] toestemming had van het HHNK voor het dempen van de sloot. Bovendien is er een beslissing van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 26 maart 2018 waarin is bepaald dat het perceel van [appellant] een leeflaag dient te hebben van 1,5 meter. Ter realisering van die leeflaag moet het perceel aan de walkanten zijn voorzien van beschoeiing die ten minste 90 cm boven het water uitsteekt, zo stelt [appellant].
3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat naast de door het HHNK verleende watervergunning om de sloot gedeeltelijk te dempen ook een omgevingsvergunning van het college voor het plaatsen van de beschoeiing vereist is. Voor de omgevingsvergunning geldt een ander wettelijk kader dan de watervergunning. Het college behartigt daarbij andere belangen dan het HHNK en is daarbij, anders dan door [appellant] is betoogd, niet gebonden aan een besluit van het HHNK over de watervergunning. Daaruit volgt ook dat er geen grondslag bestaat voor de stelling van [appellant] dat het college overleg had moeten voeren met het HHNK voordat het tot afwijzing van de aanvraag besloot. Overigens heeft het HHNK in het besluit van 6 oktober 2016 vermeld dat er mogelijk nog  andere ontheffingen en/of vergunningen van de gemeente nodig zijn.
De door [appellant] genoemde beslissing van het college van gedeputeerde staten van 26 maart 2018 ziet alleen op de verplichting om een leeflaag op het perceel aan te brengen. De realisatie daarvan is niet afhankelijk van de plek waar de beschoeiing wordt aangebracht, zo heeft het college terecht aangevoerd.
Het betoog slaagt niet.
Het college heeft niet aan het juiste bestemmingsplan getoetst
4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de beschoeiing binnen het gebied van het bestemmingsplan "Buitengebied Oostzaan" ligt. Uit de door het college getoonde verbeelding valt volgens hem in combinatie met luchtfoto’s niet af te leiden waar de grens tussen de gebieden van de bestemmingsplannen "Buitengebied Oostzaan" en "Klein Twiske fase 2" precies loopt. Dit is van belang omdat de afwijking van de oorspronkelijke situatie slechts marginaal is.
4.1.    [appellant] merkt met juistheid op dat de plangrenzen zoals die zijn weergegeven op de verbeelding van de beide bestemmingsplannen, worden gevormd door een tamelijk dikke lijn. Uit die weergave, die overigens gebruikelijk is bij bestemmingsplannen, valt op zichzelf niet op de meter nauwkeurig te bepalen waar de grens tussen de plangebieden ligt. Op de verbeelding van de plannen is echter wel duidelijk te zien dat de grens niet, zoals de kadastrale erfgrens, in het midden van de sloot ligt maar op of nabij de oostelijke oever van de sloot. De bestemmingsplangrens volgt die oostelijke oever exact en buigt ook mee met de onregelmatigheden in de oeverlijn. Naar het oordeel van de Afdeling vormt dit een duidelijke aanwijzing dat de grens tussen de plangebieden precies samenvalt met de oever zoals die bij het opstellen van de plannen verliep. De aard van het gebruik van de gronden ten westen en ten oosten van de oeverlijn, bezien in samenhang met de geldende en historische bestemmingen ter plaatse, vormt hiervoor een volgende aanwijzing. De enkele omstandigheid dat, zoals ter zitting namens [appellant] is gesteld, het bestemmingsplan "Buitengebied Oostzaan" geen gedetailleerde invulling kent van het gebied onmiddellijk ten westen van de hier bedoelde plangrens, vormt onvoldoende grond om te veronderstellen dat de plangrens ondanks het bovenstaande mogelijk enkele meters westelijk ligt van de oever van de sloot zoals die oorspronkelijk was gesitueerd.
Het voorgaande, bezien in combinatie met luchtfoto’s, leidt de Afdeling tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de begrenzing van het bestemmingsplan "Buitengebied Oostzaan" bij de oorspronkelijke oeverlijn ligt en het gedempte stuk sloot met beschoeiing daarom moet worden getoetst aan dat plan.
Het betoog slaagt niet.
Vergunning had ondanks strijd met het bestemmingsplan moeten worden verleend
5.     Volgens [appellant] heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom voor de beschoeiing, voor zover deze in het gebied van het bestemmingsplan "Buitengebied Oostzaan" ligt, ondanks strijd met het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning is verleend. De loop van de beschoeiing ten opzichte van de oorspronkelijke oeverlijn is minimaal en de sloot is 9 meter breed, waarmee de beschoeiing ruim boven de door het HHNK gestelde minimale eis van 6 meter blijft. De minimale afwijking van de oorspronkelijke oeverlijn heeft volgens [appellant] geen invloed op de met het bestemmingsplan beoogde bescherming van het verkavelingspatroon. De enkele motivering van het college dat de watergang smaller wordt door de nieuwe beschoeiing, kan het besluit om niet mee te werken aan het verlenen van een omgevingsvergunning naar de mening van [appellant] niet dragen. Daarbij acht hij mede van belang dat de gemeentelijke welstandscommissie op 27 juni 2017 haar instemming heeft betuigd met het verschuiven van de exacte situering van de woning in de richting van de sloot. Het wijzigen van de oorspronkelijke oeverlijn langs het perceel als voorzien in de aanvraag hangt nauw met die verschuiving samen, zo begrijpt de Afdeling [appellant].
5.1.    Het college wijst erop dat de beschoeiing in de sloot deel uitmaakt van gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de gebiedsaanduiding "weidevogelgebied, open landschap, verkavelingspatroon". Deze gronden zijn bestemd voor sloten en andere watergangen, zo volgt uit artikel 4.1, aanhef en onder j, van de planregels. Op de gronden geldt naast deze bestemming ingevolge de gebiedsaanduiding en artikel 28.1.2 ook een bescherming van het verkavelingspatroon. Als strijdig gebruik met deze waarden geldt ingevolge artikel 28.2 gebruik op een wijze die leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied. Het overeenkomstig de vergunningaanvraag plaatsen van de beschoeiing en dit gebruiken als erf voor de bestemming "Wonen" levert gebruik op dat strijdig is met de bestemming "Agrarisch met waarden". Voorts strekt dit gebruik niet tot het in stand houden van het specifieke verkavelingspatroon door middel van handhaving van de karakteristieke oriëntatierichting en de strokenverkaveling van de percelen en de daartussen gelegen brede sloten. Het college heeft geen aanleiding gevonden om in weerwil van de strijd met het bestemmingsplan vergunning te verlenen.
5.2.    De Afdeling is van oordeel dat het college, binnen de beleidsruimte die het op dit gebied heeft, voldoende heeft gemotiveerd waarom het niet wil meewerken aan het verzoek van [appellant] om in strijd met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Het college stelt dat het verlenen van de gevraagde vergunning, ondanks de relatief beperkte overschrijding, ertoe kan leiden dat de oorspronkelijke vorm van de kavel en de breedte van de sloot worden veranderd. Het college hanteert in dit opzicht een stringent beleid. Het werkt niet mee aan het gebruik van gronden met een andere bestemming zoals "Agrarisch met waarden" of "Water" aansluitend aan een erf, voor gebruik als erf bij de woning. Het college voorziet bij het verlenen van een vergunning in strijd met het bestemmingsplan een grote negatieve precedentwerking voor percelen van andere bewoners van Oostzaan die aan de achterzijde grenzen aan gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" of "Water" en waarbij de bewoners hun erf willen uitbreiden. Ten aanzien van de minimale breedte-eis (6 meter) van de sloot van het HHNK overweegt de Afdeling dat deze breedte-eis los staat van het bestemmingsplan "Buitengebied Oostzaan", dat om ruimtelijke redenen beoogt de breedte van de sloten en het verkavelingspatroon te behouden.
Waar het gaat om het advies van de welstandscommissie heeft het college met juistheid gesteld dat die commissie zich niet heeft uitgelaten over het verplaatsen van de beschoeiing maar alleen over de situering van de woning op het perceel. Uit de op dat advies gevolgde vergunningverlening voor de woning kan, anders dan door [appellant] betoogd, ook niet worden afgeleid dat het college in dit geval niet in redelijkheid mag vasthouden aan de belangen die gemoeid zijn met de bestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Water".
Het betoog slaagt niet.
6.    Ter zitting heeft [appellant] aangevoerd dat de demping van de sloot zoals hij die feitelijk heeft uitgevoerd een kleinere oppervlakte beslaat dan voorzien in de vergunningaanvraag en dat de beschoeiing zich wel binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘’Klein Twiske fase 2’’ bevindt. Die omstandigheid doet in deze procedure niet ter zake. Het college moest namelijk een besluit nemen over de aanvraag zoals die door [appellant] is ingediend.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. F.D. van Heijningen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2021
195-970.
Link naar deze uitspraak